Evangelies

Paul Claes, De Zoon van de Panter. Uitgeverij De Bezige Bij, 120 blz, f24,90
Drie jaar geleden publiceerde Paul Claes zijn eerste roman, nadat hij al een tijd als vertaler en essayist bekendheid genoot. Dat was De Sater, een perfecte vertolking van zijn literaire opvattingen. Deze eersteling was niet toevallig tevens een boek over de eerste geschreven roman, een gefingeerde reconstructie van de Milesische vertellingen die Aristides meer dan twee millennia geleden schreef, maar die verloren gingen.

Claes’ roman is een spel met allerlei procedes uit het proza en de poezie van die mythische tijd. Zijn citeerlust levert een aanstekelijke melange op van de liefdeslyriek van toen, vermengd met avonturen- en inwijdingsverhalen, pikanterieen en allegorische voorstellingen. Zo werd De Sater het modelboek van een essayist die in zijn studie Echo’s echo’s al eerder had verkondigd dat de tragiek van Echo, de nimf die alleen de woorden van anderen kon weerkaatsen, de tragiek van de literatuur zelf is. Altijd hebben dichters en vertellers elkaars werk beluisterd en gelezen, elkaar herhaald en teruggeschreven in allerlei gedaanten.
Met De Zoon van de Panter neemt Claes nu de mythe van Het Woord onder handen, het christelijk verhaal met God als oorsprong. De roman is een apocriefe reconstructie van het ooit verketterde Evangelie van de Twaalf, een beschrijving van het leven en de dood van de Verlosser. Twaalf teksten van evenzoveel personages die in de roman ingeklemd zitten tussen een proloog van Claes’ naamgenoot Paulus de Anachoreet, een oude woestijnkluizenaar die ze heeft bewerkt, en een epiloog van een modern historicus die dank zij een in het Rijnland opgegraven grafsteen de ware naam van de vader ontdekt lijkt te hebben.
Behalve de zoon van God maakt Claes ook de taal tot onderwerp van zijn boek. Het verband tussen beide laat hij Paulus de Anachoreet als volgt leggen: ‘God is onbekend: elk van ons maakt zich een God naar zijn beeld en gelijkenis. Geen van onze geschriften kan hem bereiken, geen van onze namen hem noemen. Alleen in de eeuwigheid zullen onze woorden samenvallen met zijn waarheid. In deze wereld is elke spraakverwarring een getuigenis voor hem en ieder woord, hoe dwaas, arm en duister ook, een woord van God.’
Elk evangelie draagt daarom het stempel van de discipel die het vertelt, is allereerst zijn interpretatie van wat geschiedde, zoals in Het woord van Thaddeus, waarin het verhaal over de verloren zoon uitgroeit tot een parabel over taal en betekenisgeving. Want zo goed als 'de leerling op de meester lijkt, zo lijkt het verhaal op zijn zin. Zoals de zoon van de vader verschilt, zo verschilt het woord van de waarheid. Toen wij onze meester naar de waarheid vroegen, schonk hij ons het woord. Ieder woord van hem was een verhaal en elk verhaal een gelijkenis. Toen we hem vroegen wat het verhaal betekende, antwoordde hij dat de sleutel van de gelijkenis in ons lag. Zo begrepen we dat de uitleggingen even talrijk zijn als de luisteraars.’ Het fragment legt tevens de belangrijkste thema’s uit de roman bloot. Naast de vraag naar de verhouding tussen taal en werkelijkheid gaat het om de relatie tussen vader en zoon, meester en leering.
De Zoon van de Panter is een intelligent en geraffineerd spel met een van de invloedrijkste verhalen uit de verteltraditie, maar ook een roman waarin de essayist het wint van de romancier.