Even een sonnetje bakken

Laat ik nou deze week in een impasse verkeren. Maar ziet, opeens werd mij het licht genadig. Bekijkt u maar eens dit shakespeareaanse sonnet: Sonnet 155

O, was je toch jezelf, maar lief, je bent Geen aards gezicht. ’t Was ooit zo hemels schoon Gesterkt, geremd door ’t zelfde firmament ’t Vergaat dus mij niet als de Muzenzoon. Ik ben, wat ook mijn spiegel zegt, niet oud. Maar waarom bind jij zelf niet met de Tijd. Hij zegge meer die napraters vertrouwt. Mij blijft toch het verlies, al toon je spijt. Vind ik jou als een zomerdag zo mooi, Door jou verslindt de aard haar eigen broed; valt aan Mars’ zwaard noch aan zijn vuur ten prooi. Jou, zinnestreler, staat elk kwaad zelfs goed. Een leugen die de schepping heugen zou, Ik snak meteen weer naar een blik van jou U zult misschien zeggen: Wat prachtig. Inderdaad, het is niet onaardig.
Misschien zegt u wel: Wat vreemd. Ook dat is juist.
Maar wat het is nou. Is dit een gedicht van Shakespeare? Ja, en nee. Is het een gedicht van mij? Ja, en nee. Is het dan een vorm van plagiaat. Ja, en nee.
Dit, dames en heren, is een zogenaamd montagegedicht (mode). Ik heb de schitterende vertaling van Peter Verstegen genomen hij vertaalde alle sonnetten van Shakespeare, wat een helse klus moest zijn geweest, en ik heb gewoon wat door de regels gezapt (mode), sampelde (mode) hier en daar een mooie zin; en ziet binnen vijf minuten had ik een postmodern (mode) sonnetje gebakken.
Weg impasse, Shakespeare is mijn redder.
Je kunt met Shakespeare alle kanten op. Je kunt, als je geen inspiratie hebt, een willekeurige mooie regel nemen van Sha- kespeare en daarop zelf iets voortborduren. In het vier-na-laatste sonnet van Shakespeare staat bijvoorbeeld de inspirerende zin: ‘Amor is nog te jong voor een geweten.’ Dat kun je gewoon gebruiken. Kijk maar:
Amor is nog te jong voor een geweten. Maar gij, sleets rimpelige oude zak, Had dit keer echter beter moeten weten: Er is toch gummiwaar voor uwe kwak! Nu hebt u deze maagd met jong gestiet! En moet ik met een breinaald aborteren! U weet toch dat de wet dit mij verbiedt! Heer Alzheimer, u bent aan het troubleren! Met naald en draad moet ik daarna uw zwaard Gaan hechten aan uw broze vuige lijf, Dat krijg je als je onbehouwen paart Met 'n even onbehouwen Yankee-wijf! Want wie voortdurend vreemde vrouwen wipt, Verliest zijn deel. Dat wordt er afgeknipt.
U hoort het, ik kan weer jaren voort. En wat is het leuk! Vooruit, tot slot een sonnet naar de Beroemdste Regel van Richard de Derde. Al neem ik nu de dramatische vertaling van Burgersdijk.
'Een paard! Een paard, gansch Eng'land voor een paard! Want straks word ik ontdekt in dit tenue En vindt men mij als Tory niets meer waard, Ondanks mijn politiek en hoog IQ. Ik word, in jarretels en in tutu Als Engelsman hier vogelvrij verklaard. Wie in dit land nog anders is geaard, Ziet men nog steeds meteen als een Landru. 'n Man gekleed als vrouw kan niet anno nu, Gansch Eng'land vindt je dan niet fijnbesnaard, Geen Brit die jou nog als normaal aanvaardt. Dus slaat voor mij thans zeker het uur U! Ik stik in dit klimaat, het stikken waard. Ik ben tenslotte al verbeurd verklaard.