M.J. Brusseprijs

Even onmogelijk te ademen

Ton Koene’s Afghanistan ongecensureerd is genomineerd voor de M.J. Brusse­prijs voor het beste journalistieke boek. Verderop de andere vijf boeken op de short list.

In een kazerne in Uruzgan zit een Afghaanse soldaat in kleermakerszit op de grond. Hij heeft borstelige wenkbrauwen, gladgeschoren wangen en een vlassig snorretje; hij draagt een camouflagepak en een groene baret. Zijn linker­elleboog leunt op zijn linkerknie, tegen zijn linkerhand rust zijn hoofd, en de nagels van die hand zijn rood gelakt. Met houtskool heeft hij zwarte lijnen rond zijn ogen getrokken. De soldaat blikt dromerig opzij, om zijn glanzende lippen speelt een voorzichtige glimlach.

Volgens Ton Koene, de Nederlandse fotojournalist die de militair ergens in 2010 of 2011 fotografeerde, is het ‘de gewoonste zaak om je als Afghaanse man op te maken’. Westerse ogen blijven echter hangen op het beeld, dat niet lijkt te kloppen: een macho met make-up? In een land waar, zoals Koene zelf schrijft, ‘homoseksualiteit een groot taboe is’? Blijkbaar kan het, want: ‘Jezelf opmaken als man wordt in Afghanistan niet geassocieerd met homoseksualiteit.’

In 2010 en 2011 reisde Koene als freelance fotograaf samen met een journalist door Afghanistan; twee keer embedded, mee met het Nederlandse leger, maar de rest van de tijd alleen, ‘zonder militairen of andere gewapende bescherming’. Vandaar de titel van het lijvige boek waarin zijn foto’s, waaronder die van de soldaat met oogpotlood, nu zijn verzameld: Afghanistan ongecensureerd.

De oorlog – bevrijdingsmissie, wederopbouw­missie, whatever – in Afghanistan is ruim tien jaar aan de gang en heeft tienduizenden slachtoffers geëist, niet alleen onder westerse militairen en strijders van Taliban en al-Qaeda maar ook onder de Afghaanse burgerbevolking. De strijd is onevenwichtig en rommelig: door westerlingen getrainde burgerwachten die de bevolking tegen de Taliban zouden moeten beschermen, gedragen zich als maffiabendes; Afghaanse politierekruten die door Duitse trainers worden opgeleid oefenen met houten geweren, want ze zouden zomaar Taliban-infiltranten kunnen zijn. In Koene’s boek krijgen alle kampen in het conflict – burgers, de westerse troepen, het Afghaanse leger, de Afghaanse politie, de burgerwachten en de Taliban – een gezicht, een uitdrukking, kleding en soms make-up: het maakt het er niet simpeler op, maar wel inzichtelijker.

Afghanistan ongecensureerd gaat desondanks over meer dan vechtende mannen alleen: naast Kamp Holland en andere kazernes komen ook markten, boerkawinkels, moskeeën, slecht begaanbare wegen, scholen voor meisjes, cafés voor mannen, papavervelden, uitgedroogde landschappen en ziekenhuizen aan bod. Koene schiet scherp en in kleur, en soms voelt Afghanistan ongecensureerd bijna als een reisgids, vooral in combinatie met de onderschriften, waar keurig in wordt uitgelegd wat je op de foto ernaast of erboven ziet. Het boek is encyclopedisch in ambitie: Koene is als een antropoloog die iedere dimensie van het Afghaanse leven met evenveel aandacht in beeld wil brengen.

Een fotoboek leent zich voor zo’n doel natuurlijk veel beter dan een reportage in de krant of een tentoonstelling in een galerie. Portretten van Afghaanse politieagenten-in-wording, die tot de sterkste beelden van het boek behoren, worden gevolgd door het straatbeeld van Kunduz-stad, waar het verkeer chaotisch is en een agent een plukje vrouwen helpt oversteken. Zijn pet is wit, zijn jas zeker drie maten te groot, en het roodomrande verkeersbordje in zijn linkerhand, waar in witte letters ‘STOP POLICE’ op staat, heeft iets hopeloos aandoenlijks. Op de volgende foto loopt een vrouw in een witte boerka voor de Blauwe Moskee in Mazar-e-Sharif langs. Duiven stuiven rondom haar op, en haar opwaaiende rok geeft een stevige zwarte laars prijs, vol modder.

In een revalidatiecentrum voor landmijn­slachtoffers in Kaboel staan twee blauwe, houten kastjes, met elk twee planken die de kast niet horizontaal, maar verticaal in vakken verdelen. In elk vak – zes in totaal – staan steeds twee of drie protheses: plastic knieën, kuiten en voeten. Aan sommige voeten zitten schoenen – witte sneakers, zwarte leren loafers, wandel­sandalen. Sommige beentjes zijn heel kort, sommige schoentjes heel klein – nog steeds raken in Afghanistan mensen gewond door exploderende landmijnen of bermbommen, en meer dan de helft van de slachtoffers is jonger dan achttien jaar.

In Helmand geeft een man – een arts? – een pasgeboren baby de fles. Zijn rechterhand – trouwring, nagels met rouwranden – ondersteunt het kleine hoofdje. Het haar van de baby is vochtig, de huid klam, en het gezicht is dat van een oud mannetje: vol rimpels en groeven, smal en ingevallen, uitgeput. Daaronder: een uitgemergelde minitorso, een knokig schoudertje, een armpje dat niet veel dikker is dan de vingers van de arts. ‘Eén op de vier kinderen in Afghanistan overlijdt voor het vijfde levensjaar’, meldt het onderschrift zakelijk. ‘De voornaamste redenen voor de hoge kindersterfte zijn voedsel­tekorten en slechte gezondheidszorg.’

Van westerlingen wordt vaak gezegd dat we inmiddels immuun zouden zijn voor het lijden van anderen: dat we zo veelvuldig met beelden van gewonde, uitgehongerde en verminkte kinderen zijn overspoeld dat het ons niets meer doet, dat we afgestompt zijn geraakt. En als ze ons al wat doen, die foto’s, dan is dat volgens critici vaak het verkeerde: ‘Narratives can make us understand. Photographs do something else: they haunt us’, schreef de immer stellige Susan Sontag in het vlak voor haar dood gepubliceerde Regarding the Pain of Others. Foto’s vertellen ons niets, leren ons niets en zetten ons niet aan tot actie, aldus haar – door velen herhaalde – kritiek. ‘Photography may function most directly to achieve what it ought to have stifled – atrocity’s normalization’, schreef Barbie ­Zelizer in Remembering to Forget, haar boek over holocaustfoto’s. Fotografie maakt gruwelijkheid normaal.

Maar hoe aannemelijk dat vaak herhaalde verwijt aan het adres van fotografie ook klinkt, de ervaring spreekt het elke keer tegen. Het went namelijk nooit, een baby die eruitziet als een bejaarde, een peuter met protheses. En is begrip, verstand, werkelijk zo veel beter dan emotie? Iemand kan me erover vertellen, ik kan de statistieken lezen in de krant, maar alleen een foto maakt het even onmogelijk om te ademen. Of ik het begrijp? Weet ik niet – valt zoiets te begrijpen?

Het is één ding om zo’n foto tegen te komen in een krant, iets anders om erlangs te bladeren in een boek, waar verder nog foto’s van sportende jonge mannen, winkelende vrouwen of schoolgaande meisjes in zijn opgenomen. Afghanistan ongecensureerd geeft een breder, gelaagder portret van Afghanistan dan uit journaalbeelden en Hollywoodfilms naar voren komt: een alledaags Afghanistan, met waterpijpen en trouwjurken en bermbommen en bedelaars. Tot die alledaagsheid behoren kennelijk ook uit­gehongerde baby’s, kleuters zonder ledematen en opgemaakte militairen. Alledaags, maar niet normaal: Afghanistan ongecensureerd is tegelijk inzichtelijk en vervreemdend, leerzaam en onbegrijpelijk. Gewoon en absurd, net als het conflict zelf eigenlijk, dat nu al zo lang voortsleept en dat, zo suggereert Koene, met het geplande vertrek van de westerse troepen nog lang niet voorbij zal zijn.

Ton Koene. _Afghanistan ongecensureerd. _Lemniscaat, 221 blz., € 29,50