Evergreen

‘MTV Unplugged’ heet een van zijn meest recente cd’s. Een grapje, want Tony Bennett heeft zich nooit ingelaten met ‘plugged’ muziek. Hij zingt al een halve eeuw dezelfde liedjes. Sinds kort dient zich daarvoor een nieuw publiek aan: de jongeren die uitgekeken zijn op ritmecomputers en synthesizers. Eind mei komt de bijna zeventigjarige zanger naar Nederland.
Tony Bennett komt op zondag 26 mei naar de Dr. Anton Philipszaal, Spuiplein 150, Den Haag. Aanvang 20.15 uur.
AAN HET EIND van het gesprek vraag ik de bejaarde zanger of hij nog wel eens voor mensen van zijn eigen leeftijd optreedt. ‘Af en toe’, zegt Bennett met een brede glimlach. ‘Een van mijn grootste fans is een Nederlandse komiek. Thoen Hurmunzz. Heel goede vriend van me. Doe Thoen de groeten als je ’m ziet.’ Toon Hermans bedoelt hij. Net zo'n persoon als Bennett: een ouderwetse entertainer, wars van arrogantie en artistieke pretenties. Iemand die het publiek liefheeft met heel zijn hart.

Bennett: ‘Ik ben er om de mensen te amuseren. Daar zing ik voor, dat is alles wat ik wil. Veel mensen hebben problemen. Wanneer ik ze hun sores kan doen vergeten in de negentig minuten die ik tot mijn beschikking heb, ben ik gelukkig. O, ik heb een prachtig beroep.’
Als ik refereer aan zijn glanzende curriculum vitae - Bennett (1926) werkte met een indrukwekkende rij sterren; zo liet hij zich begeleiden door de big bands van Duke Ellington, Stan Kenton, Count Basie en Woody Herman - en woorden als 'art’ en 'jazz’ in de mond neem, maakt hij een wegwerpend gebaar: 'Hou toch op, man. Wat een dure woorden. I’m just a popular singer, an entertainer.’
Bennetts publiek heeft zich onlangs verjongd; toen hij vorig jaar naar Den Haag kwam, zaten er opvallend veel twintigers in de zaal. Sinds enkele popartiesten de pluggen uit de versterkers trokken en besloten het eens met minder elektronische hulpmiddelen te proberen, wordt ouderwets vakmanschap weer gewaardeerd.
De platenfirma’s en managers haakten daar op in; het gevolg was dat het trendgevoelige publiek, via-via, terecht kwam bij jazz-georiënteerde artiesten van de oude stempel. 'Ik heb veel te danken aan mijn zoon Danny’, vertelt Bennett. 'Hij is mijn manager en hij zei: “He pa, er zijn veel jonge mensen die zullen houden van wat jij doet.” Hij is mij gaan promoten, gaan praten met de mensen van MTV en zo.’
Over de doorsnee unplugged artiesten is Bennett niet zo te spreken. 'Al die kampeerakkoorden, al die jongelui die klinken alsof ze een zere keel hebben, wat moet ik ermee? Er zijn popzangers die ik kan waarderen; neem Stevie Wonder en Billy Joel. Wat zij doen, getuigt in ieder geval van muzikaliteit. Maar zoals Mel Torm en Joe Williams zingen, dat is toch meer een ambacht, dat gaat toch veel dieper.’
Bennett - die eigenlijk Anthony Benedetto heet, zijn voorouders kwamen uit Italië - zweert bij de belcanto-techniek. 'Ik heb een paar jaar klassiek les genomen als tiener en ik oefen nog steeds mijn toonladders. Dat is de beste manier om je stem in goede conditie te houden. Zo studeer je op ademtechniek en intonatie.’
Een van Bennetts grote charmes is zijn toegankelijkheid. De songschrijver Alec Wilder zei tegen journalist Whitney Balliett in The New Yorker: 'There’s a quality about Bennett’s singing that lets you in. Frank Sinatra’s singing mesmerizes you. In fact, it gets so symbolic sometimes that you can’t make the relationship with him as a man, even though you may know him. Bennett’s professionalism doesn’t block you off. It even suggests that maybe you’ll see him later at the beer parlor.’
Balliett voegde daar zelf aan toe: 'Bennett’s voice has a joyous quality, a pleased, shouting-within quality.’
BENNETTS herwaardering staat niet op zich. De akoestische muziek wordt herontdekt; niet alleen dankzij de unplugged-rage, maar ook als gevolg van de activiteiten van trompettist Wynton Marsalis en de populaire zanger/pianist Harry Connick. De voormalige psychedelische popster Dr. John vulde onlangs een cd met jazzy ballads, het in fusion gespecialiseerde label GRP bracht een tribuut aan Nat King Cole uit van pianiste/zangeres Diana Krall en ook de nostalgische zanger/gitarist John Pizzarelli profiteert van deze trend.
Ik sprak Pizzarelli - evenals Bennett - op het afgelopen North Sea Jazz Festival. 'Het is leuk om voor dat jonge publiek op te treden’, liet hij weten. 'De kids zijn enorm enthousiast omdat ze al die songs uit The Great American Songbook voor het eerst horen.
Helaas heersen er veel misverstanden. De jongeren hebben dat repertoire leren kennen van Harry Connick en denken zodoende dat Harry het allemaal heeft bedacht. Ze hebben niet in de gaten dat al die musicalsongs al tientallen jaren bestaan. Je had dezelfde verwarring toen de Rolling Stones in de jaren zestig oude bluesnummers gingen naspelen; iedereen dacht dat zíj die muziek hadden uitgevonden. Veel mensen denken nou eenmaal dat iets pas begint te bestaan zodra het binnen hun gezichtsveld komt.
Er zijn journalisten die mij de nieuwe Harry Connick noemen. Maar ik ben op geen enkele manier door Harry beïnvloed. Sterker nog, ik ben een stuk ouder dan hij en ik zong en speelde dit repertoire al toen nog geen mens van hem had gehoord. Weet je, je mag mij tot de nieuwe Nat King Cole uitroepen. Die man is mijn lichtend voorbeeld.
Toen ik steeds meer jongeren in de zaal zag, begon ik mij wel zorgen te maken. Ik dacht er even aan om mijn hele act aan te passen, zodat zij niet voor onaangename verrassingen zouden staan. Neem iets als improvisatie; dat is nieuw voor ze, want de jongeren zijn gewend dat popgroepen iedere avond dezelfde act afdraaien. Mijn band bestaat echter uit jazzmusici, en wij improviseren dus. Die vrijheid is voor ons van levensbelang. Als wij niet meer mogen improviseren, gaan we dood.
We besloten dus net zo te spelen als altijd. En dat blijken de kids juist erg te waarderen. Ze vinden het boeiend om te zien hoe de muziek ter plekke ontstaat, om getuige te zijn van de interactie op het podium. Twee muzikanten die elkaar even aankijken en dan iets compleet anders spelen dan op de plaat. Ze willen gewoon degelijke, avontuurlijke muzikanten aan het werk zien die geen voorbespeelde banden nodig hebben. Gelukkig maar.’
'VAKMANSCHAP’, 'degelijkheid’; dat zijn termen die voortdurend terugkeren als de heropleving van de crooners wordt besproken. Maar Bennett weet daar nog wel iets aan toe te voegen. 'De belangrijkste reden is natuurlijk: het is gewoon prachtige muziek, de songs van Gershwin, Ellington, Porter, Berlin en zo. De vroegere songwriters kenden hun vak. Ze hadden zich echt in de muziek verdiept en ze kenden alle belangrijke dichters sinds Shakespeare. Hun teksten zitten vol poëtische invallen, dubbele bodems en geestige rijmwoorden. En de componisten legden daar de prachtigste akkoorden achter, niet zomaar wat drieklankjes.
Ik zing een song als Body and Soul al een halve eeuw. Ik weet steeds weer kleine variaties, steeds weer andere invalshoeken te vinden. Dergelijke kwaliteitsliedjes hebben gedurende al die jaren alle muzikale revoluties en alle modes overleefd, dus moeten ze wel iets heel bijzonders hebben. En kijk dan naar de tegenwoordige tophits. Zijn daar songs bij die zich lenen voor zoveel verschillende interpretaties? Zullen die hits over vijftig jaar nog worden gespeeld? Ik vraag het maar.’
Ook belangrijk is volgens Bennett, dat het publiek weer behoefte heeft aan gezelligheid. Men zou genoeg hebben van 'al dat agressieve gedoe op het podium’: 'De mensen willen weer in de watten worden gelegd. Dan zijn ze bij mij aan het juiste adres; ik ben gespecialiseerd in gezelligheid. Communication is my forte. Net als Thoen Hurmunzz.’