Buitenland

Europees ongemak

Democratie en Europese integratie, het was nooit een eenvoudige combinatie. De argwaan tegen de integratie als een weinig democratisch eliteproject is zo oud als het integratieproces zelf. Ook in de begindagen van de integratie vonden velen de Europese integratie daarom niet overtuigend. En dat waren niet de minsten. Kurt Schumacher, de eerste leider van de West-Duitse sociaaldemocraten en de populairste Duitse politicus in de naoorlogse jaren, verzette zich hevig. Zijn oordeel over de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die vanaf 1951 van de grond kwam: ‘Kapitalismus, Klerikalismus, Konservatismus und Kartels’. Schumacher zag vooral een eliteproject drijvend op de belangen van industriëlen. Met democratie had dit allemaal weinig te maken.

Dit wantrouwen hing als donkere wolk boven de hoopgevende verhalen over samenwerking en stabiliteit. In de eerste supranationale instituties, in Luxemburg en Brussel, was men zich maar al te goed bewust van de urgentie van deze vragen. Temeer omdat het bovenstatelijke Europa dat men daar aan het opzetten was al snel de gedaante aannam van een radarwerk van technisch beleid, opgetrokken uit zaken als harmonisering van de schrootmarkt en antikartelwetgeving. Daar werden de mensen niet enthousiast van. Integendeel. De integratie dreigde zich zo te plooien naar het negatieve imago van een eliteproject van industriëlen en bureaucraten.

Eind jaren vijftig werd deze kwestie prangender. In 1958 trad naast de EGKS ook de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in werking. Zo kanaliseerde de integratie zich steeds meer in een algemene gemeenschappelijke markt die potentieel de gehele economie van de lidstaten besloeg. Het democratie-systeem bleef echter onveranderd. Het EGKS-systeem werd ook toegesneden op de Europese Commissie die de EEG ging bestieren. En men ging de Algemene Vergadering voortaan Europees Parlement (EP) noemen. Daarin vond de democratische legitimering van het werk van de voorlopers van de Europese Commissie van vandaag plaats in de Algemene Vergadering. Deze was samengesteld uit parlementariërs uit de lidstaten. Zij hadden een dubbelmandaat: ze waren tegelijkertijd nationaal en Europees parlementariër. Die tweede, Europese, dimensie bleef echter wel erg onzichtbaar voor het (nationale) electoraat.

De opkomst in 1979 werd een tegenvaller. Dit was een signaal

Het ongemak bleef. Was dit wel voldoende democratie? Of hoe moest het anders? De regeringen van de Zes gaven de Waalse socialist Fernand Dehousse opdracht dit te onderzoeken. In 1960 presenteerde hij zijn eindrapport. Hij schreef daarin zinnen die ook vandaag geschreven zouden kunnen zijn: ‘Vandaag omvatten de Europese Gemeenschappen het totale economische leven van onze zes landen. Daarom is het de hoogste tijd dat de mensen eraan verbonden worden. Dat ze beseffen wat er op het spel staat en wat de risico’s zijn. Dat ze een gezamenlijke wil formuleren. Want uiteindelijk kan beleid dat zo vitaal is voor hen niet doorgaan zonder hun directe participatie.’ Dehousse bepleitte zo snel mogelijk directe Europese verkiezingen. Zijn rapport werd aangenomen, maar het zou tot 1979 duren voor die verkiezingen de eerste keer georganiseerd werden in de lidstaten en de lijsten bleven nationaal. In de tussentijd was het EP voor de Europeanen in de lidstaten vooral onzichtbaar gebleven en had het gefunctioneerd als een onderdeel van de Brusselse beleidsmachinerie.

De opkomst in 1979 werd een tegenvaller. Dit was een signaal, en het zou aanhouden. Net als het negeren ervan door de politiek in de lidstaten. Intussen keert de wal van de geschiedenis dit schip. Dat komt niet door de Europese democratie (zoals Dehousse bepleitte), maar door de omstandigheden.

Nog nooit is er in de democratieën van de lidstaten zoveel over Europese integratie gediscussieerd als de afgelopen jaren. Nog nooit was het zo duidelijk dat het een nationale politieke verantwoordelijkheid is gebleven om de kansen en problemen van Europese integratie bespreekbaar te maken. Net zoals het een nationale politieke verantwoordelijkheid is om het zo kwetsbare EP te respecteren. Gegeven de omstandigheden van vandaag is dit een zware verantwoordelijkheid. Het organiseren van een verkiezingsdebat tussen nationale partijleiders, waarop in de Europese verkiezingen helemaal niet gestemd kan worden, is een ontkenning van die verantwoordelijkheid. Net zoals het nalaten van het aangaan van datzelfde debat in de afgelopen jaren dat ook was.