Groen

Evaluatie

Ik heb de afgelopen periode goed moeten nadenken over dieren en de relatie mens-dier. Zo heb ik in een taxi naar Hilversum koortsachtig zitten peinzen over honden, want in de radiostudio zou ik tegenover Frits Abrahams worden gezet. Hij een kattenman, ik een hondenman. Wat een gedoe, dacht ik. Waarom heb ik gezegd dat ik meer van honden dan van katten hou, dacht ik. Uiteindelijk had ik wel iets: als ik mijn hond (die ik niet heb omdat ik vind dat je het een dier niet kunt aandoen op vier hoog in een stad te wonen) aan het uitlaten zou zijn en ik zou aangereden worden, blijft die hond zitten en die gaat blaffen en janken om aandacht te trekken. Een kat zou meteen in het struikgewas verdwijnen om daar een muis of jonge koolmees te verschalken en niet eens meer omkijken.
In een ander radioprogramma stelde de interviewer vast dat ik misschien wel als een dier schrijf. Of ik dat met opzet deed? Welja, dacht ik, waarom niet? Zo veel mogelijk observeren en nauwelijks interpreteren en psychologiseren. Nog weer elders begreep de vragenstelster maar niet hoe ik mij in een hond kon verplaatsen. ‘Nou ja’, zei ik, ‘ik stel me gewoon voor dat ik een hond ben. Best slim, maar toch ook tamelijk dom en dan gewoon maar beschrijven en voor zo’n beest abstracte begrippen als auto of regen vermijden.’
Op zondag 22 maart fietste ik een kilometer of dertig door Twente, nadat de avond ervoor in Oldenzaal de Boekenweek afgesloten was. Stephan Sanders had ook niet kunnen begrijpen hoe ik me in een hond kon verplaatsen, simpelweg omdat hij het níet kon. Ik zag er een bunzing de weg oversteken, ik zag een grauwe kiekendief over het veld zeilen. Daar werd ik blij van: de CPNB verzint een thema, half schrijvend Nederland roept tien dagen dingen over dieren, maar het hele jaar door, een mens zijn hele leven lang, steken bunzings wegen over en zeilen grauwe kiekendieven door de lucht. Ze doen, ze zijn, terwijl je bij mensen altijd maar diepere dingen moet vermoeden. Of uitleg moet geven.