Twintig jaar Verdrag van Maastricht

Europa is wakker

Ten tijde van ‘Maastricht’ dachten de Europese regeringsleiders dat een gemeenschappelijke munt vanzelf tot economische convergentie en politieke eenwording zou leiden. Een kapitale misrekening.

EUROPIUM IS een zeldzaam aardmetaal, vernoemd naar het continent dat zijn naam te danken heeft aan Europa uit de Griekse mythologie. Het is een kostbaar, zilverwit element en het gaat dagelijks door onze handen. Want het is verwerkt in de gespecialiseerde inkten die worden gebruikt voor de beveiligingskenmerken van de eurobankbiljetten die zichtbaar worden onder ultraviolet licht.
Sinds afgelopen maandag is de kans aanmerkelijk toegenomen dat Griekenland met euro’s blijft betalen. Met hangen en wurgen zijn de landen van de eurozone akkoord gegaan met een nieuw noodkrediet van 130 miljard euro. Onder druk van Europa heeft de Griekse regering draconische bezuinigingsmaatregelen genomen en zelfs de grootste voorstanders van snoeihard ingrijpen erkennen dat deze maatregelen de Griekse bevolking diep raken. Griekenland blijft vooralsnog in de eurozone, maar vraag niet hoe. De prijs is hoog: het land staat onder curatele, de bevolking verarmt, uitzicht op economisch herstel is er niet. Ook al schelden de banken hun vorderingen op Griekenland kwijt, de Griekse staatsschuld zal in 2020 nog altijd onhoudbaar zijn.
De prijs van een Grieks bankroet - dat zonder het nieuwe krediet onafwendbaar was omdat Griekenland half maart 14,5 miljard aan staatsleningen moet aflossen - zou ook hoog zijn. De eurolanden hebben in mei 2010 een noodpakket van 110 miljard aan Griekenland verstrekt en de Europese Centrale Bank heeft via diverse operaties zo'n 100 miljard aan Griekse staatsobligaties opgekocht of als onderpand van Griekse banken ontvangen. Bij een bankroet zou derhalve 210 miljard euro in rook op gaan. Daarvoor moeten de overheden van de overige eurolanden opdraaien. Voor Nederland zou de strop kunnen oplopen tot een verlies van een slordige tien miljard euro.
Dit dreigend Grieks bankroet is het tweede risico dat in korte tijd is gedemonteerd. Het eerste risico werd eind december aangepakt. Vlak voor Kerstmis kondigde de Europese Centrale Bank aan dat het 489 miljard euro beschikbaar stelt aan banken om voor drie jaar tegen extreem lage rente te lenen. Het doel was om de bevroren Europese geldmarkten van liquiditeiten te voorzien. Er speelde ook mee dat de ECB eind vorig jaar moest voorkomen dat een of meer grote Europese banken zouden omvallen omdat ze niet meer terecht konden op de geldmarkten.
Het was Kerstmis en Europa was met vakantie, maar dit was een beslissend moment in de eurocrisis. Vrij snel daarna begon een voorzichtig herstel van vertrouwen in de financiële markten en begon de kritiek van de Angelsaksische financiële pers op de inertie van de eurolanden om de crisis aan te pakken te luwen.
Er is iets merkwaardigs met de euro aan de hand. Al twee jaar wordt gewaarschuwd dat het vijf voor twaalf, één minuut voor twaalf of drie minuten over twaalf is. Dat de eurozone aan de rand van het ravijn staat of boven de afgrond zweeft. Doemscenario’s over oorlog, crisis, jaren dertig, chaos en opspelend nationalisme in Europa circuleren. Geert Mak schetst in een pamflet (De hond van Tima) een somber beeld van de dreigende ondergang van het Avondland.
Hier klopt iets niet. Want hoe ernstig de problemen in Griekenland ook zijn, de euro handhaaft zich probleemloos in het wereldwijde stelsel van zwevende wisselkoersen. Dat komt doordat de euro niet alleen de munt is van Griekenland, maar ook van Duitsland en doordat de ECB vasthoudt aan lage inflatie.
Deze maand twintig jaar geleden, 7 februari 1992, werd het Verdrag van Maastricht ondertekend. De Economische en Monetaire Unie vormde het hoofdbestanddeel. In het verdrag waren drie kwesties spijkerhard vastgelegd: de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank, de toelatingscriteria voor landen om deel te nemen en de datum om te beginnen. Duitsland en Nederland staarden zich blind op de onafhankelijkheid van de ECB en de begrotingscriteria. De sancties voor lidstaten die zich niet aan de afspraken hielden, waren op papier hard, in de praktijk boterzacht. De regeringsleiders voelden niets voor de overdracht van soevereiniteit op begrotingsgebied aan ‘Brussel’. Europa besloot in Maastricht tot een muntunie met een gecentraliseerd monetair beleid en het behoud van nationaal financieel-economisch beleid.
Eén onderwerp kwam in de onderhandelingen over het verdrag niet ter sprake: de economische verhoudingen tussen de landen van de muntunie. Er kwam één monetair beleid voor uiteenlopende economieën. Het vraagstuk van het onderlinge concurrentievermogen speelde geen rol. Een evenwichtige betalingsbalans - houdbare overschotten of tekorten - stond niet bij de criteria waaraan de lidstaten moesten voldoen om deel te nemen aan de muntunie. Dit is de achilleshiel van het stelsel gebleken.
Achteraf is het onbegrijpelijk dat men in de euforie van de jaren 1989-1992 geloofde dat een monetaire unie in een geliberaliseerde kapitaalmarkt, zonder een politiek centrum en zonder een vereveningsmechanisme tussen de landen, crisisloos zou kunnen functioneren.

INMIDDELS IS EUROPA wakker geworden: dit werkt niet. In een muntunie van soevereine landen kan een chronisch betalingsbalanstekort leiden tot een acuut landenbankroet. Er zijn in de eurozone van aanvankelijk elf en tegenwoordig zeventien lidstaten geen beperkingen op het kapitaalverkeer. Kapitaal verdwijnt even hard uit landen als het er eerder is binnengekomen. Zoals uit een soepbord dat wordt scheefgehouden, stromen de euro’s die de Griekse economie verdient - of die banken aan Griekenland hebben uitgeleend - naar andere landen binnen de eurozone. Hieraan hebben Duitsland en Nederland de huidige, extreem lage rente te danken.
Zonder ingrijpen van de ECB zouden de PIIGS - Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje - het afgelopen jaar volledig zijn leeggelopen. De ECB heeft zich feitelijk - ook al is het volgens het verdrag niet toegestaan - opgesteld als de laatste kredietverschaffer aan landen, en daarmee als de redder van de eurozone.
Financiële markten handelen met elektronische turbosnelheid, Europese leiders slepen zich van vergadering naar vergadering. Aanvankelijk ontkenden Europese politieke leiders de complexiteit van de problemen, zeker die in Nederland. Opgejaagd door eurosceptische Angelsaksische media en belaagd door neo-nationalistische populistische partijen in eigen land zoeken de Europese politieke leiders naar de nooduitgang. De bankiers van de City en Wall Street manen tot actie: ze hebben genoeg van het gezeur in Europa en willen weer zaken doen. Ondertussen hebben de Britten zichzelf onder leiding van premier Cameron buiten spel laten zetten en staat de Britse economie er belabberder voor dan die van Duitsland.
Duitsland krijgt ladingen kritiek. Bondskanselier Merkel wordt vergeleken met de 'ijzeren kanselier’ Bismarck (of erger). Het is waar, Merkel is minder bevlogen 'Europeaan’ dan haar voorganger Helmut Kohl. Dat is maar goed ook, want Kohls bevlogenheid heeft de tekortkomingen in het Verdrag van Maastricht opgeleverd. Als de beheerder van de Europese huishoudportemonnee hamert Merkel op stabiliteit en daarom wordt ze verguisd. Maar stabiliteit was de reden waarom de Zuid-Europese landen met een traditie van zwakke munten zo graag bij de monetaire unie wilden horen. Ze hoopten de Duitse stabiliteitscultuur van lage inflatie te importeren. Nu ontdekken ze dat die uit meer bestaat dan de invoering van een munt.
Ondanks de enorme druk die op de Duitsers is uitgeoefend, houdt de regering in Berlijn de teugels strak. Dat is niet alleen vanwege het inflatietrauma van 1923 en 1945, en ook niet vanwege de ontgoocheling met de wijze waarop de Griekse regering, telkens opnieuw, onder onafwendbare maatregelen tracht uit te komen. Het laatste wat moet gebeuren is de geldpersen aanzetten om staatsschulden te financieren. Onbeperkt goedkoop geld beschikbaar stellen haalt de druk van landen om de sanering van de overheidsfinanciën door te voeren. Landen die vrijwillig hun monetaire soevereiniteit opgeven binnen een unie van zelfstandige landen móeten zich aan begrotingsregels houden. De crisis van de eurozone is een crisis van falende overheden. Banken, hoezeer ze zich ook kortzichtig gedragen hebben door goedkoop krediet te hebben verstrekt aan insolvabele landen, blijven nodig. Als ze hun leningen op Griekenland afschrijven, hebben ze minder kapitaal beschikbaar om in Nederland krediet te verstrekken aan huizenkopers of ondernemers.
EMU betekent economische en monetaire unie, maar de economische unie is volkomen genegeerd. Ten onrechte, met één munt kunnen landen het zich niet veroorloven onbeperkt aan concurrentievermogen in te boeten. De markten financieren tekorten op de betalingsbalans niet eindeloos. Economisch herstel vraagt van de probleemlanden hervormingen die ze gedurende de zorgeloze beginjaren van de euro achterwege hebben gelaten. De regeringen van de eurolanden moeten de politieke moed opbrengen om de obstakels op te ruimen die het herstel van het concurrentievermogen belemmeren. Zoals starheden op de arbeidsmarkt, lage pensioenleeftijd, hoge loonkosten, bescherming van beroepen en productmonopolies. Dergelijke hervormingen roepen maatschappelijke weerstanden op en de resultaten ervan kunnen jaren op zich laten wachten. Als de bevolking er niet aan wil, kunnen politici beter kiezen voor de vrijheid van een eigen munt die in waarde kan zakken. Maar devaluatie is een niet minder pijnlijke manier van verarming en brengt een keten van faillissementen met zich mee.

TEN TIJDE van 'Maastricht’ dachten de Europese regeringsleiders dat een gemeenschappelijke munt vanzelf tot economische convergentie en politieke eenwording zou leiden. Dat is een kapitale misrekening gebleken. Duitsland en Frankrijk waren indertijd de architecten van de monetaire unie en samen zijn ze de hoofdaannemers van de hervormingen. Ze hebben zich verzekerd van rugdekking in Italië. Het moment waarop Angela Merkel, eind oktober in een telefoongesprek met de Italiaanse president Napolitano, bedong dat premier Berlusconi moest opstappen, was het politieke keerpunt in de crisis. Deze inmenging in de nationale politiek van een euroland was zonder precedent. Maar Italië stevende af op een financiële instorting en met Italië zou de hele eurozone onderuit zijn gegaan.
De monetaire unie was in 1992 een politiek project: de verankering van Duitsland in Europa na de Duitse hereniging. Dat was een Duitse en Franse wens. In 1992 was de interne markt, het project van toenmalige Commissievoorzitter Jacques Delors, voltooid. Delors, een sociaal-democraat met christelijk-sociale inspiratie, belichaamde de ambities van de twee belangrijkste politieke stromingen in Europa.
Deze historische achtergrond maakt voorspellingen over het spoedige einde van de eurozone of nationalistische oproepen om de gulden weer in te voeren ongeloofwaardig. Duitsland en Frankrijk zouden hun naoorlogse Europa-beleid moeten opgeven, veertig jaar Europese monetaire samenwerking zou op het spel worden gezet. Het einde van de monetaire unie zou de herinvoering van de D-mark als ankermunt van Europa betekenen. Daar wil geen enkel euroland aan.
De Europese regeringsleiders begonnen ten tijde van Maastricht vol overtuiging aan de monetaire unie, waarbij ze meer gevoel aan de dag legden voor de politieke opportuniteit dan voor de economische fundamenten die onmisbaar zijn voor een duurzame gemeenschappelijke munt. De prijs voor die tekortkoming is hoog. Maar de prijs van afbraak is nog hoger. De geschiedenis laat zich niet terugdraaien. Zelfs voor Griekenland, ondanks het vooruitzicht nog jaren in een diepe recessie te zitten, valt het te prefereren bankbiljetten te blijven gebruiken met inkt voor de beveiligingskenmerken waarin europium, het 63ste element, is verwerkt.


Roel Janssen is auteur van het onlangs verschenen boek De euro: Twintig jaar na Maastricht