Even over ‘wereldmuziek’

Sinds jaren werd tijdens het Amsterdam Roots Festival weer eens gereflecteerd op theorie en praktijk van dat onmogelijke begrip: wereldmuziek. Goed. Maar waar is die muziek intussen gebleven?

Op initiatief van Trouw-journalist en wereldmuziekpionier Stan Rijven had het Amsterdam Roots Festival in het Oosterpark een besloten «expertmeeting» in het programma opgenomen. Het Soeterijntheater, gevuld met de usual suspects van de wereld muziek in Nederland, bood een geanimeerd tafereel waarbij een opmerkelijk positieve grondtoon viel waar te nemen.

Na de rituele opsomming van wat er allemaal niet deugt aan de term «wereldmuziek» was men het er snel over eens dat er veel ten goede is veranderd. Sterker nog, hier en daar klonk de suggestie om de onvrede met «wereldmuziek» als stijlbenaming voortaan maar aan de buitenwacht te laten, aangezien die vermaledijde term op een praktisch niveau wel degelijk functioneert als onderscheidende categorie van de gebruikelijke genres: klassiek, pop en jazz. Het is een containerbegrip, misschien zelfs een denigrerende restcategorie van de blanke man, maar desondanks weten liefhebbers de beoogde muziek wél te vinden.

Zo zijn er met alle Cubaanse senioren en Portugese fadistas de laatste jaren nogal wat succesverhalen te noteren. Er is een circuit van wereldmuziekfestivals (bescheiden vergeleken met onze zuiderburen) en ook binnen de programmering van menige theaterzaal vormt wereldmuziek inmiddels een vanzelfsprekend onderdeel. Dat is logisch als je bedenkt dat dezelfde bevolkingsgroep die de literatuur en het theater in Nederland overeind houdt (de hoog opgeleide, goed verdienende vrouw van dertig jaar en ouder) graag met enige regelmaat van niet-westerse muziek geniet. Het positieve advies van de Raad van Cultuur aan een Rotterdams Wereldmuziekcentrum-in-oprichting kan worden gezien als de klinkende bekroning van een jarenlange emancipatiestrijd, ter heil en glorie van de wereldmuzikant en zijn groeiende publiek.

In de expertmeeting liet de Amerikaanse platenmaatschappij Putumayo bij monde van adjunct-directeur Jacob Edgar door middel van een strak gecomponeerd marketing verhaal zien hoe een bevlogen Californische ex-hippie (Dan Storper, oprichter van Putumayo) nu wereldwijd talloze wereldmuziek- verzamel-cd’s verkoopt. Het promotieverhaal ging er bij de meeste deskundigen in als zoete koek, op wat gesputter van een enkeling en het oorverdovende zwijgen van de verbijsterde puristen na. Twaalf jaar geleden zou de man verketterd zijn. Nu vroeg men belangstellend naar het fijne van de Putumayo way of marketing.

Interessanter was de lezing van de Brits-Ghanese John Collins, hoogleraar etnomusicologie aan de universiteit van Ghana, tevens begenadigd gitarist van de Ghanese highlife-stijl. Deze innemende en bedachtzaam formulerende Brit, waarschijnlijk de enige academicus ter wereld die samen met de Nigeriaanse ster Fela Anikulapo Kuti heeft gemusiceerd, bergt een hoeveelheid anekdotes waar boekdelen mee te vullen zijn. Als zoon van de man die de filosofiefaculteit van Ghana heeft opgericht bracht Collins onlangs een esoterisch ogend boek uit, African Musical Symbolism in Contemporary Perspective: Roots, Rhythms and Relativity, waarin hij een brug probeert te slaan tussen oude Afrikaanse filosofische vergezichten en recente ontwikkelingen binnen de exacte wetenschap van het Westen. Het is niet aan mij om te beoordelen in hoeverre die poging is geslaagd, maar het boek bevat veel rake observaties. Vooral over de mate waarin in het Westen de muziekbeleving letterlijk is losgezongen van het lichaam – en wat men daarmee is kwijtgeraakt.

De causerie van Collins had niets meer van het verongelijkte toontje van de wereld muziekpuristen van weleer. Collins kwam zo waar zelfs met goed nieuws uit Ghana: het groeiende toerisme genereert dringend ge wenste geldstromen. Voor de muziekliefhebber is het echter slikken, want tachtig procent van de Ghanese muziek bestaat tegenwoordig uit bleek klinkende gospels, en door gemarchandeer met auteursrecht dreigt de absurde situatie te ontstaan dat Ghanese muzikanten die Ghanese traditionals willen spelen hiervoor moeten gaan betalen. Er is een wet in voorbereiding die dat moet tegengaan, maar vooralsnog is de uitkomst ongewis.

Zijn we dan echt klaar, is het volbracht? De zelfgenoegzame toon van de bijeenkomst komt niet overeen met de mate waarin alle ons omringende landen Nederland voorbijstreven met radio- en televisieprogramma’s, magazi nes en festivals. De Nederlandse publieke omroep blijft verstoken van charismatische, breed geïnformeerde presentatoren als Andy Kershaw, Lucy Durán of Zjakki Willems – laat staan van een programma als Later with Jools Holland, waarin de Malinese Tamashek van Tinariwen naast actuele popsterren worden gepresenteerd. Zonder voor de zoveelste keer een lamentatie over die altijd maar superieur veronderstelde BBC te willen inzetten: waar zijn de Nederlandse programmamakers die met een spraakmakend programma als Andy Kershaw in the Axis of Evil komen? Wie Britse bladen als fROOTS, Songlines en Straight, No Chaser leest komt steeds opnieuw onder de bekoring van een permanente, enerverende exploratiedrift naar ongekende klanksensaties.

Natuurlijk, de Britten hebben een ongeëvenaard talent voor de hyperbool en de hype, de twee bestaansvoorwaarden van hun popmuziek, om maar te zwijgen over de dubieuze dwarsverbanden tussen hun wereldmuziek industrie en de journalistiek. Bij het bijhouden van Britse deskundigen (eerder bevlogen journalisten met woestijnzand in de schoenen dan kamergeleerden die teren op een veldopname van twintig jaar geleden) krijg je een gevoel van urgentie dat je wel eens mist in de Nederlandse journalistiek.

NRC Handelsblad (18 juni) laat een gezaghebbend jazzcriticus, die liefdevol en mee slepend schrijft over iconen als Bill Evans, Eric Dolphy en Albert Ayler, zichzelf keer op keer belachelijk maken met denigrerende karakteriseringen van dit kaliber: «Op de jubileum-cd ¡Estamos Gozando! blijkt in elk geval één verschil met (…) gewone salsa: het dominante blaasinstrument is niet de trompet maar de trombone. Voor de rest zal het de meeste luisteraars een zorg zijn zolang er maar uitbundig gedanst kan worden, van plena en bomba en hela hola.» Plena en bomba zijn Portoricaanse genres met een rijke cultuurgeschiedenis en actuele relevantie.

Afgezien van de missers van NRC Handelsblad heeft het me altijd verbaasd dat onder jonge Nederlanders met onze immense koloniale erfenis nauwelijks interesse bestaat voor de muziek van die voormalige rijksdelen. Waarom heeft nog niet één Nederlandse house deejay – toch exportproduct nummer 1 op populair muziekgebied – zich creatief gestort op de repeterende motieven van de Javaanse gamelan? Waarom blijft de opzwepende Surinaamse kaseko en kawina voorbehouden aan Surinaamse bands, terwijl Nederlandse muzikanten op zoek naar bruikbare grooves maar door blijven gaan met het opdelven van belegen Noord-Amerikaanse funk? En hoe kan het dat in de jaren tachtig bijna alle grote Afrikaanse toporkesten, van King Sunny Adé en Fela Anikulapo Kuti tot Franco en Tabu Ley Rochereau, jaarlijks op de Nederlandse podia te genieten waren, en dat zij nu volkomen van de aardbodem verdwenen lijken? Goed, het Senegalese latinorkest Orchestre Baobab groeide uit tot de grootste Afrikaanse hit van de afgelopen jaren, maar dat kon alleen gebeuren doordat Henk Westbroek als populaire radiojockey het vliegwiel bleef aanzwengelen.

Hoewel het even leek alsof de salsa zou uitgroeien tot een bloeiende subcultuur vormt zij inmiddels weer haar eigen, gesloten universum, teruggetrokken in de dansscholen. Artistiek gezien is het genre volkomen uitgeput. De Cubaanse son-variant wordt met steeds smakelozer kunstgrepen tot op het bot geëxploiteerd. De muzikaal gezien meer uitdagende timba krijgt buiten Cuba nauwelijks een damesvoet op de dansvloer, omdat zij ritmisch gezien te complex is en tekstueel dusdanig wemelt van verwijzingen naar de bizarre modaliteiten van het leven onder Castro dat timba alleen voor Cubanen te begrijpen valt. De Cuban love affair bleek van voorbijgaande aard. Onder programmeurs proef je bijna nergens een diepgaande interesse en boekers van latin-jazz- of timba-bands van naam en faam raken hun acts aan de straatstenen niet kwijt.

Intussen werken de vaste krachten voor niet-westerse muziek in het omroepbestel volmaakt onzichtbaar in de marge. Ook de VPRO blijft maar focussen op Angelsaksische popcultuur en de hype van vorige week uit dat taalgebied (sinds 11 maart is er een wekelijkse uitzondering die de regel bevestigt: One Blood. Zie onder «shows» op http://3voor12.vpro.nl). De commerciële jongerenzender FunX is de enige zender die actuele Caribische hits draait.

Me dunkt dat dát de inzet voor de discussie van 2006 moet zijn: hoe laten we jongere generaties kennismaken met de verscheidenheid van muzikale tradities en dansculturen buiten het alomtegenwoordige MTV-stramien, zonder die tradities voor consumptie aan te lengen of in een dwingende wereldmuziekmal te gieten? Het zou interessant zijn wanneer FunX en het Rotterdamse Wereldmuziekcentrum samen het voortouw in die discussie zouden nemen.

Ten slotte is daar de innerlijke tegenstrijdigheid van de liefhebber die steeds, met de zendingsdrang van de evangelist, aandacht eist voor unieke, ongehoorde klankwerelden, maar die zodra die aandacht is gerealiseerd terugdeinst wanneer die exclusief genoten muziek opeens overal klinkt. Wil ik eigenlijk wel de Malinese cd Dimanche à Bamako in de Nederlandse top-40?