Ger Groot

Evolutie

Charles Darwin was niet de uitvinder van de evolutietheorie. De Franse biologen Buffon en Lamarck hadden al ruim een generatie eerder geconcludeerd dat de soorten uit elkaar waren voortgekomen. Maar ongehoord was Darwins antwoord op de vraag: hoe? Door toeval: de evolutie heeft geen duidelijke richting, meende Darwin; zelfs de mens is niet het vooropgezette doel ervan. Daarmee was het schandaal geboren en meteen de voorwaarde voor zijn roem vervuld. Darwin werd de oervader van de evolutie-idee, hoe bizar zo’n grootvaderloos vaderschap evolutionistisch ook mag zijn.

Inmiddels wordt Darwin alleen nog openlijk bestreden door Amerikaanse creationisten die het in hun bijbelgeloof nogal bont maken. Van de weeromstuit krijgt iedere evolutiekritiek de schijn van achterlijkheid, gepareerd door de zelfverzekerde arrogantie die de hebbelijkheid is van iedere overwinnaar. Ook in het laatste nummer van het tijdschrift Armada, gewijd aan het thema «Darwin & Co: Over taal evolutie en literatuur», is dat triomfalisme voelbaar. Het lijdt bij J.H. de Roder, die het nummer inleidt, soms zelfs tot enige joligheid, al is daar niet veel reden voor.

Want is de evolutiegedachte die uitgaat van willekeurige genetische variaties, die in een enkel geval succesvol zijn, werkelijk zo overtuigend? Dat een bruine beer die in een nieuwe ijsomgeving toevallig met een lichtere huid wordt geboren, als beginnende ijsbeer grotere overlevingskansen heeft, is nog wel plausibel. Maar wil de soort evolueren, dan zijn er binnen korte tijd heel wat van die mutaties nodig, en dan wordt er van het toeval wel erg veel gevraagd.

In zijn strijd tegen de illusie van evolutionaire doelgerichtheid heeft De Roder in zijn lezenswaardige bundel Het onbehagen in de literatuur (Uitg. Vantilt) twee jaar geleden al betoogd dat nieuwe organen en vermogens vaak via een zijdelings toevalsproces ontstaan. Vogels kregen geen vleugels om te vliegen, aldus De Roder, maar ontwikkelden uitstulpingen waarmee ze hun lichaamswarmte konden reguleren, of — zo speculeert De Roder verder — misschien «om insecten mee te vangen of juist weg te jagen». Pas toen die voldoende waren uitgegroeid, bleken ze ook geschikt om mee te vliegen.

Misschien is het zo gegaan, maar het probleem is met die verklaring alleen maar verplaatst. Het schuilt in het woordje «om». Om het lichaam af te koelen, om vliegen te vangen: ongemerkt is de oude teleologie gewoon weer terug. En hoe zit het met de veren waarmee de vroege vogels bedekt raakten? Ook niet bedoeld om te vliegen, maar ter isolatie — zegt De Roder, voor wie de natuur kennelijk niet wispelturig genoeg kan zijn. Wie zo dik bevederd wordt, heeft zijn vleugels inderdaad hard nodig om weer af te koelen…

Het darwinisme van nu is dogmatischer dan Darwin zelf was, schrijft De Roder terecht, maar hij gaat in zijn kritiek niet ver genoeg. Het heeft zich ontwikkeld tot een totaalvisie waarin ieder verschijnsel fantasievol wordt ingepast. Een voorbeeld is de in dit Armada-nummer veelgeciteerde theorie van Geoffrey Miller dat kunst is ontstaan vanuit de mannelijke paringspronk. Door zich aan de nutteloosheid ervan over te geven, bewees het mannetje zoveel kracht en overwicht te bezitten dat hij zich een dergelijke potlatch wel kon veroorloven.

Het is een fraaie uitleg voor een fenomeen dat met zijn nutteloosheid de evolutietheorie zwaar op de maag moet hebben gelegen. Maar het blijft net zo’n op maat gesneden gelegenheidsverklaring achteraf als de altijd sluitende gevalsbeschrijvingen van de psychoanalyse. Beide theorieën hebben zich ontwikkeld tot levensbeschouwingen, ingepakt in een dikke laag van hulphypothesen die ze tegen iedere falsificatiepoging beschermen. Wetenschappelijk zijn ze daarmee allang niet meer, maar met de veren daarvan pronken ze nog altijd graag.

Beide lijden aan het onbehagen niet te kunnen accepteren «dat iets zou bestaan en niet een nuttige functie zou hebben», zo citeert De Roder een essay van Karel van het Reve. Precies daarin ligt de antiteleologie van de evolutiegedachte, die bij haar navolgers heeft moeten wijken voor de systeemdwang van het wereldbeeld. Met zulke vrienden heeft de evolutiegedachte niet eens de vijanden nodig die weigeren te geloven dat «één enkele langnek onder de giraffen een hele soort heeft veranderd», zoals De Roder schrijft. Dat is pas echt een onwaarschijnlijke gedachte.