De gelovigen in Brussel

Europese zuigkracht

Europarlementariërs en ambtenaren in Brussel nemen de kleur aan van hun omgeving: pro-Europees. ‘Brussel verandert je, alsof je geraakt wordt door de hand Gods.’

Derk-Jan Eppink is een ketter. Het conservatieve Europarlementslid gelooft niet in de grondgedachte van de Europese integratie, die van ‘een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa’, zoals vastgelegd in de verdragen sinds 1957 en beter bekend in het Engels als an ever closer union.

Eppink – een Nederlander die zetelt voor een Belgische partij – is een van de meest uitgesproken critici. ‘Iedereen die hier komt wordt geacht die gedachte te ondersteunen’, zegt hij. Zij die dat niet doen, zijn ongelovig – ‘ketters’ – en worden als zodanig behandeld.

Eppink: ‘We krijgen boze blikken, zodra we het woord nemen. De federalisten verlaten de zaal, of gaan met elkaar zitten praten. We krijgen ook minder spreektijd. Daniel Cohn-Bendit, (de leider van de Groenen – pe), gaat vaak over zijn tijd heen zonder dat er wordt ingegrepen. Als wij dat doen worden we weggehamerd.’

De vergelijking met godsdienst is maar ten dele overdreven. Brussel is een wereld apart, waar veel mensen heilig overtuigd zijn van de blijde boodschap van het verenigde Europa. En waar ze de verkondiging van ieder ander geloof – in een louter economische unie of, God verhoede, in helemaal geen unie – afdoen als donker primitivisme.

Dat is vooral het geval in het Europees Parlement, de arena van Eppink. De meerderheid is er steevast pro-Europeser dan partijgenoten thuis zijn. Ze zijn altijd vóór, nooit tegen de overdracht van meer bevoegdheden. En ook nu staan ze weer vooraan om te pleiten voor de invoering van eurobonds en ander gemeenschappelijks om de crisis op te lossen.

Het is ongetwijfeld te verklaren door het feit dat de meer Europa-gezinden eerder geneigd zijn om naar Brussel te verhuizen. Maar zeker ook door het feit dat de minder Europa-­gezinden geneigd zijn zich na verloop van tijd te bekeren. ‘They go native’, in de woorden van een hoge ambtenaar. Eppink: ‘Brussel verandert je, alsof je geraakt wordt door de hand Gods.’

cda’er Wim van de Camp is er zo een. Hij kwam naar Brussel in 2009, na 23 jaar in de Tweede Kamer, met het idee de regeldrift te stoppen en het budget te verminderen. Nu is hij medeverantwoordelijk voor de nieuwe, meer pro-Europese koers van het cda.

‘Klopt’, zegt hij. ‘Dat is deels omdat ik er nu meer van af weet. En deels omdat, hoe je het ook wendt of keert, mensen altijd een beetje de kleur aannemen van het bedrijf waarin ze werken. Ik ben nu meer overtuigd van het nut en de noodzaak van de Europese Unie.’ Hoe langer je er bent, hoe meer je gaat geloven.

Daarbij komt, zegt sp’er Dennis de Jong, dat Brussel op zo’n manier is ingericht dat het loont om te geloven: ‘Als je je laat zien als ­voorstander van de Verenigde Staten van Europa, dan gaan er automatisch deuren voor je open. Ik zal ­bijvoorbeeld niet zo snel worden uitgenodigd op het kabinet van Herman Van Rompuy.’

Hetzelfde is het geval in de dagelijkse ­werkzaamheden, zegt De Jong. ‘Als je het goed doet, dan word je misschien voorzitter van een bepaalde Kamercommissie. Je wordt beloond voor je parlementaire werk, en dat is per ­definitie pro-Europees. De zuigkracht is heel groot. Het is moeilijk om nuchter te blijven.’

HET EVANGELIE van de ever closer union. Behalve het Parlement is ook de Commissie onmis­kenbaar pro-Europees, maar, zo blijkt uit anonieme gesprekken met een drietal ­topambtenaren, minder ideologisch dan ­pragmatisch. ‘We zijn niet allemaal believers’, zegt er een, werkzaam op de afdeling uit­breiding. ‘Er zijn eigenlijk twee groepen ambtenaren: zij die gewoon hun werk doen en zij die echt geloven. Die tweede groep wordt steeds kleiner.’

Vroeger was het anders, zeggen de ambtenaren, van wie er twee al twintig jaar bij de Commissie werken. Vroeger hadden ze nog het idee een historische taak te volbrengen. Tegenwoordig is het allemaal veel zakelijker. ‘De EU is er al, de Europese integratie is al werkelijkheid’, zegt een ander van de afdeling mededinging. ‘Waar het nu om gaat is: hoe zorg je dat het werkt? Het is allemaal veel banaler dan mensen soms denken.’

Veel politieke discussie over waar het nu heen moet met Europa is er dan ook niet. Het blijven nu eenmaal ambtenaren, hoe exotisch de Commissie ook mag lijken. Ze zijn per definitie apolitiek, technocratisch, en praten bij de koffiemachine over het weer en over voetbal – niet over de voors en tegens van een Europese bankenunie.

Sinds begin 2010 zijn er voor het eerst meer mensen die de Europese Unie niet vertrouwen dan wel. En dat merken ze, bij de Europese Commissie. Ambtenaren troffen onlangs ­stickers op hun auto’s met een afbeelding van een man die zich had opgehangen aan zijn das. ‘Eurocraat, bedien je van je das’, stond te lezen. Een aantal had de schrik al te pakken toen ze de maand ervoor waren omsingeld in de metro en belaagd door ‘een groepje linkse activisten’. Er hadden zich altijd al wel ‘aanvallen’ voorgedaan, schreven de Commissie-vakbonden in een brandbrief, maar sinds het uitbreken van de eurocrisis waren die toegenomen zowel in aantal als in omvang.

Het zijn zware tijden voor de profeten. De crisis stelt het geloof op de proef. ‘De gelovigen zijn in verwarring’, meent Eppink. Hij zegt dat ze tegenwoordig beter luisteren als hij of een van zijn politieke broeders het woord heeft. ‘We hebben intellectueel gelijk’, denkt hij.

Het zal blijken, bij de verkiezingen, of Nederland er net zo over denkt. Meer of minder Europa. ‘Een goed iets’, vindt de ambtenaar van uitbreiding. ‘Het is een bewijs dat de integratie echt wordt. Vroeger was iedereen voor. Maar toen ging het ook nergens over. Nu gaat het erom.’