50 jaar Afrika Bevolkingsgroei gaat te hard

Even geen baby’s

In 1960 was er nog maar één miljoenenstad in Afrika, nu zijn er tientallen. De urbanisatie gaat te snel, de bevolking groeit in recordtempo. Naar verhouding is Mali dichter bevolkt dan Nederland. Waar moeten al die nieuwe mensen werken?

WIE OP EEN VROEGE ochtend Point-G beklimt, het uitkijkpunt aan de noordzijde van Mali’s hoofdstad Bamako, ziet onder zich een enorme maar bijna slaperige stad. De structuur doet weliswaar wat rommelig aan, en de huizen strekken zich uit tot aan de horizon, toch oogt de stad senang. De centrale avenues zien er rustig uit in al hun breedte, de voetbalveldjes zijn verlaten, de Niger snijdt als een blauwe ader van west naar oost dwars door de stad.
Maar rond acht uur ontwaakt Bamako. De inwoners komen in beweging. Ze starten hun auto’s en klimmen op hun scooters. In zestig minuten verandert het idyllische uitzicht vanaf Point-G in een ondoordringbare grijze wolk van smog, zelfs op de helderste, gortdroge dagen.
Het is onmogelijk je voor te stellen dat Bamako honderd jaar geleden nog slechts een vissersdorpje was met drieduizend inwoners. Binnen een eeuw tijd vervijfhonderdvoudigde het inwonertal tot anderhalf miljoen. De komende vijftien jaar komen daar nog eens anderhalf miljoen mensen bij. Niet gek dus dat de randen van de stad bezaaid zijn met cementwinkels en Afrikaanse versies van doe-het-zelf-zaken.
Bamako is een extreem voorbeeld, maar de stad is exemplarisch voor de buitensporige bevolkingsgroei en explosieve verstedelijking die de afgelopen halve eeuw zo sterk hun stempel drukten op het continent. Eind vorig jaar kwam de miljardste Afrikaan ter wereld. Het betekende een verdrievoudiging van de bevolking op het werelddeel sinds de grootschalige dekolonisatie in de jaren zestig van de vorige eeuw - een periode waarin ‘slechts’ een verdubbeling van de wereldbevolking optrad.
In de afgelopen halve eeuw nam het gezamenlijke inwonertal van Afrikaanse hoofdsteden zelfs nog sneller toe. De populatie in deze metropolen steeg in die periode met een factor veertien. In 1960 was in heel sub-Sahara Afrika nog slechts één miljoenenstad te vinden: Johannesburg in Zuid-Afrika. Vandaag de dag zijn West-Afrikaanse steden als Bamako, maar ook Ouagadougou in Burkina Faso, Abidjan in Ivoorkust, Dakar in Senegal en Accra in Ghana tot ruim over de één miljoen inwoners gegroeid. Het Nigeriaanse Lagos behoort met de huidige vijftien miljoen inwoners zelfs tot de tien grootste steden ter wereld. En Nouakchott in Mauretanië overschreed onlangs eveneens de magische grens van één miljoen inwoners. Die stad bestond voor 1960 nog helemaal niet. In zuidelijk Afrika en langs de oostkust van het continent is de explosieve opmars van miljoenensteden niet minder snel gegaan. Lusaka in Zambia, Dar es Salaam in Tanzania, Luanda in Angola, Addis Abeba in Ethiopië en Kinshasa in de Democratische Republiek Congo zijn slechts enkele voorbeelden.
De Afrikaanse bevolkingsgroei en urbanisatie gaan te snel, daarover zijn demografische experts het wel eens. Het probleem waar Afrika voor staat, is echter volledig nieuw. Nergens ter wereld groeide een bevolking ooit zo snel als in sub-Sahara Afrika. In Mali neemt de bevolking jaarlijks met ruim drie procent toe. In Liberia en Benin zelfs met meer dan vier procent. Niger en Oeganda volgen op de voet, net als Burkina Faso, Gambia en Angola. De bevolking in nagenoeg elk ander Afrikaans land groeit met meer dan twee procent per jaar. Het is het resultaat van de disbalans tussen de dalende kindersterfte en toenemende levensverwachting de laatste decennia, en het daarentegen niet afnemende Afrikaanse geboortecijfer. Nog altijd krijgen vrouwen in Niger gemiddeld zes tot zeven kinderen. In de meeste landen van de Sahel, de strook land net onder de Sahara-woestijn, schommelt het gemiddelde kindertal per vrouw tussen de vijf en zes. Bijna nergens in sub-Sahara Afrika is het lager dan vier. Een vrouw heeft pas echt goed werk geleverd als ze twintig kinderen heeft gebaard, zeggen veel mensen op het platteland van Mali zonder een spoortje ironie.
Veel Afrikanen zelf zien bevolkingsgroei als een positief fenomeen. Nog niet zo lang geleden was Afrika immers een zeer dunbevolkt gebied. In 1850 woonden op het werelddeel maar 110 miljoen mensen. Ook liet het trauma van slavernij diepe sporen na. De grootschalige uitvoer van slaven tussen de zeventiende en negentiende eeuw betekende in Afrika een kaalslag van de destijds toch al niet overvloedig aanwezige arbeidskracht. Veel Afrikaanse leiders associëren een grote populatie en de controle over zo veel mogelijk mensen daarom nog altijd met macht. Volgens de Wereldbank bestempelen Afrikaanse politici de oproep tot geboortebeperking dan ook regelmatig als ongewenst neokoloniaal imperialisme vanuit het Westen.
Toch is geboortebeperking een vereiste, wil Afrika ooit aan de greep van de armoede ontsnappen. Als er niets verandert, telt Afrika volgens prognoses van de Verenigde Naties over veertig jaar al bijna twee miljard inwoners. In landen als Niger, Mali en Liberia verdubbelt het inwonertal volgens die voorspellingen zelfs bijna elke twintig jaar. Per maand komen er in zo'n scenario tot 2050 elke maand gemiddeld zo'n anderhalf miljoen mensen bij in Afrika, zelfs als migratie in ogenschouw wordt genomen. Ook eventuele epidemieën als hiv/aids zullen de groei niet temperen, denkt de Wereldbank.
Onverbeterlijke optimisten menen dat Afrika een dergelijke groei best aankan. Het continent is immers relatief gezien nog leeg. Afrika omvat een vijfde van het wereldwijde landoppervlak en herbergt nog altijd slechts dertien procent van de wereldbevolking. Europa is dichter bevolkt. Zij vergeten dat de Afrikaanse grond een stuk minder vruchtbaar is dan in Europa, grote delen van Azië en de Amerika’s. Schijn bedriegt daardoor. In Mali bedraagt de bevolkingsdichtheid momenteel bijvoorbeeld slechts elf mensen per vierkante kilometer. Dat aantal stijgt tot 276 als we in ogenschouw nemen welk deel van het land geschikt is voor landbouw. Dit getal zal volgens prognoses van de Wereldbank in 2035 zijn gestegen tot 568, hoger dan de Nederlandse bevolkingsdichtheid van bijna vijfhonderd mensen per vierkante kilometer. Een nog extremer voorbeeld is Mauretanië, het West-Afrikaanse Sahara-land dat voor 99 procent bestaat uit dorre woestijn waarop nooit iets zal groeien. Officieel mag de bevolkingsdichtheid slechts drie mensen per vierkante kilometer zijn, in werkelijkheid leven in Mauritanië nu al 529 mensen per vierkante kilometer vruchtbare grond. Het land moet dan ook zeventig procent van zijn graan importeren.
Tel daar nog eens bij op dat Afrikaanse boeren bijna nooit beschikken over de moderne hulpmiddelen die de productie op akkers van hun westerse collega’s danig verhogen, en je kunt niet anders dan concluderen dat Afrika bomvol is. Het continent barst uit zijn voegen. En zolang het geboortecijfer niet daalt en de gezondheidszorg verbetert, blijft het probleem van de overbevolking sneller groeien. Het is een duivels dilemma, dat in werkelijkheid nooit een dilemma mag zijn, en daardoor des te moeilijker is op te lossen: het is ieders humanitaire plicht mensenlevens te redden en de levensomstandigheden in Afrika te verbeteren, maar juist daardoor verhevigt zich het probleem van de overbevolking, iets wat op termijn tot nog veel grotere humanitaire problemen op het continent zou kunnen leiden.

EEN BELANGRIJK risico van de snel toenemende Afrikaanse overbevolking is de uitputting van het land en de daarmee gepaard gaande verwoestijning van het continent. Die kan op den duur tot hongersnood leiden. Een tweede gevaar is de toenemende waarschijnlijkheid van gewapende conflicten tussen bevolkingsgroepen, die noodgedwongen in elkaars territorium verzeild raken doordat zij hun eigen leefgebied zijn ontgroeid. In Niger en Mali komen nomadenvolken en boerenpopulaties nu al regelmatig met elkaar in conflict. De nomaden zakken door verwoestijning van de savanne onder de Sahara steeds verder met hun vee af naar het zuiden. Zij ontmoeten daar boerenpopulaties die juist ten noorden van hun traditionele leefgebied nieuwe akkers zoeken om de uitdijende plattelandsbevolking van nieuwe landbouwgrond te voorzien. De strook land waarover beide partijen strijden, is minder vruchtbaar dan de akkers in het zuiden van de Sahel. De weiden zijn gevoelig voor overbegrazing en zijn snel te zwaar belast.
Zelfs als er dus al een vredige verdeling van de landbouwgrond plaats zou kunnen vinden, is het risico van overbelasting van het land reëel. De daaruit resulterende bodemerosie geeft de Sahara weer vrij spel zich verder uit te breiden, om zo nomaden en boeren in de Sahel nog dichter op elkaars lip te drukken. De met de bevolkingsgroei structureel toenemende vraag naar brandhout gaat bovendien al decennialang ten koste van de bossen in het zuiden van de Sahel-regio, wat de voortschrijdende verwoestijning nog meer in de kaart speelt. Vooral in combinatie met langere periodes van droogte, als gevolg van klimaatverandering, is de uitputting van de landbouwgrond een rampzalige ontwikkeling.
Dat het probleem van overbevolking nooit de aandacht heeft gekregen die het verdient, komt doordat de betreffende burgeroorlogen vaak ten onrechte zijn afgedaan als etnische conflicten. Het probleem van overbevolking is vaak de achterliggende oorzaak en niet de directe aanleiding. Een goed voorbeeld van de onderhuidse, moeilijk zichtbare invloed van overbevolking op de relaties tussen verschillende bevolkingsgroepen is Rwanda. De grootschalige mensenslachting in dat piepkleine landje in centraal Afrika, die halverwege de jaren negentig tot een climax kwam, is vaak bestempeld als een etnisch conflict. De Rwandese genocide had echter zijn kiem in een te snelle bevolkingsgroei een halve eeuw eerder. Onder anderen ’s werelds beroemdste Afrika-correspondent Ryszard Kapuscinski heeft gewezen op de rol die overbevolking speelde in het conflict dat zich over ruim een halve eeuw uitstrekte en alleen al in 1994 de levens van bijna één miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s kostte.
Kapuscinski heeft beschreven hoe in Rwanda aan het begin van de twintigste eeuw, in tegenstelling tot de meeste Afrikaanse landen, maar één stam woonde: de Banyawanda. Deze stam was opgedeeld in drie kasten: de Tutsi-nomaden waren veehouders, de overweldigende Hutu-meerderheid was landbouwer en een zeer kleine groep knechten en dagloners heette de Twa. De Tutsi-minderheid leverde tot de jaren vijftig van de vorige eeuw de koning van het land en was de heersende kaste. De Tutsi’s waren de leenheren van de Hutu’s, die in een feodaal stelsel land pachtten in ruil voor een deel van de oogst. Het was een zeer ongelijk systeem, maar het functioneerde eeuwenlang in relatieve vrede. Tot de bevolking halverwege de twintigste eeuw explosief ging groeien. De Tutsi’s hadden steeds meer weidegrond nodig voor hun uitdijende kuddes koeien en konden in het kleine, bergachtige Rwanda alleen extra land vergaren door het af te pakken van hun Hutu-vazallen. Doordat echter ook het aantal Hutu’s in recordtempo toenam, leefden deze landbouwers al geruime tijd zelf ook krap. Ze konden het zich niet veroorloven land kwijt te raken.
Het was dus simpelweg een geschil over grond, stelt Kapuscinski, dat het fundament legde voor de groeiende animositeit tussen de twee snel groeiende bevolkingsgroepen. Het was deze ontkiemende vijandigheid die de Belgische kolonisator in de jaren vijftig onder Hutu’s verder voedde, door verschillende bloederige conflicten tussen Hutu’s en Tutsi’s in de decennia daarop verhardde en, ten slotte, door Hutu-dictator Juvénal Habyarimana begin jaren negentig van een politieke component werd voorzien. Het zou als geheel, na de dood van Habyarimana in 1994, resulteren in de grootste mensenslachting van de moderne tijd.
Ook historicus en journalist Martin Meredith heeft uitgebreid gewezen op de problematische overbevolking van Rwanda in de tweede helft van de vorige eeuw. De bevolkingsdichtheid nam volgens hem in Rwanda toe van 110 mensen per vierkante kilometer in 1950 tot maar liefst 420 in 1990. In het noorden, het hart van het Hutu-extremisme, woonden volgens Meredith op sommige plekken zelfs meer dan achthonderd mensen per vierkante kilometer. De bevolking van Rwanda groeide tussen 1940 en 1990 van twee naar zeven miljoen. Ook Meredith stipt aan dat er simpelweg te weinig landbouwgrond voorhanden was om al die mensen van eten en van een inkomen te voorzien.
Het is niet uitgesloten dat de huidige spanningen tussen nomaden en boeren in de Sahel op den duur vergelijkbare gevolgen zullen hebben. Ook daar is de kiem voor gewapende conflicten aanwezig, nu landbouwgrond relatief snel schaarser wordt als gevolg van de ongeëvenaarde bevolkingsgroei. Ook in de Sahel leven langzamerhand, net als in het Rwanda van de jaren vijftig, te veel mensen voor het aantal vierkante kilometers bebouwbare grond. En schaarste is een slechte waarborg voor vrede.

DE PROBLEMEN en onderlinge agressie die overbevolking met zich meebrengt, beperken zich niet tot het Afrikaanse platteland en evenmin tot Afrika’s armste landen in de laagste regionen van de ontwikkelingsindex. Ook in de steden van het relatief rijke Zuid-Afrika braken twee jaar geleden bloederige rellen uit die ontegenzeggelijk voortkwamen uit de overbevolking van die steden. In mei 2008 gingen in townships van Johannesburg knokploegen van arme Zuid-Afrikanen op zoek naar buitenlanders in hun wijken. De immigranten moesten weg. Vijf miljoen illegalen zouden op dat moment in Zuid-Afrika leven, het merendeel vluchtelingen uit buurland Zimbabwe. De Zuid-Afrikaanse townshipbewoners accepteerden niet langer, zeiden ze, dat buitenlanders hun banen, hun vrouwen en zelfs hun huizen inpikten. Wie geen Zulu verstond of kon spreken, de taal van de meeste Zuid-Afrikaanse townshipbewoners, werd in elkaar geslagen of uit zijn huis verjaagd - als hij geluk had. Anderen werden met ijzerdraad om de keel rondgesleurd, met messteken om het leven gebracht of doodgeschoten. Een man uit Mozambique werd levend verbrand. Minstens zestig mensen vonden de dood. Onder hen ook een behoorlijk aantal Zuid-Afrikanen. De explosieve woede had niet alleen blind gemaakt, maar ook doof voor de Zulu-taal.
Het hoeft nauwelijks te verbazen dat de vlam in de pan sloeg in de township Alexandra, in het noorden van Johannesburg. Alexandra is de dichtstbevolkte sloppenwijk van de stad. Haar inwonertal was na de afschaffing van apartheid in 1994 in veertien jaar tijd verdubbeld. Ruim een half miljoen mensen leefden er in 2008 op slechts 2,5 vierkante kilometer. Tijdens een buurtbijeenkomst was de bewoners verteld dat corrupte ambtenaren illegale immigranten uit Zimbabwe, tegen een geldelijke vergoeding, voorrang boden bij de toewijzing van nieuwe, door de overheid gefinancierde huizen. Waar of niet, het was de druppel die het propvolle Alexandra deed overlopen. Het xenofobische geweld sloeg gemakkelijk over naar andere wijken in Johannesburg en naar andere Zuid-Afrikaanse steden, omdat daar eveneens sprake was van overbevolkte townships, met alle werkloosheid, te krappe behuizing en groeiende frustratie van dien. Ook Afrika’s rijkste en meest gemoderniseerde stad bleek dus niet bestand tegen een te snelle bevolkingsgroei.

JE VRAAGT JE in dat licht af wat er van Bamako moet worden als het inwonertal van die stad, die sinds de jaren zestig al dertien keer in omvang toenaam, nog een keer verdubbelt de komende vijftien jaar. Weliswaar is rondom de stad genoeg lege ruimte om huizen te bouwen en treft haar dus niet hetzelfde lot als Johannesburg, waar mensen met de groei van de stad steeds meer hutje-mutje moesten gaan wonen. Maar wat gaan al die mensen er doen? De werkloosheid is er al zo hoog. Ligt niet ook in Bamako het gevaar van xenofobie op de loer? Misschien niet ten opzichte van mensen uit een ander land, maar van Maliërs onderling, tussen hen die al langer in Bamako wonen en de boerenbevolking die nu pas naar de grote stad trekt? Waar moeten al die nieuwe mensen werken? Kan de lucht nog eens twee keer zo veel uitlaatgassen aan? Is de Niger bestand tegen alle extra vissers en een verdubbeling van de vervuiling? Het valt te betwijfelen.
De tijd begint te dringen voor Afrika. Geboortebeperking moet prioriteit krijgen. Anticonceptiepillen moeten op grotere schaal over het continent gratis worden verstrekt. Seksuele voorlichting zou zich niet alleen moeten richten op de strijd tegen hiv/aids, maar ook op het voorkomen van ongewenste zwangerschappen. Ontwikkelingsgeld moet misschien zelfs worden gekoppeld aan de mate waarin lokale overheden projecten opzetten die erop zijn gericht de bevolkingsgroei een halt toe te roepen. Ouderen in Afrika moeten beter worden opgevangen, zodat het hebben van veel kinderen niet meer de enige oudedagsvoorziening is.
Afrikaanse leiders moeten het probleem van overbevolking serieus gaan nemen. Doen zij dat niet, dan is alle armoedebestrijding, alle ontwikkelingshulp en zelfs alle economische groei water naar de zee dragen. Want er hoeft geen twijfel over te bestaan: nog eens twee keer zo veel Afrikanen in veertig jaar past simpelweg niet. Vol is vol. Eén blik op de spits van Bamako is voldoende om daarvan overtuigd te raken.