Europa’s mislukte plannen

Europa’s laatste plan voor het Midden-Oosten

Het laatste Europese plan voor het Midden-Oosten dateert van precies vijftig jaar terug. Het was allemaal zo anders bedoeld, toen Frankrijk en Engeland een regio ontwierpen die de meest instabiele ter wereld werd.

**Zoals zo vaak de afgelopen decennia staat Europa werkeloos toe te kijken bij een crisis in het Midden-Oosten. Terwijl zelfs de kledingkeuze van Condoleezza Rice wordt geïnterpreteerd op politieke bedoeling, staan wereldleiders als Chirac en Blair buitenspel. Nog niet zo lang geleden verdeelden hun voorgangers het Midden-Oosten onder elkaar en ontwierpen een regio die, eenmaal onder de Europese vleugels vandaan, ’s werelds instabielste zou blijken te zijn. De wortels van de spanningen, rivaliteiten en oorlogen van het heden liggen vaak in de korte periode die vooraf ging aan het laatste Europese plan voor het Midden-Oosten.

Precies vijftig jaar geleden bleek de Europese rol in het Midden-Oosten uitgespeeld, toen de Egyptische president Nasser het Suezkanaal nationaliseerde en daarmee de crisis begon die Frankrijk en Groot-Brittannië zou uitluiden als grootmachten op wereldschaal. De vergelijking met het heden dringt zich op: ook destijds grepen westerse machten militair in tegen een Arabische leider die volgens hen als verpersoonlijking van het kwaad («een nieuwe Hitler») zijn buren bedreigde en de internationale veiligheid ondergroef. Frankrijk en Groot-Brittannië wierpen zich op als beschermers van de wereldvrede en passeerden voor die urgente taak de Verenigde Naties.

In Londen en Parijs had de overwinning in de Tweede Wereldoorlog het besef uitgesteld dat de tijd van de white man’s burden en de mission civilisatrice voorbij was. Beide zagen in Nassers opkomst vitale belangen bedreigd: Frankrijk vanwege Nassers rol in de Algerijnse oorlog als wapenleverancier van het fln, Groot-Brittannië vanwege het belang van het Suezkanaal voor zijn olietoevoer en zijn leidersrol in het Gemenebest, en beide omdat Nassers pan-Arabische ideeën de stabiliteit van het door hen ontworpen Midden-Oosten bedreigden. Toen Nasser de Verenigde Staten voor het hoofd stootte door China te erkennen, zagen de Britse premier Eden en de Franse president Mollet hun kans schoon Nasser aan te pakken. Ze blokkeerden de financiering van de Aswandam, waarna Nasser het Suezkanaal nationaliseerde.

Na geheim overleg tussen Downing Street 10 en het Elysée rolde een plan uit de hoed dat in oktober in werking trad. Israël, dat in het complot zat, greep gevechten in Gaza aan om Egypte binnen te vallen. Groot-Brittannië en Frankrijk eisten quasi geschokt dat zowel Israël als Egypte direct de vijandelijkheden zou staken en een tienmijlszone rond het Suezkanaal zou vrijmaken. Egypte weigerde natuurlijk, waarop Britse en Franse troepen die zone eigenhandig begonnen «vrij te maken» van Egyptische troepen.

Het bleek een enorme misrekening. Meteen schaarden de Arabische landen zich achter Nasser en staakten hun olietoevoer naar Groot-Brittannië. De VS bleken mordicus tegen het plan en Eisenhower zette Eden onder druk door te weigeren de wegzakkende Britse pond te ondersteunen en olievoorraden aan te spreken om de Britten te helpen. Het plan had in alles zijn tegendeel bereikt. Frankrijk en Groot-Brittannië waren ontmaskerd als weggezakte grootmachten, het Arabisch nationalisme was aangewakkerd, de olietoevoer werd juist bedreigd, de band met de VS en de Arabische staten was beschadigd, Nassers positie en aanzien waren versterkt en tot overmaat van ramp was de Sovjet-Unie door alle opwinding makkelijk weggekomen met het neerslaan van de Hongaarse opstand. De Europese dominantie in de wereld vond in het Midden-Oosten zijn einde.

Als alles volgens de Britse en Franse plannen was gelopen, was het Midden-Oosten een kalme hoek van de wereld geworden zonder inheemse bedreigingen voor West-Europese economische belangen. De complete regio viel tot de Eerste Wereldoorlog onder het Ottomaanse Rijk, maar het was iedereen duidelijk dat dat zou veranderen: de «zieke man van Europa» was te zwak om zijn enorme imperium te kunnen beschermen tegen de relatief steeds sterker wordende Europese machten. De voornaamste zorg was niet hoe dat grote gebied af te nemen van de Turken, maar hoe dat moest zonder een oorlog tussen de Europeanen onderling te ontketenen.

Die «Oosterse Kwestie» had al wat scherpte verloren doordat Groot-Brittannië en Rusland hun Great Game in Centraal-Azië, de strijd om invloed in het «Heartland» van de wereld, in 1907 hadden getemperd met het trekken van grenzen die beider invloedssfeer aangaven. Zo’n grens liep door Perzië, wat strategisch voordelig was: het eens machtige rijk kon door de tweedeling moeilijker weer bij zijn positieven komen en de afzonderlijke delen waren afhankelijker van de sturende macht.

De Eerste Wereldoorlog bood een uitgelezen mogelijkheid om de rest van het Midden-Oosten ook naar bevrediging uit te tekenen, nadat Turkije de kant van Duitsland koos. Frankrijk en Groot-Brittannië sloten met dat doel in 1916, met instemming van Rusland, het geheime Sykes-Picot-verdrag (zie kaartje). Hoewel het verdrag was opgesteld in vrome taal (de ondertekenaars beloofden een onafhankelijke Arabische staat te erkennen, als zij maar «prioriteit bij ondernemingen en leningen» kregen en alleenrecht op het «verstrekken van adviseurs») was het een klassiek staaltje koloniale politiek. Beide landen kregen een regio die zij direct bestuurden met daaromheen een «invloedssfeer», die directe wrijving zou voorkomen. Frankrijk «kreeg» Libanon en een deel van Zuidoost-Turkije, met Syrië als invloedssfeer, Groot-Brittannië zou Zuidoost-Irak direct besturen (Koeweit was al een kolonie) en de rest van het land plus Jordanië als invloedssfeer krijgen. Palestina zou onder internationaal toezicht komen te staan.

Er waren een paar problemen. Ten eerste had Groot-Brittannië tijdens de oorlog aan de heerser van Mekka beloofd de oprichting van een onafhankelijke Arabische staat te steunen als de Arabieren tegen de Turken in opstand kwamen – wat vervolgens ook gebeurde. De Britten hadden in 1917 echter ook steun toegezegd aan de oprichting van een joodse staat in Palestina, wat strijdig was met de belofte aan de Arabieren. Ten derde had de Amerikaanse president Wilson alle volkeren vrijheid en zelfbeschikking toegezegd. Ten slotte was de machtsverhouding aan het eind van de Eerste Wereldoorlog tussen Frankrijk en Groot-Brittannië ten gunste van de laatste veranderd. De Britten wilden hierop – wat bijna tot een vuistgevecht leidde tussen de Franse president en de Britse premier – een groter deel van de koek.

De problemen werden in praktijk opgelost door bij de belofte aan de Arabieren op de vage bewoording te wijzen – sorry, verkeerd opgevat – en door de koloniale invloedssferen acceptabel te maken voor de Amerikanen door hen «mandaten» te noemen, onder «toezicht» van Groot-Brittannië en Frankrijk. De relatieve kracht van Groot-Brittannië kwam op de kaart tot uiting doordat Palestina niet onder internationaal maar onder Brits toezicht kwam, en doordat Mosoel en de omliggende regio (Noord-Irak) aan de Britse invloedssfeer werd toegevoegd.

Frankrijk en Groot-Brittannië togen vervolgens aan het werk. Wat vooral consequenties voor de toekomst van het Midden-Oosten zou hebben, was hoe zij de grenzen trokken van de administratieve regio’s binnen hun mandaten, de latere landsgrenzen. Primair doel was het creëren van zo efficiënt mogelijk te besturen eenheden, oftewel regio’s die niet te klein waren voor doelmatig bestuur, maar niet groot en samenhangend genoeg om verzet tegen de koloniale macht op te zetten.

In hoeverre Groot-Brittannië en Frankrijk hierbij met opzet zwakke landen creëerden, is onderwerp van (verhit) debat. Met name Arabische analisten zien in de verdeling die Groot-Brittannië en Frankrijk troffen een doelmatige poging om bevolkingsconcentraties te scheiden van economische middelen. Met andere woorden: het creëren van landen met ofwel grote bevolking en weinig economische potentie (zoals Jordanië of Syrië) ofwel landen met veel economische middelen en weinig bevolking (zoals Koeweit en Libanon). Deze interpretatie lijkt bij uitstek te passen op het Arabische schiereiland, waar de enorme olierijkdom verdeeld is over kleine staten (zelfs Saoedi-Arabië is relatief bevolkingsarm), maar een probleem daarbij is dat de olie daar pas in 1936 werd ontdekt.

De verdeel-en-heers-theorie moet dus niet te ver worden doorgevoerd, niettemin zijn er sterke staaltjes van, met vergaande implicaties voor het heden. Zo was Syrië het voornaamste bestuursprobleem voor de Fransen, met een sterke pan-Arabische en anti-Franse oppositie. Frankrijk reduceerde Syrië hierop tot een zwakke rompstaat. Zo moest Syrië rijke steden als Tripoli missen en werden Turkije en Libanon in een eerste plan zover langs de Middellandse Zee gerekt dat Syrië geen zee-uitgang meer had. Zoals al genoemd werd de regio rond Mosoel, die eerst bij Syrië zou horen, vergeven aan wat later Irak werd.

Libanon werd juist groter gemaakt dan wijs leek. Hier vormde Beiroet een voornamelijk christelijke enclave, die in de Franse indeling werd aangevuld met overwegend islamitische gebieden ten noorden en zuiden van de hoofdstad terwijl de politieke macht vooral bij de christenen bleef liggen. Zoals te verwachten, botsten de verschillende groepen voortdurend, bleef het gebied tot het bot verdeeld, en vormden de verschillende bevolkingsgroepen ingangen voor andere landen om hun machtspolitiek Libanon binnen te loodsen. Wat dat betreft is de huidige oorlog niets nieuws.

Maar waar deze problemen nog in het voordeel van de kolonisator speelden, kwamen aan Britse kant van de scheidslijn al meteen grote strepen door de rekening. Ten eerste in Palestina, dat zowel aan Arabieren als aan joden was beloofd. De laatsten bleven naar het gebied trekken, stuitten op Arabische weerstand en Britse pogingen de stroom in te dammen, en bonden met beide opponenten de strijd aan. De Britten kregen er al snel schoon genoeg van. Ze wisten geen oplossing voor de wassende stroom holocaust-overlevers, en kondigden hun vertrek aan. De oorlog nam direct een aanvang. Mandaatgebied Palestina vormde zo een eerste grote streep door het Brits-Franse plan voor het Midden-Oosten: een gebied waar de rust maar niet wilde neerdalen en dat later de hele regio zou destabiliseren.

Een andere streep door de rekening werd veroorzaakt door Britse hebberigheid. Mosoel was een mooie aanwinst, maar het mandaatgebied dat later Irak zou worden, was hierdoor behoorlijk groot geworden. Nadat Irak onafhankelijk werd, was het daarmee direct één van de twee staten in het Midden-Oosten die zowel een grote bevolking als een grote olievoorraad had, en daarmee de regio potentieel kon domineren – pogingen die onder Saddam enkel bloed als resultaat zouden opleveren. De omvang betekende ook dat de Britten een flinke kluif hadden aan de opstand die er direct begon, en waarop zij bruut reageerden. Een ander gevolg van de uitbreiding met Mosoel was dat Irak een samenvoegsel van drie bevolkingsgroepen werd: Koerden, soennieten en sjiieten. De gevaren daarvan kennen we nu.

Nog zo’n staat die te sterk werd voor de Britse en Franse smaak was Iran. Toen de Russische invloed na de revolutie wegviel trachtte Groot-Brittannië een protectoraat te maken van de stokoude natie, maar een staatsgreep door Reza Sjah Pahlavi verhinderde dat. Hier zou Groot-Brittannië in 1953 zijn macht nog tonen door met «Operatie Ajax» de democratisch gekozen populist Mossadek te vervangen door de sjah. De VS namen daarop het toezicht op Iran over, maar in 1979 ontspoorde het hele project grandioos met de fundamentalistische revolutie.

Het Europese project in het Midden-Oosten heeft derhalve weinig vrucht gedragen: geen rustige, makkelijk controleerbare regio, geen veilige omgeving voor Europese belangen, geen tevreden burgers in «onafhankelijke» staten binnen een Europese invloedssfeer. Wat wel is gebleven, is een deling van het Midden-Oosten langs politieke lijnen. Het Sykes-Picot-verdrag is daarmee een waarschuwing. Het laat zien hoe lang de schaduwen kunnen zijn die historische fouten in de toekomst werpen.**