Buitenland

Europese taaltragiek

Veel Bulgaren zijn bang dat er over vijftig jaar niemand meer Bulgaarse poëzie leest. Daarin wortelen hun bedenkingen bij de Europese integratie. Dit stelt althans de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev, een aandachttrekkende stem in het internationale debat over de toekomst van Europa. Zijn conclusie: in dat debat zou het over iets anders moeten gaan dan economie en financiën alleen.

Bulgaren zijn net Europeanen. Veel Europeanen delen onbehagen over het voortbestaan van hun eigen regionale en nationale identiteit. Een gevoel dat concreet wordt in frustraties over het afnemende belang van hun moedertaal. Het Engels dat uit Brussel komt, de lingua franca van vandaag, stimuleert een gevoel van onmacht en euroscepsis. In de waarschuwingen die hierbij klinken, wordt Europese integratie gelijkgesteld aan vervreemding van je eigen taal en geschiedenis.

Dit is een riedel die we kennen. Die beschrijft een werkelijkheid, maar is ook te simpel. Dat blijkt aan de Engelse kant van dit verhaal. Want daar wordt de Europese taaltragiek minstens even intens beleefd als op het continent. Elke hegemonie heeft een keerzijde.

De Britten mogen dan leven in het land van de lingua franca, velen van hen zien de gevolgen ervan met lede ogen aan. Iedereen die wel eens wat langer in Engeland is geweest, weet hoeveel verkropte pijn er schuilgaat achter de typisch Britse gelatenheid over de teloorgang van hun taal. De prijs die betaald wordt voor hun taalhegemonie is hoog: langzaam maar zeker verdwijnt de ernst en discipline, de ziel en glorie uit hun taal.

Langzaam verdwijnt de ernst, ziel en glorie uit het Engels

Zoiets blijft niet onopgemerkt. Britten blijken net Bulgaren. De dominantie van het euro-Engels leidt op een omgekeerde manier tot eenzelfde soort onbehagen. Deze keerzijde van het leven in het land van de lingua franca – de verkwanseling van het echte Engels om redenen van functionaliteit, schaalvergroting en economisch profijt – is waarschijnlijk een schromelijk onderschatte factor in het Brexit-sentiment.

De zorgen om de eigen taal vertegenwoordigen iets wat niet gevangen wordt in de grafieken van peilers en statistici, die zo druk zijn met het meten van euroscepsis. Paradoxaal genoeg zijn die zorgen een trans-Europees fenomeen. Centraal in die zorgen: vrees voor de dag waarop het aloude Europese ‘naast elkaar bestaan’ van talen, en hun cultuurhistorische sferen, is verdwenen. Vervangen door een ‘opgaan in’ iets veel groters dat zoveel minder gevoelig en warm zal zijn: het euro-Engels.

Maar ook hiermee is het verhaal van het Europese verdriet over de toekomst van de moedertaal nog niet verteld. Dat verhaal gaat over meer dan taal alleen. Het gaat ook over een houding die meereist in de opkomst van het euro-Engels: het economisch opportunisme waarmee schaalvoordelen geëxploiteerd worden, en het alsmaar toenemende belang van marketing en mondelinge (taal)vaardigheden, zoals presentatietechnieken. Meer kletsen, maar minder zeggen.

Als deze trend ergens zichtbaar is, is dat wel op Nederlandse universiteiten, fabrieken van nutsmaximalisatie. Boekhoudlogica bezoedelt er al jarenlang het academische ideaal van kennis en inzicht door vrijheid van onderzoek. De zieltogende toestand van de Europese Letteren spreekt boekdelen over wat de veelbesproken ‘internationalisering’ hier behelst: bezuinigen op intercultureel begrip. In dit land gaat internationalisering hand in hand met het verdwijnen van de Europese Letteren. Dat is bizar.

Met de Letteren verdwijnt ook het respect voor het academische ambacht van vertalen. Het écht leren van een vreemde taal, door studie en via de traagheid die dat vergt. Wie heeft het nog over het belang en de waarde van passieve beheersing van een vreemde taal? Onder bestuurders van de Nederlandse universiteiten in elk geval niemand. Dat is beangstigend, want het bestuderen van een vreemde taal is, zoals John le Carré vorig jaar schreef, een ‘act of friendship’; essentieel voor de levensvatbaarheid van ieder samenwerkend Europa.

Onze discussie over ‘internationalisering’ in het hoger onderwijs is een Nederlandse positiebepaling in Europa. Daarin draait het uiteindelijk om de vraag of wij nog wel echt geïnteresseerd zijn in de wereld die zich bevindt buiten die van de natuurwetenschappen en het rekenen dat daarvan afgeleid wordt: de wereld van de sociale relaties, de geest en de kunsten. Deze urgente Europese kwestie wordt door de Nederlandse universiteiten totaal genegeerd in het debat dat zij voeren over ‘internationalisering’. Daarmee diskwalificeren zij zich. Dat is een schandaal.