Media

Even wuiven misschien

De hamvraag over het Eurovisie Songfestival is natuurlijk: waarom? Waarom doet een gevierde, in sober zwart geklede rockchick met daadwerkelijk talent in hemelsnaam mee aan een muzikale gay pride vol middelmatige liedjes, vermomd in nog veel triestere kostuums?

Medium schermafbeelding 2013 05 24 om 13.57.58

Het antwoord is heel simpel: om internationaal door te breken als artiest uiteraard. Geen beter podium denkbaar dan het Songfestival. De halve wereldpers schrijft er wekenlang kritiekloos over en in totaal meer dan honderd miljoen tv-kijkers in bijna veertig landen zitten ervoor aan de buis gekluisterd. Dat vijf miljoen daarvan in Nederland wonen, zal haar management weinig hebben bezig­gehouden. Anouk goes international.

Niks mis mee, ik misgun Anouk helemaal niks. Maar hierin openbaart zich wel een fascinerende paradox. Terwijl half Nederland zich laafde aan gevoelens van nationale trots, eer en saamhorigheid, ingegeven door het idee dat Anouk op dat podium in Malmö ‘ons’ stond te vertegenwoordigen, was in feite het omgekeerde gaande: Anouk stond Nederland daar juist te verlaten. Dag Edisons en TMF Awards, hallo Emmy’s. Nationalisme als internationale springplank. Kijk maar naar haar goeddeels Engelstalige Twitter-feed, waar@Anoukinmiddels ruim 95.000 volgers heeft en zelf precies één iemand volgt: een Canadese muziekproducent die al jaren furore maakt in Amerika. Daar zit geen woord Spaans, pardon, Nederlands bij.

Hetzelfde fenomeen zien we al jaren in het voetbal. Wie denkt dat het winnen van de nationale voetbalcompetitie nog steeds draait om de vraag wie zich een jaar lang ‘kampioen van Nederland’ mag noemen, kijkt al sinds de jaren negentig geen Studio Sport meer. Inmiddels draait het om iets heel anders, namelijk: om wie de Champions League in mag. En vooral: om de miljoenen die daar te verdienen zijn. Ook hier zie je ieder jaar diezelfde paradox. Terwijl de supporters uit een soort half-regionaal, half-natio­nalistisch eergevoel ‘kampioenen! kampioenen!’ scanderen, zijn bestuur, team en trainer in gedachten al lang bij de loting voor de groepsfase. Voor hen is het kampioenschap de springplank naar grotere markten, duurdere tv-rechten en prestigieuzere tegenstanders dan RKC Waalwijk.

Iets vergelijkbaars zie je ook al enige jaren bij het Nederlands elftal. Voor het publiek is Oranje nog steeds het symbool van ‘wij’, van ‘Hup Holland Hup’ en van ‘Laat de leeuw niet in zijn hempie staan’. Maar voor de meeste spelers – en niet te vergeten: hun makelaars – is het precies omgekeerd: Oranje als podium om je ‘internationaal in de kijker te spelen’, zoals dat in voetbaljargon heet. Nederland als tussenstation en het nationale elftal als trein: op weg naar Camp Nou of San Siro.

Helemaal perfect in dit plaatje past natuurlijk het koningshuis. Naar buiten toe hét symbool van nationale trots, toegejuicht door een volk dat, al vlaggetjes zwaaiend, wegzwijmelt bij de illusie dat ze daar voor óns, voor Holland, staan. Maar in werkelijkheid zijn de Oranjes natuurlijk gewoon een internationaal handelshuis dat graag trouwt met elites uit het buitenland en zakendeals beklinkt voor koninklijke multinationals die overal belastingplichtig zijn behalve in Nederland. Hoeveel zou de Hollandse middenstand ooit hebben teruggezien van die miljoenen die Beatrix als nationaal vertegenwoordigster heeft binnengesleept? Ik schat nog geen promille. Ook hier weer die tegenstrijdigheid: waar het instituut door de ‘fans’ gevierd wordt als sentimenteel nationalisme, is het instituut zelf niets meer dan de ultieme manifestatie van geglobaliseerd kapitalisme.

Dat maakt al die evenementen – Koninginnedag, het Songfestival, de voetbalcompetities – buitengewoon bevreemdend. Het zijn façades van een wij-gevoel: we denken onszelf toe te juichen, maar vieren feitelijk het afscheid van dat ‘ons’. Niet dat het nationalisme dood is, integendeel: voor al die miljoenen Nederlanders die in de Oranjes, in Oranje en in Anouk oprecht een vertegenwoordiging van zichzelf en hun vaderland herkennen, is de natiestaat springlevend. Nee, het nationalisme is eerder doodgeknuffeld. Dat wil zeggen: door de kosmopolitische elite omarmd en heimelijk in dienst gesteld van het tegenovergestelde. Van voetbalcarrières in Spanje en Qatar, van platencontracten in Engeland en de Verenigde Staten, van zakendeals in Monaco en op de Kaaiman Eilanden.

De kloof tussen de representanten van onze ingebeelde nationale eenheid en haar meest fervente aanhangers is van een wonderschone en tegelijkertijd treurige ironie. Op het balkon van het Paleis, op het podium in Malmö en op het veld in de Kuip zwaait heel Holland naar zijn helden, maar eigenlijk zwaaien we ze uit: op weg naar hun carrières elders.

Even wuiven misschien?