Economie

Even euromoe

Koen Haegens bestond het vorige week om in een lang stuk van leer te trekken tegen het ‘perfide’ gedachtegoed van Friedrich Hayek. Terwijl dat schitterende naoorlogse project van de Europese Unie door toedoen van het ongebreidelde kapitalisme op zijn grondvesten schudde, liepen er vooral in de VS nog steeds idioten rond die, met The Road to Serfdom in de hand, het heil van de markt predikten en hel en verdoemenis over de staat afriepen!

De verontwaardiging spatte van de pagina’s en de depreciërende kwalificaties aan het adres van Hayek waren door de eindredactie suggestief als ‘vullertjes’ over de tekst gestrooid: Koude Oorlog-hitser, marktfundamentalist, hysterische staatshater, wereldvreemde betweter. En natuurlijk eindigde het met de goedkeurende imprimatur van onze Filosoof des Vaderlands, Hans Achterhuis, die een glanzende academische carrière heeft gebouwd op de half verteerde resten van andermans werk (in dit geval van Richard Cockett (1995), Mark Blyth (2002) en Phil Mirowksi (2009)) en Hayek fijntjes een 'gevaarlijke, wereldvreemde denker’ mocht noemen. Alsof het om Anders Breivik ging.
Nu ken ik het werk van Hayek toevallig vrij aardig en had ik bij lezing steeds die onaangename jeuk die vertelde dat het helemaal niet over mijn held ging. Friedrich Hayek behoorde namelijk met Ludwig Wittgenstein, Karl Popper, Ludwig von Mises, Joseph Schumpeter, Karl en Michael Polanyi, Otto Neurath en de veel te vroeg overleden Walter Rathenau tot de gegoede, intellectuele burgerij van een Midden-Europa dat sinds de Eerste Wereldoorlog het toneel is geweest van een strijd op leven en dood tussen twee totalitaire ideologieën - het op ras gebaseerde nationaal-socialisme en het op klasse gebaseerde socialisme - die de klassiek liberale burgerlijke wereld waaruit zij stamden met de grond gelijk heeft gemaakt. Die ervaring heeft Hayek en de zijnen tot op het bot getraumatiseerd - als zij er al niet aan onderdoor zijn gegaan - en hun denken ten diepste gevormd.
Bij Hayek resulteerde dat in een welhaast fysieke afkeer van iedere heilsleer die het bureaucratische staatsapparaat als voornaamste voertuig zag voor het realiseren van haar utopie. Hayek en de zijnen hadden namelijk aan den lijve ondervonden dat de weg naar de hel geplaveid is met rozen en geconcludeerd dat geen enkele omelet het breken van welk ei ook rechtvaardigt. Vriend en landgenoot Karl Popper zag dan ook negatief utilitarisme, of het wegnemen van zo veel mogelijk lijden, als een betere vuistregel voor de staat dan het maximaliseren van geluk van Bentham. De Poolse migrant en generatiegenoot Isaiah Berlin stelde negatieve vrijheid (vrijheid van…) uitdrukkelijk boven positieve (vrijheid om…). Terwijl Hayek in The Constitution of Liberty de gepassioneerde voorvechter werd van de rechtsstaat en de daarin verankerde grondrechten die burgers en ingezetenen beschermen tegen de willekeur van de moderne staat.
Wie tot zich door laat dringen dat op bevel van diezelfde staat tussen 1932 en 1945 rond de zestig à zeventig miljoen mensen zijn vermoord, kijkt met andere ogen naar de felheid waarmee Hayek zich in The Road to Serfdom teweerstelde tegen de blauwdruk voor de naoorlogse Britse verzorgingsstaat die Lord Beveridge in 1942 publiceerde. Natuurlijk vergeleek hij Beveridge met Hitler, en het socialisme met het nationaal-socialisme. Als vertegenwoordiger van een burgerlijk, vooroorlogs, klassiek liberalisme probeerde hij met dit soort retoriek aansluiting te vinden bij een politieke elite die tenminste zijn afkeer deelde van het barbaarse programma dat de Duitse staat onder leiding van Hitler op het Europese continent aan het uitvoeren was.
Maar de kritiek van Hayek op maatschappelijke maakbaarheid en utopische heilsverwachtingen ging dieper dan louter persoonlijke ervaringen met staatsterrorisme. Met Popper, Wittgenstein en Michael Polanyi was hij zich namelijk terdege bewust van de beperkingen van het menselijke kenvermogen. Wij weten niet wat we willen, knutselen aan gelegenheidsoplossingen, vertrouwen op intuïties en emoties, ontdekken al doende waar we naartoe gaan en passen voortdurend onze percepties en oordelen aan een constant veranderende wereld aan - oftewel, we kutten een eind in de ruimte.
Hayek was er ten diepste van overtuigd dat elke sociaalwetenschappelijke theorie die is gebaseerd op de aanname van menselijke rationaliteit op z'n best flauwekul en op z'n slechtst een perfide ideologie oplevert. Hayek verfoeide het Franse en Duitse verlichtingsdenken, voelde zich al beter thuis bij de Schotse Verlichting maar paste eigenlijk het best bij conservatieven als Edmund Burke en Michael Oakeshott. Wie Hayek en de rationalist Milton Friedman in een adem noemt, zoals Haegens en Achterhuis doen, weet niet waar hij het over heeft. Voor Hayek is de markt een middel om die o zo gevaarlijke staat aan banden te leggen, niet een doel op zichzelf. Dat is onverminderd actueel. Vraag maar aan de Irakezen.