Opheffer

Even aan de buurvrouw vragen

Stel je wilt een film maken over de aanslag op Balkenende. Dan wordt dat meteen een Hollandse film. We zien de terrorist door de tuinen van Capelle aan den IJssel dwalen. Hij is gekleed in een jas van Zeeman, schoenen van de Aldi, een broek van de Albert Cuyp, en dat is het zo’n beetje. Hij is waarschijnlijk ook verward. Beroep: iets in de ziekenzorg waarschijnlijk, of onderwijzer.

Hij schuifelt wat, maar kan de juiste woning niet vinden. Hij belt aan bij de buurvrouw.

«Ja mijnheer, wat is er?»

«Dag mevrouw, neemt u mij niet kwalijk. Ik zoek de woning van de minister-president.»

«De woning van de minister-president?»

«Ja, de woning van de minister-president.»

«Waarom?»

«Omdat ik hem een bezoekje wil brengen.»

«Weet hij dat u komt?»

«Nee, dat niet, het moet een verrassing zijn.»

«Een verrassing?»

«Ja, een verrassing.»

«Nou, ik weet niet waar de minister-president woont, hoor, mijnheer.»

Vervolgens zien we de vrouw, die meteen Bromsnor belt.

Uit ervaring kan ik vertellen dat je voor zo’n film nimmer subsidie zult krijgen. Hoewel we weten dat het ongeveer zo gegaan moet zijn, gelooft niemand het. Zeker in het buitenland niet.

Dat Volkert van der G. zoveel invloed heeft gehad, komt voort uit het feit dat zijn aanslag op Pim Fortuyn eigenlijk een «mooie» aanslag was — die trouwens wel heel goed op film vastgelegd kan worden. Omroepkwartier (mooie metafoor voor Pims politieke invloed) versus een veganist, iemand die niet van vlees houdt. Bijna te mooi. Volkert had ook een pistool dat ooit van een andere misdadiger was geweest. Allemaal goed.

Bij de verdachte van Balken ende spreken we over een «mes» en iemand die zijn pistool juist thuis had gelaten.

Een van de paradoxen van Pim was dat alles aan hem «buitenlands» was, terwijl hij juist de toestroom van buitenlanders wilde indammen. En nog vreemder was dat wij dat buitenlandse aan hem juist zo prachtig vonden.

Aanslagplegers zijn in Nederland meestal relschoppers. Ze gooien een taart in je gezicht, of verf over je pak, of ze schreeuwen «klootzak» (Wiegel: «Aangenaam, mijn naam is Wiegel») en soms vliegt er een stoel door de lucht, maar dat is het dan.

In Amerika heb je «snipers», scherpschutters. Die spreken tot de verbeelding, maar in Nederland kunnen ze niets vanwege het landschap. We kunnen hier niet met een jachtgeweer met telescoopvizier van vijfhonderd meter afstand iemand bij een benzinestation neerschieten. Nergens heb je hier vijfhonderd meter ruimte, of je zit binnen bij tante Jo — die meteen Bromsnor gaat bellen met C.o.c.k.

Ik schreef eens in een scenario dat er een auto moest ontploffen op de gracht. Dat bleek onmogelijk. De huizen waren te dicht bij de ontploffing, begreep ik. Dan maar op straat. Zelfde probleem. Geen vergunning. Oké, dan naar de Bijlmer. Dat kon ook niet, want we konden niet alle mensen waarschuwen. Het bos mocht niet vanwege de vervuiling. Naar het strand. Daar kregen we al die zonnebaders op de achtergrond niet weg, en waarom zou je een auto op het strand laten ontploffen? Om een lang verhaal kort te maken: de aanslag werd uit het script geschreven. De auto «gleed» nu in de gracht. Ook mooi, maar toch… die ontploffing was mooier geweest.

Maar zo is het hier. Eens in de zoveel honderd jaar komt er een mooie aanslag. Voor de rest is het iemand met een mes die aan de buurvrouw gaat vragen waar zijn slachtoffer eigenlijk precies woont.