Europees bewustzijn

Als je M.C. Escher een stad kon laten ontwerpen, dan zou hij waarschijnlijk uitkomen op iets dat sprekend lijkt op Perugia. Op een absurde manier verspreid over heuvels, is dit stadje een verzameling van kronkelwegen, ondergrondse gangen, muren, labyrintpaden. Je ziet er vrijwel geen auto’s zonder deuken. Op eigen gelegenheid ergens de weg vinden (‘richtingsgevoel’) is uitgesloten: het stratenplan tart elke mathematische logica.
Op dezelfde manier is mijn aanwezigheid hier onlogisch, om niet te zeggen absurd. Ik heb, als ik het allemaal over de telefoon goed heb begrepen, de tweede prijs gewonnen van een nieuwe literaire prijs, bedoeld voor schrijvers die in de Europese Unie wonen, en onder de 35 jaar zijn, de Premio Insula Europea.
Vraag: is er dan een jury die al die talen machtig is, zodat hij de boeken onderling kan vergelijken? Vraag: heeft dit polyglottische wonder zich dan in z’n eentje door vele honderden werken heen geploegd?
Antwoord: natuurlijk niet. Hoe het dan wel zit, daar ben ik niet helemaal uitgekomen. Op het moment dat ik gebeld werd, was zelfs de Eerste-Prijswinnaar nog niet bekend. ‘We moeten nog kiezen, maar waarschijnlijk wordt het iemand uit Roemenië.’ Vraag: hoe kan ik al definitief op plek twee staan, als om plek één nog strijd gaande is?
Antwoord: ach, laten we ophouden ons zoveel af te vragen, want je leeft maar één keer, en niet eens erg lang, dus als je een reisje naar Italië krijgt aangeboden plus vijfhonderd euro prijzengeld, dan stap je gewoon op het vliegtuig, slenter je wat over de pleinen van Perugia, drink je links en rechts cappuccino en prosecco, lees je een reisgids in het ligbad in je hotel, en meld je je tegen aperitivotijd bij het Pallazzo Donini, waar de uitreiking zich voltrekt. Omdat het buiten het regionale krantje van Umbrië niet zo bijster veel aandacht heeft gehad, doe ik hier maar even verslag.
In Nederland kenmerkt dit soort bijeenkomsten zich altijd door lolligheid en lachsalvo’s, waar meestal een clown-van-dienst voor wordt ingehuurd (Dominee Gremdaat, Kees van Kooten, Freek de Jonge of Margreet Dolman). Hier niet. Tijdens de toespraken – het zijn er vier en ze duren allemaal verschrikkelijk lang – is de zaal ademloos. De literatuur is hier nog een zaak van ernst en gewicht, in een ruimte met kroonluchters, marmer en reusachtige schilderijen die memoreren aan bloederige triomfen.
Waarschijnlijk worden in die toespraken bovenstaande vragen opgehelderd, maar ik versta er geen hout van. Wat vakantiereisjes en een enkel Italiaans vriendinnetje volstaan niet om de taal op dit niveau te volgen.
Dan, op het horen van zijn naam, komt mijn Roemeense collega en rivaal tot leven. Hij won de Eerste Prijs (duizend euro). Hij neemt plaats, grist zijn winnende boek uit z’n binnenzak – een flinterdun werkje trouwens – en als hij eruit begint voor te dragen, doe ik de ontdekking dat het Roemeens precies hetzelfde klinkt als een verzopen motorbootje dat je weer aan de praat probeert te krijgen.
Daarna leest een meisje de Italiaanse vertaling van die passage voor en dan ineens word ik een beetje nerveus: ik heb mijn boek niet meegenomen. Ligt nog in m’n hotelkamer. Geen punt, zo blijkt, want ik krijg zomaar een exemplaar in handen, als ik aan de beurt ben. Ik lees de uitgekozen passage voor, voor een publiek waarvoor ik inderdaad net zo goed een motorbootje had kunnen nadoen.
‘In welk opzicht draagt uw werk bij aan een gemeenschappelijke Europese identiteit, een gemeenschappelijk Europees bewustzijn?’ Dat vraagt de hoogleraar die me straks de prijs gaat geven, en hoewel het antwoord eenvoudig is (‘In geen enkel opzicht’), zou het onbeleefd zijn om niet een heel verhaal af te steken over de gemeenschappelijke culturele achtergrond waaraan wij allemaal in Europa schatplichtig zijn – Shakespeare, Dante, Petrarca, Ovidius. In het Engels, dat zo te zien niemand verstaat (op mijn grapjes volgt in elk geval geen gegniffel), en dat daarna door een Perugiaanse postdoc in het Italiaans herhaald wordt (nu wel wat korte lachjes bij de aanwezigen).
Na afloop sta ik naast de Roemeen. Hij wil me van alles vertellen, zo lijkt het, maar spreekt noch Engels, noch Italiaans. We doen het in een soort Duits, maar komen er niet uit. Een Europees bewustzijn. Daarvoor zou het toch handig zijn als mensen elkaars talen zouden begrijpen, maar zelfs het Engels is nog niet overal in Europa doorgedrongen.
Na afloop gaan we met een hele club wat eten in een restaurant. Italiaanse menukaart, dus alleen het uitzoeken is al bijna een avondvullende bezigheid.
Na ontzettend veel geklooi met gebarentaal weet de Roemeen me bij het dessert duidelijk te maken wat hij me nu al die tijd probeert te vertellen: dat hij vijf boeken heeft geschreven, die samen net zo dik zijn als dat ene boek van mij.
We lachen. Mooi toch, dat contact met internationale schrijvers, die allemaal bouwen aan een Europees bewustzijn.