Hoofdcommentaar

Europa speelt vals

Decennia deed Europa in theorie alsof het graag meer wilde dan louter goede handelsrelaties met Turkije. In de praktijk maakte het er echter een hordenloop zonder finish van. Daaraan is deze week maar weinig veranderd.

Afgelopen maandag heeft Oostenrijk, pas sinds 1995 lid van de EU, een poging gedaan de betrekkingen voorgoed naar de verdommenis te helpen. Angst voor verdringing op de ar beidsmarkt én historische ressentimenten speelden hierbij een rol. In Wenen, waar buitenlands beleid er niets en binnenlandse politiek er alles toe doet, denkt men meer ervaring te hebben met Turken dan waar dan ook. De Ottomanen stonden er immers letterlijk voor de poort. Laatstelijk in 1683. De aanval werd toen afgeslagen, zij het door troepen van de Poolse koning Jan Sobieski, waarna de Turken zich op het oosten van de Balkan terugtrokken, tot de Eerste Wereldoorlog een einde maakte aan zowel het Ottomaanse als het Habsburgse Rijk.

Dit plots opspelende historische besef van de Oostenrijkers – dat haaks staat op de intenties van de architecten van de Europese integratie en de verantwoordelijkheden die vooral de Franse en de Duitse aartsvaders na de Tweede Wereldoorlog op zich namen – is maandag op de valreep onderdrukt met een platte ruil. Ook het voormalige Habsburgse Kroatië, dat volgens aanklager Carla del Ponte bij het Joegoslavië-tribunaal precies op die crisismaandag wel loyaal is gaan meewerken aan de rechtsgang, mag nu onderhandelen over toetreden.

Daarmee zijn de belaste betrekkingen tussen Europa en Turkije nog niet verbeterd. Al ruim veertig jaar, sinds de ondertekening van het associatieverdrag in 1963, wordt Turkije door Europa aan het lijntje gehouden. De drijvende kracht achter deze ogenschijnlijke toenadering begin jaren zestig was namelijk niet de toenmalige EEG maar de VS. Het was Amerika dat de druk opvoerde om de militaire Navo-bondgenoot Turkije ook tot de wachtkamer van een economisch bondgenootschap toe te laten. Het sovjetblok was toen de hoofdvijand die in het westen en het zuiden moest worden afgeblokt. Ook zonder de Sovjet-Unie speelt Washington die advocatenrol nog steeds. Toen het afgelopen week in Brussel fout dreigde te gaan, belde premier Erdogan van Turkije met de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, die op haar beurt hulp aanbood.

Omdat de sovjetdreiging is vervlogen, laat Brussel zich echter minder gelegen liggen aan de Amerikaanse pressie. De houding is nu: komt tijd, komt raad. Er ging in de jaren negentig geen Europese top voorbij of er werd op de klok gegokt. Elke offerte had een dubbele bodem. Onderhandelingen over een heus lidmaatschap zouden zo lang duren dat geen politicus er in zijn actieve leven nog last van zou hebben. Bovendien zou er altijd nog wel een achterdeur kunnen worden opengegooid, bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe eisen.

De weerstand tegen een Turks lidmaatschap is vooral gevoed door christen-democraten, die nu ook de socialisten in Oostenrijk hebben aangestoken. Het was bondskanselier Kohl die indertijd in besloten kring zijn bezwaren kenbaar maakte tegen Turkije omdat Europa in zijn ogen een «christelijk project» is. In de openbaarheid formuleerde hij het anders: zolang de kerken in Turkije minder vrij hun parochies konden bedienen dan de moskeeën in Europa hun gemeenschappen, kon er van lidmaatschap geen sprake zijn.

Dat argument verloor iets aan kracht toen de Europese grondwet werd uitonderhandeld. Europa zou geen continent worden met een «joods-christelijk-humanistische» traditie, niet zozeer omdat dit drieluik zich niet in een handomdraai laat verzoenen met de twintigste-eeuwse geschiedenis of met de huidige demografie van Europa, maar omdat deze mantra voor de laicité in Frankrijk onverteerbaar was. Terecht. Maar geen nood. De subtekst van Kohl luidde namelijk aldus: als we nu zeventig miljoen arme Turken binnenlaten, verwatert de sterke positie van de tachtig miljoen Duitsers. Een redenering die bij de andere grotere landen wel op resonans kan rekenen. Bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de bevolking geen heil ziet in de Turken en president Chirac dus speculeert op zulke langdurige onderhandelingen dat hij een eventueel referendum in Frankrijk niet meer compos mentis hoeft te volgen. Alleen de Britten winden zich niet bovenmatig op over mogelijke toetreding van Turkije, omdat ze sowieso niets zien in een politiek Europa en elke uitbreiding vooral op economische merites beoordelen.

De Engelsen lijken maandag te hebben gewonnen. «Een waarlijk historische dag», aldus presiderend minister Jack Straw van Buitenlandse Zaken. Dat klopt, maar de historiciteit van die dag kan alle kanten op vallen. Want nu de CDU in Duitsland weer aan de macht komt en het federale perspectief van scheidend minister Joschka Fischer van Buitenlandse Zaken naar de achtergrond verdwijnt, kan het circus zomaar onverhoeds opnieuw beginnen. Bijvoorbeeld rond Cyprus, dat lid van de EU mocht worden hoewel de Griekse bevolking de oplossing voor de deling van het eiland (onder meer het gevolg van een mislukte staatsgreep door Griekse nationalisten in 1974) van de hand heeft gewezen en de Turkse haar juist heeft omarmd. Een hele reeks andere en nieuwe barrières ligt eveneens in het verschiet, omdat een meerderheid de Turken er eigenlijk niet bij wil hebben uit angst voor electorale winst van het Wilders-achtige nationaal-liberalisme in eigen huis.

Als het daarbij zou blijven, zou het tenminste nog een openlijk politiek spel zijn. Maar er is meer. De Europese regeringsleiders doen alsof ze de Turken hard willen aanpakken ter wille van voorspoed en democratie. Maar in feite hebben ze Turkije weinig meer te bieden dan deelname aan een economische gemeenschap. Het politieke project is hun uit handen gevallen, mede door de verloren referenda in Frankrijk en Nederland. De onderhandelingen met Turkije en Kroatië zouden daarom wel eens op iets heel anders dan een geïntegreerd Europa kunnen uitdraaien, namelijk op een Europa van de concentrische cirkels, waarbij de harde kern op het continent probeert politiek samen te werken, en de buitenste kringen al blij moeten zijn dat ze als economisch buiten gewest een graantje mogen meepikken.

De EU speelt op de keper beschouwd dubbel vals.