Europese literatuur: van oude en nieuwe tragedies

Een nieuwe Nederlandse internationale prijs, de Europese Literatuurprijs, roept de vraag op of er iets algemeens te zeggen valt over ‘Europese’ literatuur. Verder in deze Dichters & Denkers aandacht voor de vijf genomineerde boeken.

Medium opening eurolit

Ooit schreef hij de Europese roman bij uitstek, ook nog eens Europa getiteld, waarin flink de draak werd gestoken met het ontstaan van de Europese oergedachte en het opportunistische beroep dat wetenschappers doen op Europese gelden. Veertien jaar later is de Engelse schrijver Tim Parks een professionele zwartkijker geworden, getergd door of misschien zelfs wel helemaal uitgekeken op de literatuur. Toch, of misschien wel daarom, krijgt Nederland geen genoeg van zijn geselzucht. Twee weken geleden sprak hij nog op uitnodiging van De Gids in De Rode Hoed over de ziekmakende suprematie van het geschreven woord, en vanaf half juni bivakkeert hij op de mooiste plek van Nederland als ‘writer in residence’. Begin dit jaar mocht hij ook al de aftrap geven voor Writers Unlimited, voorheen het Winternachtenfestival, en zijn doem uitspreken over de zogenaamde internationalisering van de literatuur.
Het probleem van de internationalisering vindt Parks dat schrijvers tegenwoordig internationale schrijvers willen zijn en lezers op hun beurt alleen nog maar schrijvers willen lezen die tot de allergrootste van de planeet behoren, niet tot die van enkel hun eigen land. Het gevolg is dat schrijvers zich niet langer op de lokale situatie en kwesties richten, omdat een internationaal publiek daarin niet geïnteresseerd is. Hun romans gaan vooral over menselijke relaties, en de culturele context wordt tot een minimum beperkt. Sterker nog, beweert Parks: voorzover een schrijver het wel over zijn eigen land heeft, doet hij dat met behulp van de al bestaande clichés en vooroordelen om maar snel begrepen te worden door de buitenlandse lezers. Het maakt veel literatuur 'leugenachtig’ en 'oppervlakkig’.
'Anders dan ons te bevrijden’, sombert Parks, 'zorgt de internationalisering van de literatuur ervoor dat we in stereotypen gaan denken.’
Het zijn verleidelijke sweeping statements die het heel goed doen op de internationale letterenmarkt, maar waar je dan toch wel graag man en paard genoemd bij zou horen worden. Parks noemt echter geen voorbeelden van die internationaal gevierde oppervlakkige leugenaars. Jonathan Franzen? Philip Roth? Misschien is het aan mijn culturele stereotypering te danken dat ik allereerst aan Amerikaanse schrijvers denk, wier populariteit en invloed hier immens zijn, overal in Europa overigens. De Engelse schrijver Martin Amis beweerde zelfs ooit dat iedere Engelse schrijver eigenlijk een Amerikaanse schrijver zou willen zijn. Maar geldt omgekeerd niet dat Amerikaanse schrijvers met enige afgunst kijken naar, of zich schatplichtig verklaren aan de 'echte’ oude literatuur, afkomstig van schrijvers als Kafka, Bassani, Babel?
Bij de lancering van een nieuwe Nederlandse internationale prijs, de Europese Literatuurprijs, ligt het hoe dan ook voor de hand om met behulp van de genomineerde romans te bekijken of er iets algemeens te zeggen valt over 'Europese’ literatuur. De uitspraken van Parks kunnen die blik wellicht alleen maar scherpen. De prijs suggereert in ieder geval dat er zoiets bestaat als een Europese weegschaal waarop je het belang van de ene roman kunt afwegen tegen dat van de andere. Is dat dan een kwaliteit die de landsgrenzen overstijgt, en iets typisch Europees uitdrukt, in de zin van: per se niet-Amerikaans, of gaat het juist om romans die, tegen de door Parks vervloekte internationaliseringsmode in, iets heel lokaals durven uit te drukken?
Op het eerste oog hadden de twintig genomineerde romans op de longlist, aangedragen door dertien onafhankelijke Nederlandse en Vlaamse boekhandels, niet diverser kunnen zijn, en op het tweede oog eigenlijk ook niet. Gelauwerde schrijvers als Siegfried Lenz en Uwe Timm staan zij aan zij met nieuwkomers als Silvia Avallone en Jean-Marie Blas de Roblès, gecondenseerde werkjes als De schending van Ricardo Menéndez Salmón en Slapeloos van Jon Fosse gaan de concurrentie aan met breed uitwaaierende familiegeschiedenissen als De wetenden van Mircea Cartarescu en IJzig hart van Almudena Grandes. Van de twintig romans op de longlist zijn er vijf oorspronkelijk Duitstalig, drie Italiaans, drie Frans, drie Engels, twee Spaans, twee Oost-Europees (Roemeens en Tsjechisch) en twee Scandinavisch (Noors en Deens).
Het makkelijkst te isoleren thema, meteen ook een duidelijk Europees thema, is de Tweede Wereldoorlog en de naweeën daarvan. Waarmee nog niks is gezegd over de volstrekt originele verwerking daarvan in de bijzonder uiteenlopende romans die HhhH van Laurens Binet, Halfschaduw van Uwe Timm, De schending van Ricardo Menéndez Salmón en De werkplaats van de duivel van Jáchym Topol zijn.
Volgens de Tsjechische schrijver Topol kun je een Europese schrijver definiëren als iemand die weet heeft van catastrofes en verschrikkingen. Die weet wat het communisme heeft aangericht, wat de Tweede Wereldoorlog betekent, die een beeld voor ogen krijgt bij de namen van Hitler en Stalin. 'Die geschiedenis bepaalt nog steeds het leven in de regio waar ik vandaan kom’, aldus Topol een paar jaar geleden in gesprek met Margot Dijkgraaf over Europese literatuur. 'Dat onderscheidt een Europese auteur van een collega uit Tahiti, Ghana of Peru.’
Topols definiëring van een Europese schrijver is een zeer werkbare, zo blijkt als je met catastrofes en verschrikkingen in het achterhoofd opnieuw de lijst met romans bekijkt. De hallucinerende voorstellingen die de vijftienjarige hoofdpersoon maakt van zijn omgeving in De wetenden van Cartarescu hebben alles te maken met het Boekarest van voor, tijdens en na de oorlog. Het even lijvige IJzig hart van Grandes is een verwerking van een familietrauma dat terug te voeren is op het Franco-bewind en de erfenis daarvan. Edgar Hilsenrath schreef met Het sprookje van de laatste gedachte een bedrieglijk speels gecomponeerde roman over de gruwelen die het Armeense volk heeft moeten doorstaan. Ook in Dat weet je niet van Jens Christian Grøndahl speelt een aloud litteken op als de brievenbus van het joodse hoofdpersonage wordt beklad met een hakenkruis. Wat zich aandient als het fijnzinnige portret van een oud huwelijk blijkt onder het oppervlak over identiteits- en geloofscrises te gaan.
De drie Italiaanse schrijvers op de longlist vormen een eilandje op zich. Niccolò Ammaniti, Silvia Avvalone en Alessandro Baricco schrijven alle drie over een jeugd, getekend door armoede, religie, provincialisme, seksuele verwarring en schijnheiligheid. In eigen land wordt gezegd over deze generatie dat ze nogal Amerikaans georiënteerd zou zijn, oftewel gericht op het schrijven van lekker weghappende bestsellers. Misschien dat de Italiaanse critici er zelf te dicht bovenop zitten om nog het nationale te kunnen onderscheiden: de precieze beschrijvingen van de couleur locale, zoals bij Avvalone een armetierig kustplaatsje, Elba lonkend in de verte, maar ook de doordeseming van de verstikkende katholieke moraal en het corrupte politieke klimaat.
De zware melancholie van de jeugd, de liefde en het ontluikende seksuele bewustzijn zijn ook kenmerkend voor Een minuut stilte van Siegfried Lenz en Slapeloos van Jon Fosse. In de manier waarop zij, net als de Italianen, hun drama’s heel dicht bij huis houden - bij Lenz een klein havenstadje aan de Oostzee, bij Fosse een Noors kustplaatsje - en in hun simpele melodieuze taal, ademen juist deze kleinoden iets basaal Europees, een literatuur waarin je de bijbel voelt echoën, de Griekse mythen, Shakespeare.
Zonder daarmee op z'n Tim Parks een banvloek uit te willen spreken over De verborgen geschiedenis van Courtillon van Charles Lewinsky en Zomerleugens van Bernhard Schlink, voor beide schrijvers geldt dat het provinciale decor waarin ze hun personages plaatsen iets toevalligs heeft. Het gaat in hun aaneenrijging van kleine en taaie geheimen vooral om het behendig en spannend afwikkelen van verhaallijnen. Hetzelfde gaat op voor Waar de tijgers thuis zijn van Jean-Marie Blas de Roblès, een mozaïekroman die zich afspeelt in het Braziliaanse oerwoud en die bijna uit z'n voegen barst van de vertellersambitie.
Van de memoir Wij drieën van Julia Blackburn kun je betwisten of die wel voor een romanprijs in aanmerking zou moeten komen. Het is de herinnering van de schrijfster aan haar alcoholistische vader en hysterische moeder, waarvan de lichte toon opvalt, maar die ook een grauwsluier optrekt van menselijk onvermogen verpakt als vrijheid-blijheid-hippiedom.
De Engelse schrijfster Hilary Mantel won vorig jaar de meest prestigieuze literaire prijs van Engeland, de Man Booker Prize, met haar grote historische roman over Cromwell, Wolf Hall. Zij definieert haar Europese identiteit vooral als behorend tot 'het oude Europa’, het Europa dat tegenover de Verenigde Staten gesteld kan worden. Tegelijkertijd signaleert ze dat Europa in beweging is, en dat dat gevolgen heeft die je in haar ogen als Europese schrijver niet kunt negeren. 'Nu Europa zijn grenzen gaat verbreden, zullen er steeds meer mensen afdrijven. Dat is de moderne tragedie’, aldus Mantel. 'De troosteloosheid van de mensen die op drift raken. De armen vertrekken naar de rijke wereld, illegale buitenlandse werknemers worden uitgebuit, criminelen houden zich bezig met vrouwenhandel.’ In de literatuur ziet Mantel wat dat betreft een samenbindende kracht.
Voor de tot nu toe nog niet genoemde drie romans, die onderling niet verschillender hadden kunnen zijn, geldt die samenbindende kracht heel sterk. Niet toevallig zijn het alle drie met een kinderlijk woord ook de meest 'verzonnen’ boeken op de lijst, in die zin dat het duidelijke constructies zijn, voortspruitend uit verbeeldingskracht. In Kamer verplaatst Emma Donoghue zich in de gedachtewereld van een kind dat samen met zijn moeder gevangen gehouden wordt in een kelder. Ze geeft een onverwachte stem aan wat je zou kunnen beschouwen als ook een vorm van oud-Europese verschrikking, namelijk incest, ontvoering en opsluiting.
In Drie sterke vrouwen van Marie NDiaye doet Afrika zijn intrede in Fort Europa. De lezer van deze roman, waarin subtiel drie geschiedenissen aaneen zijn gesmeed, zal voorgoed anders kijken naar de beelden van bootvluchtelingen die zo'n beetje dagelijks aanspoelen bij de Italiaanse kust.
En tot slot De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet van David Mitchell; de Engelsman schrijft over een Nederlander die in 1799 afreist naar de verste handelspost van de VOC, het Japanse eilandje Decima. Oost ontmoet West in een roman die speelt met de aloude traditie van de historische roman.
Recapitulerend: verschrikkingen, catastrofes, oude avonturen, nieuwe tragedies… Overgoten met een saus van melancholie… Stijf staand van vertellersambitie en verbeeldingskracht… Zo lijkt de Europese roman inmiddels nog het meest op een niet te verteren, zwaar op de maag liggende baksteen. De humor en de lichtheid, de poëzie en het ritme van de taal, met veel kennis, aandacht en precisie door de diverse vertalers overgezet in het Nederlands, zijn echter net zo kenmerkend voor alle twintig genomineerde romans. Met de oppervlakkige en leugenachtige literatuur die Tim Parks de boekenmarkt ziet overwoekeren, vol clichés en stereotyperingen, hebben deze boeken dan ook niet zo veel te maken. De nationale en de Europese identiteit blijken elkaar niet in de weg te zitten of uit te sluiten; een schrijver als Topol of Catarescu staat duidelijk in een andere traditie dan iemand als Binet of Grøndahl, maar put wel uit dezelfde bronnen en dezelfde trauma’s.
Zoals Grøndahl zich retorisch afvraagt wat hij anders dan een Europese schrijver zou zijn, maar er tegelijkertijd van doordrongen is een Deense schrijver te zijn. Die stille levens in de provincie, die zachte melancholie… Het maakt volgens hem dat hij zich op intieme relaties kan focussen terwijl de wereld in brand staat. 'Ik kom uit een traditie van liefde voor kleine dingen.’

Topol vindt zichzelf een 'typische Tsjech’, maar herkent zich bijvoorbeeld heel goed in zijn Ierse collega’s. Ze delen in zijn ogen eenzelfde soort overlevingshumor: een mix van cynisme en een positieve levenshouding. De nieuwe generatie Tsjechische schrijvers staat verder van hem af. Ze gaan volgens hem meer op hun Duitse en Franse collega’s lijken, omdat ze allemaal schrijven over relaties, over moeders en zonen, over liefde, over geestdodend werk. Over depressieve mensen kortom. Dat doet dan toch een beetje aan Tim Parks’ gloomy visioenen denken. Topol ziet echter een lichtpuntje: de massagraven komen daarmee wel wat meer op afstand.


Europese Literatuurprijs

De Europese Literatuurprijs, een initiatief van Academisch-cultureel Centrum SPUI25, het Nederlands Letterenfonds, weekblad De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel, is bestemd voor de beste roman die vanuit een Europese taal naar het Nederlands is vertaald. In aanmerking komen romans waarvan in het voorgaande jaar een nieuwe vertaling is verschenen. De schrijver van het bekroonde boek ontvangt een bedrag van 10.000 euro. Ook de vertaler van het bekroonde boek valt in de prijzen: die ontvangt een bedrag van 2500 euro.
Dertien onafhankelijke boekhandels uit Nederland en Vlaanderen hebben een longlist van twintig titels samengesteld. Een vakjury, bestaande uit de voorzitter Frans Timmermans (lid van de Tweede Kamer namens de PvdA) en de leden Edith Aerts (boekhandel De Groene Waterman), Herm Pol (Athenaeum Boekhandel), Marja Pruis (auteur en criticus De Groene Amsterdammer) en Guido Snel (auteur en docent Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam), heeft deze lijst teruggebracht tot vijf genomineerden, die in deze Dichters & Denkers worden besproken of geïnterviewd.
Op dinsdag 14 juni wordt de winnaar bekendgemaakt tijdens een feestelijke avond rondom de genomineerden. Critici, schrijvers en vertalers spreken laudatio’s uit voor hun favoriet, afgewisseld met voordrachten. Met Xandra Schutte, Kester Freriks, Edgar de Bruin, Joost de Vries, Sidney Vollmer en Margot Dijkgraaf. 20.00-22.00 uur, Spui 25, Amsterdam
(www.SPUI25.nl).
Op zaterdag 3 september, tijdens Manuscripta, de opening van het literaire seizoen, vindt de daadwerkelijke prijsuitreiking plaats.

De geciteerde uitspraken van Jáchym Topol, Hilary Mantel en Jens Christian Grøndahl zijn afkomstig uit: Margot Dijkgraaf, De pen van Europa: Gesprekken met Europese schrijvers (Prometheus, 2006)