Europa verloor

In Nederland was het gezien de lage opkomst bij de Europese verkiezingen al onjuist om te juichen over het zetelverlies van de anti-Europese pvv van Geert Wilders. De uitslagen van alle lidstaten samen laten helemaal zien dat de constatering dat er gestemd was vóór Europa absoluut voorbarig was.

Deze keer niet alleen omdat ook elders in Europa – althans daar waar geen stemplicht was – de kiezers niet in groten getale de moeite namen hun stem uit te brengen. Maar ook omdat de anti-Europa-partijen, in tegenstelling tot de pvv in Nederland, in vele andere lidstaten wel winst wisten te boeken.

Het Front National van Marine Le Pen in Frankrijk, de ukip van Nigel Farage in het Verenigd Koninkrijk, de fpö van Heinz-Christian Strache in Oostenrijk, Syriza van Alexis Tsipras in Griekenland, de Vijf Sterren Beweging van Beppe Grillo in Italië, de Deense Volkspartij van lijsttrekker Morten Messerschmidt in Denemarken – al deze partijen deden wat Wilders in Nederland niet lukte: ze wonnen flink, soms zo veel dat ze in eigen land de grootste partij werden bij deze verkiezingen voor het Europees Parlement.

Deze stem tegen Brussel van vele kiezers in verscheidene lidstaten kan niet genegeerd worden door de andere partijen

De Europese Volkspartij (evp), waartoe ook het cda behoort, mag dan wederom de grootste fractie leveren in het Europees Parlement, dat is wel na fors verlies. De twee zetels winst van de op één na grootste familie in Brussel, s waartoe de pvda behoort, maakt dat verlies niet goed. Tel daarbij het verlies op van de derde fractie in het Europees Parlement tot nu toe, die van alde, waar zowel de vvd als d66 zich bij heeft aangesloten, en het mag duidelijk zijn dat de trend bij de kiezers tegen Europa in gaat.

Deze stem tegen Brussel van vele kiezers in verscheidene lidstaten kan niet genegeerd worden door de andere partijen. Ook niet als het de winnende anti-Europa-partijen niet lukt samen één Europese fractie te vormen en een vuist te gaan maken, waar het vooralsnog naar uitziet.

d66-leider Alexander Pechtold nam tijdens de afgelopen verkiezingscampagne de woorden ‘pas op de plaats maken’ in de mond. Hij pleitte daarvoor omdat anders de burgers achterblijven. Pechtold had het over de verdere eenwording van de Europese Unie. Dat uitgerekend de voorman van de meest Europagezinde partij dit zei, kwam hem op kritiek te staan. Pechtold zou zijn oren ineens te veel laten hangen naar de anti-Europeanen. Gezien de uitslag van de verkiezingen is de ‘pas op de plaats’ van Pechtold echter niet voldoende. Want zodra er dan weer de pas in wordt gezet, gaat het nog steeds de richting uit die nu juist veel weerstand oproept.

De verklaring voor de weerzin tegen Brussel is niet eenduidig. De anti-Europa-stem komt voort uit angst voor verlies van nationale en culturele identiteit, uit angst voor immigratiestromen, werkloosheid, gebrek aan democratische invloed, het solidair moeten zijn met landen waar corruptie eerder regel dan uitzondering is of een mix van dit alles. Dat maakt het zoeken naar een antwoord op hoe het verder moet met Europa ook zo moeilijk. Maar Europa zal niet zijn, als het de burgers niet mee krijgt. Daar heeft Pechtold gelijk in.