Ger Groot

Eva

Het lied Eva van Boudewijn de Groot klinkt aanvankelijk als een raadsel: «Ik houd de wereld in mijn hand,/ Het glazen ei vol land en wolken./ Ik zal de hemel gaan bevolken./ Ik roep de varens uit het zand.» Het zijn prachtige beelden, soms half herinnerend aan het stukgezongen Land van Maas en Waal. Maar wie is «ik»?

Het antwoord daagt pas strofen later: «Hier sta ik voor zot in mijn kamerjapon./ Ik dacht wel dat ik alles kon.» Almacht: daar staat God. Maar hij staat er als een verschrikte zondagsschilder («’t Palet valt vlammend uit mijn hand») die zijn doek het tafereel heeft zien worden van tegennatuurlijke horror: «De vleesboom rijst het water uit/ en rinkelt met zijn glazen snaren./ Er zit in de kristalpilaren/ een uil die schuine liedjes fluit.»

Lennaert Nijgh, vorige week overleden, dichtte de tekst van Eva. Het is het verhaal van de schepping die verandert in verschrikking. Vanwege de zondeval en vanwege haar, de naamgeefster van het gedicht. «De aarde zwaait open./ Ik zie haar lopen/ in mijn eigen groene gras./ …/ Je wilt me vergeten./ Mijn vruchten eten/ en me bedriegen met je man.»

Bij Nijgh wordt het scheppingsverhaal een bergmaniaans drama van bedrog en overspel. God is er de beteuterde hoorndrager, Eva de fatale ongelukbrengster die vrouwen volgens een oeroude seksuele mythologie altijd al geweest zijn. De zondares was zij; hij was de sul die zich liet meeslepen en uit haar hand de appel at. Bij Nijgh komt hij er zelfs niet meer aan te pas. De strijd gaat tussen God en haar.

Meer Lilith dan Eva, komt ze in deze rol niet voor op de zojuist geopende website Bijbel en cultuur (www.bijbelencultuur.nl), die gewijd is aan de verbijsterend rijke traditie van de bijbel in de Nederlandse beschaving. Alles lijkt erop te vinden te zijn, van zegswijzen tot schilderkunst en theologisch commentaar, als het maar wortelt in de bijbelboeken (vooralsnog Genesis, Esther, Psalmen en 1 Corinthiërs) waaromheen de site is opgebouwd.

Maar geen apocriefe Lilith, de vrouw die volgens de legende vóór Eva geschapen werd en hem tot bijslaap dwong. Zij trotseerde God; Nijgh laat het hem zelf bekennen: «En wat je wilt valt in je handen./ Je hebt mijn wereld aangetast.» Dan kondigt zich het einde van de paradijselijke schepping aan, en het begin van onze wereld. Jaren eerder dichtte Nijgh al in een ander lied: «Het paradijs is niet voor grote jongens.»

Die omissie is de website, in al zijn schitterende verlokking tot steeds weer verder klikken naar steeds verbazingwekkender vertakkingen van het bijbels erfgoed, niet kwalijk te nemen. Om het goed te maken, zorgt ze bovendien voor een verrassing. Er is nog een tweede lied van Boudewijn de Groot over Eva, met dezelfde titel maar van later datum en geschreven door Harm Schepers.

In dat gedicht gaat het over een oudere Eva, moeder geworden en bijna nonchalant beschreven in haar dagelijkse beslommeringen. «Daar zit ze dan, ze weet weer wie ze is./ Ze heeft die rare kleren uitgetrokken./ De jongens zijn de velden ingetrokken/ om wat te offeren. En dat gaat mis.» Je kunt er zelfs de muziek van horen.

Hier zit geen fatale Eva, maar een erfmoeder van Kniertje die het drama van haar zoons moet meemaken. Bijbelvast is zij evenmin. Op Abel heeft zij het nooit gehad: te kwezel achtig. Kaïn was haar favoriet, maar juist hij is de gedoemde. En ook zij legt zich er niet bij neer — «God is te vlug/ met vloeken, trager met vergeven» — en weerstaat hem, net als bij Nijgh, maar nu op haar manier: «Daar zit wel schuld maar dit besef maakt stug:/ om Kaïns wil zal zij haar God weerstreven.»

Hier spreekt een zwaar en calvinistisch platteland. Aangrijpend, maar de opstand tegen God leunt er op het geweten, niet op schoonheid. Het is geen droom, maar plicht die haar bezielt. De christen spreekt, en niet de heiden, die bij Nijgh de dromen, beelden en de levenshonger ademt van de stad die hem verlokte. Zijn Eva wandelde ooit in de Melkweg en leek een nieuwe wereld te beloven. Ze bespookte in zijn verzen, te opstandig om al geslachtelijk-correct te zijn, het verlangen van een hele generatie.