Zelfbeschikking en de anderen

Euthanasiasme

Met nonchalance wordt over de ‘zelfgekozen dood’ gesproken, als er al niet met passie voor wordt gepredikt. Maar de veronderstelde autonomie in het ‘zelf bepalen’ en ‘zelf beslissen’ is te betwijfelen – en daar hoef je geen christen voor te zijn.

Medium lon5228
Hoeveel gevolgen zal het goede voorbeeld van de goede dood hebben voor zieke, zwakke mensen die toch liever willen doormodderen met hun leven? © Martin Parr / Magnum / HH

Portret van de essayist als jonge man van vijftien à zestien jaar. Hij zit in de bovenbouw van het gymnasium van het Twents Carmel Lyceum in Oldenzaal. Dat lyceum, de naam zegt het al, werd opgericht door de paters karmelieten, in 1922, die toen nog het grootste deel van het lerarenkorps uitmaakten; ze woonden in het naast gelegen klooster. Een rooms-katholieke school, in die overwegend rooms-katholieke streek in het oosten van het toch al oostelijk gelegen Twente, waar vroeger de kvp en later het cda monsterscores haalden.

Maar van die katholieke alomtegenwoordigheid is weinig meer over in het midden van de jaren zeventig. Het Carmel kent nog twee of drie paters karmelieten die voor de klas staan, maar zij zijn dan al een curiositeit. Andere leraren hebben hun plaats ingenomen, ‘leken’-leraren, al werden ze nooit zo genoemd, omdat het ‘leek-zijn’ al lang de norm was onder de docenten. Onder hen veel D’66-leraren die van hun partijkeuze getuigden. In die omgeving, gezien dat verleden, belichaamden ze het Randstedelijke Westen, waar alles voorlijker en progressiever was dan in de Twentse contreien.

Het moeilijkste aan een blik op je jongere zelf is dat wel je gezicht en je lichaam zijn gefotografeerd of wie weet gefilmd, zodat je zelfs je gestiek kunt reconstrueren, maar de scan van het brein zit niet in de verzameling. Of eigenlijk moet ik zeggen: wat mist is een scan of ander vernuftig instrument dat heel precies de gevoelshuishouding van toen in beeld kan brengen, zodat de vanzelfsprekendheid waarmee je ooit dacht en voelde duidelijk wordt.

Die jongeman op dat lyceum – dat ben ik, dat begreep u al. Maar die derde persoon enkelvoud waarmee ik begon had ik nodig om recht te doen aan de afstand die er bestaat tussen mijn gedachtenwereld uit het verleden en die van nu. Ik kan, als ik me concentreer, fysiek nog de overtuigingskracht navoelen die me als puber dreef. Maar wat ik dan precies beleefde, en waarom? Hier trekt mijn Ik zich in nevelen terug en verstart tot een afbeelding van mijzelf, waarop je je kapot kunt staren zonder dat het geheim wordt onthuld.

Ik zie mezelf in de weer met foldertjes van D’66 (toen nog met apostrof), ik spreid ze uit op tafels die staan opgesteld in de schoolgangen: er is daar een politieke markt, en ik verkondig het woord van de Democraten met een overtuiging waar de Jehova’s nog van zullen ophoren. Een in ‘de politiek’ geïnteresseerde jongeman. Met zenuwvlekken voor de tv wanneer de eerste uitslagen van de Tweede-Kamerverkiezing binnenkwamen. Mijn Studio Sport was de politiek.

De dagen van Hans van Mierlo en zijn ‘democratische beweging’ die in 1966 ‘het stelsel van politieke partijen wil opblazen’ of, later afgezwakt, ‘sterk wilde vernieuwen’ waren lang voorbij. Het appèl dat toen tot de oprichting van D’66 leidde luidde: ‘Aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie’. De nieuwkomer kwam in 1967 – ongekend – met zeven zetels in de Tweede Kamer.

Maar ‘mijn’ D’66 stond onder leiding van Jan Terlouw, en beloofde het ‘redelijk alternatief’ te zijn. Dat is misschien niet de meest geschikte strijdkreet voor een puber, die geacht wordt zijn opstandigheid uit te leven, maar de woordcombinatie had op mij een magische uitwerking. Vroeg-oud: dat zal het zijn geweest. Maar ook: D’66, de partij die was opgericht om bestuurlijke vernieuwing te bewerkstelligen, gekozen burgemeesters, districtenstelsel – het blijft lastig daar laaiend over te worden – die partij profileerde zich na 1975 steeds meer als een (sociaal-)liberale partij, een partij van het midden die toch niet van de christelijke benauwdheid was. Integendeel: D’66 was progressief, voor vrije abortuskeuze, voor zelfbeschikking, tegen zedenmeesterij van staat of kerk.

Iedere keer weer was ik onthutst als bleek dat de confessionele partijen toch weer de grootste waren geworden, zeker in mijn Twentse streek, waar de kvp toen nog zegevierde. Onuitstaanbaar. Hoe dom en kortzichtig konden de mensen zijn. Ik vrees dat ik mijn afgrijzen jegens de confessionele stem moet vergelijken met de afkeer die de pvv-stem nog steeds bij mij losmaakt. ‘Politiek’, was toen mijn conclusie, vrij naar de Britse voetballer Gary Lineker, ‘is een simpel spel, waaraan veel verschillende partijen meedoen en waarbij uiteindelijk de confessionelen winnen.’ Dus was het grote doel: breek de machtspositie van de christen-politiek.

Zwaar christelijke opvoeding? Nee, maar onder het sociaal-liberale gezicht van Jan Terlouw – mooi van redelijkheid, met zijn regelmatige gezichtstrekken – ontwaarde ik een nog aantrekkelijker vergezicht: dat van de Zelfbeschikking. De zelfbeslisser, zelfbepaler, de doe-het-zelver die het in het leven stellen kan zonder meester of god. De vrije-keuze-kiezer. Ik was een van hen.

Hier moet mijn homoseksualiteit, die ook publiekelijk op uitbotten stond, een rol hebben gespeeld. Genadebrood kon je krijgen van de confessionelen, en dat vrat ik niet. Geen bemoeizucht, zeker niet vermomd als verbod of, nog erger, als meelij.

En via die seksualiteit werd eigenlijk alles duidelijk; uiteraard vloeide daaruit voort dat een vrouw vrij moest zijn voor abortus te kiezen. Ik heb als homo meegelopen in pro-abortusdemonstraties, alsof mijn eigen leven ervan afhing. Nu komt me de leus ‘baas in eigen buik’ nogal omineus voor, zeker als je weet dat Freud lang daarvoor al opmerkte dat de mens ‘innerlijk geen baas is in eigen huis’. Het idee van autonomie en zelfbepaling is heus niet alleen door christenen gerelativeerd – en met reden. Elke socioloog uit de school van Norbert Elias – de zogenaamde figuratiesociologie – kan je vertellen dat die wetenschap nu juist probeert te bepalen waar het ‘ik’ ophoudt en de omgeving begint; dat wij mensen op een diepgaande manier van elkaar afhankelijk zijn, tot op het allerlaatst. Niet voor niets heeft Elias het programmatische boekje geschreven, dat nu nog actueler is dan bij verschijnen in 1984: De eenzaamheid van stervenden in onze tijd.

Ik heb als homo meegelopen in pro-abortus­demonstraties, alsof mijn eigen leven ervan afhing

Nog steeds snap ik mijn zelfbeschikkingsstandpunt van toen; nog steeds vind ik het in laatste instantie aan de vrouw om over abortus te beslissen – niet omdat de vrucht ‘van haar’ is, zoals zij ook de eigenaar kan zijn van een auto. Maar omdat zij moet bevallen, zij moet het kind een start geven – de gevaren zijn groot als dat met tegenzin of zelfs moordzucht gepaard gaat.

Wat voor mij onnavolgbaar is geworden is het enthousiasme waarmee ik over abortus dacht en sprak. De uitgelatenheid. Vrije keuze, hoera. Hier werd iets gevierd, een recht, een verlossing, en elke suggestie van het tragische dat een abortus altijd omgeeft werd luidkeels weggehoond. Ik snap de gelaten keuze. Ik snap de moeizame keuze, het dilemma. Maar de vorm van seculiere ‘bevrijdingstheologie’ waarmee die afgedreven vrucht werd onthaald – of beter gezegd, niet onthaald – daar stokt mijn herinnering en ook mijn meegevoel.

Ik zie het inmiddels zo: wie zich wil voegen naar het dogma van de zelfbeschikking, zoals steeds fundamenteler beleden door d66, inclusief euthanasie, kan maar beter zeer jong zijn; net of net niet volwassen, net – of net nog niet – stemgerechtigd, want dan begrijp je tenminste waar die opgeschroefde autonomiegedachte vandaan komt.

Ik was zestien, ik zwoer bij de politiek, maar mocht nog niet ter stembus; ik woonde bij mijn ouders, en keek uit naar de grote stad. De jonge zelfbeschikker heeft een punt – hij moet nog een eigen leven veroveren op zijn omgeving. Maar bij mensen van zekere, volwassen leeftijd, voor wie de zelfbeschikking nog steeds het alfa en omega uitmaakt, vraag ik me af: hebben die het leven wel proefondervindelijk ervaren? Hoeveel Zelf is van U in het leven, en hoeveel van anderen – u mag het Maggi noemen, als dat helpt. Of God. De keuze is er, maar het antwoord laat geen ruimte voor zelfoverschatting.

Het onbehagen over het autonomie-idee was er niet ineens, maar heeft moeten rijpen – zoals eigenlijk alle dingen die de moeite waard zijn. Wel kan ik de criminologe C.I. Dessaur noemen, beter bekend als de schrijver Andreas Burnier, die samen met Chris Rutenfrans in 1986 het pamflet Mag de dokter doden: Argumenten en documenten tegen het euthanasiasme publiceerde. Daar staat de term ‘euthanasiasme’, die me in 1986 nog overdreven voorkwam, maar die ik tegenwoordig lees als een accurate beschrijving van de situatie. De begerigheid, de passie waarmee nu de ‘zelfgekozen dood’ gepredikt wordt. De ‘goede dood’ – en dat is letterlijk de vertaling van euthanasie.

Het pamflet bracht in drieste bewoordingen – met nazivergelijkingen en al – ook mijn groeiende aversie onder woorden tegen de ‘Nieuwe kinderen van het Licht’ (de woorden leen ik van Frans Kellendonk), die na de abortus ook de ‘zelfdoding’ volmaakt schuldvrij willen maken – een rationele, zelfgenomen beslissing, gemaakt in een leven losgezongen van anderen.

De nauwelijks verholen geestdrift voor dat idee betekende voor mij steeds meer een keerpunt. Daar kwam bij: de hevige kritiek van Dessaur/Burnier kwam uit onverdachte bron: zij was wetenschapster, homoseksuele vrouw, feministe – zij had zo een ereplaats kunnen veroveren in het Verlichtings- en Vooruitgangspantheon. En toch die vroege, morele intuïtie van haar dat met het animo voor euthanasie een grens werd overschreden in ethisch en staatsrechtelijk opzicht.

Ik lees als oud d66-stemmer op hun website: ‘De afgelopen jaren heeft d66 veel bereikt. Zelfbeschikking is inmiddels de norm: abortus, euthanasie en homohuwelijk zijn wettelijk geregeld.’ Wat verrast is de package deal die hier gemaakt wordt tussen bijvoorbeeld het homohuwelijk en euthanasie. Alsof er één rechte lijn is die de bezegelde liefde met de dood op bestelling verbindt. Alsof er in het ene geval niet sprake is van meer, want gedeeld leven, en in het andere geval van een abrupt einde.

De Nederlandse Vereniging tot Vrijwillige Euthanasie (nvve) werd al in 1973 opgericht, en mag tegenwoordig gerust een filiaal van d66 heten. Nederland kent sinds april 2001 de zogenoemde ‘euthanasiewet’, door de Kamer geloodst met een meerderheid van d66, vvd en de pvda. Daarin wordt gesproken over ‘ondraaglijk en uitzichtloos lijden’ – een beetje Nederlander kan die woorden onderhand zonder spieken prevelen. Veel is al mogelijk. Maar er moet verruiming komen van die wet, almaar ruimer moet het: ook zonder fysiek lijden, ook zonder terminale ziekte moet er ‘hulp’ worden geboden: bij psychisch lijden, bij ‘voltooid leven’, bij zeventigplussers, ‘uit vrije wil’ en waarom niet bij jongeren die het leven ‘niet meer geleefd krijgen’.

d66 is de grote aanjager van deze opgerekte ‘goede dood’. Inderdaad: een ‘redelijk alternatief’, maar een alternatief voor wat? Toch niet voor het leven? Het is vreemd dat de doodstraf voor bijna alle politieke partijen anathema is, vanwege de onherroepelijkheid van de beslissing, maar dat over euthanasie inmiddels wordt gesproken met een lichtzinnige nonchalance.

Terecht stelde hoogleraar rechtstheorie Dorien Pessers zich in NRC Handelsblad de vraag of ‘de staat moet helpen bij euthanasie, ook bij gezonde ouderen, zoals d66 wil?’ Die leeftijdscategorie van ‘ouderen’ staat overigens nu ook al onder druk.

Hoe modern is de dood? Hoeveel vooruitgang kun je ermee boeken. Nog sneller, nog kunstiger, nog doder?

Pessers schrijft: ‘De eerste taak van de staat is en blijft het leven te beschermen, ongeacht de kwaliteit ervan.’ Zij legt uit hoe het idee van ‘de menselijke waardigheid, het recht op leven, het recht om in vrijheid en naar eigen inzichten het leven te leiden’ bedoeld is als zogenoemde ‘afweerrechten’ – om machtsmisbruik van de staat tegen te gaan. De Levenseinders daarentegen veranderen het in een claimrecht: ik wil dood, de staat moet ervoor zorgen. Bijgestaan door de dokter. Of de nog op te leiden ‘levenseindebegeleiders’. Het valt ongunstig op dat de Zelfbeschikker altijd een finaal beroep doet op de Ander om zijn autonome project uit te voeren.

Nog een praktische tip van de nvve voor de huidige situatie: ‘Wanneer u vindt dat uw leven voltooid is en het liefst het leven zou willen laten beëindigen, maakt u alleen kans op euthanasie, als u uw ouderdomsklachten stapelt.’ We zien hier de contouren van een carrière, zoals die wel op school wordt opgebouwd: van het vmbo naar mbo naar hbo naar universiteit, het is stapelen geblazen om uiteindelijk nog Hoger uit te komen. Maar juist in dat Hogere geloven de Levenseinders niet.

Zoals de autonome mens zichzelf in een vacuüm denkt, zo wil de Levenseinder niets weten van de weerslag van zijn keuze op de maatschappij. Er zijn veel oude zieke mensen in Nederland, misschien zijn ze ook levensmoe, maar dood willen ze niet per se. Je mag hopen dat zo’n houding gerespecteerd wordt, want er is nu dat redelijke alternatief, zoals ook de overbelaste kinderen weten, de onderbezette verzorgers en de ongedurige kleinkinderen, die geen startershypotheek rondkrijgen.

Het klassieke idee van de individuele vrijheid is verwoord door de filosoof John Stuart Mill als ‘het schadebeginsel’: iemands vrijheid mag alleen beperkt worden voorzover dat nodig is om te verhinderen dat hij anderen schaadt. Maar wat is ‘anderen schaden’? Hoeveel gevolgen zal het goede voorbeeld van de goede dood hebben voor zieke, zwakke mensen die toch liever willen doormodderen met hun leven? Waar eindigt de druk van de omgeving, waar begint de vrije wil?

‘Uit vrije wil’, zo heette het burgerinitiatief uit 2010, dat ijverde voor ‘een veilige hulpverlenersroute voor oude mensen van zeventig jaar en ouder die hun leven voltooid achten’. Onder de initiatiefnemers bekende namen als de breinwetenschapper Dick Swaab (die in zijn werk niets wil weten van diezelfde vrije wil), de vvd’er Frits Bolkestein, pvda’er Hedy d’Ancona en jurist Eugène Sutorius. Het initiatief is sinds 2013 ondergebracht bij de nvve.

Ik heb deze mensen wel eens ontmoet, en de meesten acht ik hoog. Maar ineens werd mij de elitekant gewaar van dit euthanasieproject. D’Ancona, Bolkestein, Swaab, Sutorius – ik vertrouw het ze toe eigenstandig te beslissen over hun levenseinde. Het zijn leiderstypes, gewend eigengereid te handelen, en niet onder sociale druk te bezwijken. Ze beschikken over de financiële middelen en de intellectuele bagage. Maar, zoals psychiater en em. hoogleraar psychiatrie Frank Koerselman in De Groene opmerkt: ‘Er zijn maar betrekkelijk weinig mensen in staat om echt individualistisch te leven. Echt autonoom zijn is niet gemakkelijk.’

Het minste wat je ervan kunt zeggen: de mate waarin een mens zich (relatief) autonoom kan betonen kan niet los worden gezien van zijn maatschappelijke positie; het gaat over macht, invloed, kapitaal (zowel economisch als cultureel), middelen en connecties. Dat klassenaspect wordt steevast verdonkeremaand in de euthanasiediscussie. En de actievoerders rusten niet tot hun particuliere wens wordt omgezet in een algemene wet, alsof de maatschappelijke verschillen in deze kwestie geen rol spelen. Om het met de filosoof Kant te zeggen: waarom moet en zal die vrijwillige zelfdoding opgetuigd worden tot een categorische imperatief – ook als je kunt nagaan dat de omstandigheden van mensen zo anders zijn.

Maar kijken we naar de politieke partijen en hun euthanasiestandpunten, dan is het elitaire aspect van de discussie zonneklaar. Euthanasie valt inmiddels onder de noemer van het ‘progressieve denken’: het gaat hier niet minder dan om vooruitgang. Maar hoe modern is de dood? Hoeveel vooruitgang kun je ermee boeken. Nog sneller, nog kunstiger, nog doder?

Op afstand is d66 de grote euthanasieverruimer, gevolgd door de vvd en GroenLinks, terwijl de sp zeer veel bezwaren heeft, net zoals de christelijke partijen. De oude links-rechtsverdeling is niet meer van toepassing. Hier hebben de kosmopolieten zich verveeld afgekeerd van het klootjesvolk, dat nog worstelt met allerlei hersenspinsels en praktische bezwaren.

Dit begint op hoogmoed te lijken, zeker omdat het ons ontbreekt aan een levendig besef van de dood. Iedereen die wel eens een stervende heeft bijgestaan weet hoeveel onduidelijkheid, ambivalentie en tweeslachtigheid daarbij komt kijken. Dat ‘traject’ valt niet optimaal ‘te stroomlijnen’.

Om al die redenen en nog zo wat, is het mij godsonmogelijk geworden nog op d66 te stemmen. Ik kijk terug op een oude liefde en kan niet meer bedenken wat ik er ooit in heb gezien. Om al die redenen blijkt de pvda weer de partij van de non-keuze, die noch het een, noch het ander standvastig uitdraagt. En ook daarom is zelfs een stem op de ChristenUnie voor mij niet langer ondenkbaar. Mijn leven is me, na lang dubben, nog net iets liever dan mijn homoseksualiteit.

Het is nodig het oude appèl van Van Mierlo te herzien: ‘Aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van de moraal van onze staat’.