Hoofdcommentaar

Euroscepsis

Voor wie nog boos is over het Ierse nee tegen het Verdrag van Lissabon is het een goed gedachte-experiment om zich een referendum in Nederland voor te stellen over een buitengewoon lange en onleesbare tekst die volgens experts neerkomt op het stroomlijnen van de besluitvorming in ons land. Volgens voorstanders zou Nederland zonder een ja onbestuurbaar dreigen te worden en zou de verwerping een grote schande zijn. Zou dit referendum het halen?
Misschien wel, maar met de recente politieke omwoelingen in Nederland in het achterhoofd lijkt een nee even waarschijnlijk. En wat zou de conclusie dan moeten zijn? Dat Nederlanders ondankbaar zijn voor alle uitkeringen en premies die zij in de loop der jaren van de overheid ontvingen? Dat de overheid zich alleen maar moet bezighouden met de ja-stemmers en de nee-stemmers moet negeren?
Toegegeven, deze vergelijking rammelt aan alle kanten. Maar een centraal punt blijft relevant: ook in goed functionerende democratieën zoals de Nederlandse staat een groot deel van de kiezers van nature wantrouwend tegenover de overheid. Ook als een overheid goed functioneert, zijn veel kiezers terughoudend om die overheid (voor hun gevoel) meer ruimte te geven, ook als dit hun wellicht wat oplevert of als zij veel aan die overheid te danken hebben.
Scepsis en wantrouwen jegens de overheid zijn soms bezongen als basisdeugden in een democratie, bijvoorbeeld door Alexis de Tocqueville, en vaak beklaagd als een dodelijke ondergraving van het democratische systeem. In ieder geval is vast te stellen dat dat wantrouwen in iedere moderne democratie speelt, zeker ook in de democratieën in Europa. Hoewel het spijtig is, zou het van realiteitszin getuigen als Europese politici zich zouden neerleggen bij de grenzen die daardoor worden getrokken voor Europese integratie.
De tekenen zijn daar echter niet naar. Wie het Europese samenwerkingsproces van de afgelopen decennia bekijkt, ziet politici die de ogen steeds op de toekomst hebben gericht. In het tijdpad van Europese integratie moeten weifelende bevolkingen nu misschien over een bepaalde streep worden getrokken, maar kan de trein weldra verder. Dat is de visie op de Europese Unie van bovenaf, vanuit Brussel en vanuit steeds nauwer samenwerkende ministeries. Het toont een Unie die ondanks rare uitwassen verrassend goed werkt, zeer succesvol is als handelsblok, en zich daarom verder moet ontwikkelen.
Hoe frustrerend het ook is vanuit die positie, van onderaf ziet de Unie er anders uit. Vooral groot en ondoorzichtig, suggereren recente opiniepeilingen. Deze week publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een onderzoek Burgerperspectieven met speciale aandacht voor Europa. De grootste weerstand tegen EU-lidmaatschap bleek te bestaan onder burgers die vinden dat ‘mensen als ik vooral nadelen ondervinden van het verdwijnen van grenzen’. Ook burgers die geen vertrouwen hebben in politici of vinden dat de overheid te weinig voor ze doet, zijn vaker eurosceptisch. Veel verrassender was echter dat in Ierland deze eurosceptische groep overwegend thuisbleef, en dat zodoende de overweldigende meerderheid van nee-stemmers (tachtig procent) voorstander van Iers EU-lidmaatschap was. De voornaamste reden die zij noemden om tegen het Verdrag van Lissabon te stemmen (bij veertig procent) was dat zij niet begrepen wat het verdrag inhield. Dit lijkt sterk op de situatie in Nederland: hoewel het aantal voorstanders van EU-lidmaatschap hier traditioneel vele malen groter is dan het aantal tegenstanders, werd de Europese grondwet in 2005 weggestemd.
Het SCP nam destijds de uitleg van de referendumuitslag door Balkenende onder vuur. Niet euroscepsis, boosheid om de hoge Nederlandse bijdrage of weerstand tegen het tempo van integratie zat achter het Nederlandse nee, maar een slechte campagne van het ja-kamp en een afkeer van paternalisme. Over dat laatste stelde SCP-onderzoeker Paul Dekker in NRC Handelsblad: ‘Politici beweren steeds twee dingen tegelijkertijd: a. dat de Europese samenwerking prachtig is, en b. dat ze onontkoombaar is. Mensen voelen dat hier iets niet klopt. [Dat] vertaalde zich in het gevoel “iets door de strot geduwd krijgen”.’
Dit komt opvallend dicht bij de Ierse referendumslogan ‘Don’t be bullied’. Deze slogan en de houding waar zij voor staat mogen misschien ondankbaar en misplaatst zijn, ze geven een politieke realiteit aan die niet verdwijnt met hevige drift richting de zondaar van het moment, destijds de Nederlanders en de Fransen, nu de Ieren. Het uitwerken van lange compromisteksten op topontmoetingen en kiezers dan vertellen dat het ondenkbaar is om dat niet goed te keuren, is een recept voor problemen gebleken, ongeacht de merites van de verdragen. Als Europese politici hun kiezers en zichzelf serieus nemen, accepteren zij dat als een politiek fact of life, en gaan zij de zaken anders aanpakken.
Het nee van de Ierse kiezers past weliswaar in een breder patroon van afnemende steun voor internationale samenwerking, nog steeds zijn er in Europa veel meer voorstanders van de EU dan tegenstanders. Het onderzoek naar de uitslagen in Ierland en Nederland geeft aan waar de Unie het meest te winnen heeft: in het volwassen aanspreken van kiezers, inclusief het voorleggen van teksten die zij begrijpen.