Evolutie eist echtheid

Het werd, het was, het is gedaan. Na het verschijnen van de biografie van Vasalis zijn deze regels ook weer herhaaldelijk vol bewondering geciteerd. Prachtig, en dan ook nog eens de laatste regels die ze schreef, althans, daar gaan we even vanuit.
Laatste woorden en laatste kunstwerken fascineren ons nu eenmaal, en als het niet echt de laatste zijn, dan schikt de werkelijkheid zich wel gedwee naar onze aanbidding. Het korenveld en de kraaien van Van Gogh, de Kunst der Fuge van Bach: alles is mooier als de dood er een handje aan meewerkt.
Het is geen onaardige regel - ‘het werd, het was, het is gedaan’. Ondanks al die optredens in rouwadvertenties, rouwkaarten en lijkredes maakt hij nog steeds geen uitgebluste indruk. Toch stel ik de vraag: zouden we het net zo'n mooie regel hebben gevonden als een junk hem in de Straatkrant had geschreven? Of als Osama bin Laden hem had gelanceerd in een videovoordracht? Beide houd ik voor niet onmogelijk.
Ik vermoed dat critici veel gevleugelde citaten uit de Oudheid als absolute flauwekul zouden wegzetten wanneer ze die voor het eerst zouden lezen in een debuut.
Schrijvers zeggen altijd: het gaat om het werk, niet om mij. Het publiek wil altijd de mens achter het werk leren kennen. Lezers met wat meer ervaring doen altijd alsof het ze ook om het werk gaat, en hopen zo langs een beleefde omweg alsnog bij de Mens Achter het Werk te komen.
Dat ik van Slauerhoffs poëzie houd, komt niet door de poëzie alleen. Het is ook omdat ze geschreven is door die concrete persoon, door Jan Jacob Slauerhoff, door die jongen die Friesland ontvluchtte, en als scheepsarts de wereld afreisde met astma, longontsteking en ongetemd verlangen in z'n ingewanden.
Ik ben meer van Rimbauds Une saison en enfer gaan houden sinds ik bij het tuinhuisje ben geweest waar hij het schreef, en ik op de plek in Brussel heb gestaan waar het schietincident met Paul Verlaine plaatsvond. Joseph Brodsky’s Watermark kon ik pas goed waarderen na een bezoek per vaporetto aan zijn graf op San Michele.
Dat we ons daar niet voor hoeven te schamen, ontdekte ik in een boek van Denis Dutton, The Art Instinct (2009) - jawel, het laatste boek dat deze filosofiehoogleraar uit Nieuw-Zeeland schreef voor z'n dood (eind 2010). Daarin verklaart hij onze neiging om de Mens Achter het Werk te bewonderen vanuit een evolutionair perspectief. Volgens Dutton zijn we niet alleen genetisch voorgeprogrammeerd om grote prestaties te bewonderen, maar ook om de authenticiteit ervan te eisen.
Zie bijvoorbeeld de moderne obsessie met doping in de sport, volgens Dutton 'een geheel voorspelbaar uitvloeisel van de geëvolueerde basis voor sport als een openbaar vertoon van vaardigheid’.
Zo ook in de kunst: 'Onbetwistbaar zijn kunstwerken mooie dingen, geschikt voor belangeloze contemplatie. Maar het is naïef om ze uitsluitend op die manier te behandelen, want kunstwerken zijn ook vensters naar de geest van een ander mens.’ Kijk naar Rembrandts portret van zijn moeder of zijn zoon Titus: 'We kijken er niet doorheen om de jongen of de oude vrouw te zien. Deze schilderijen nemen ons veeleer mee naar Rembrandts geest. Ze drukken uit, en onthullen daarom, zijn liefde - als vader, als zoon - voor zijn onderwerpen.’
Het is waar. Je leest niet uitsluitend om een verhaal mee te maken dat in zichzelf mooi is, ontroert, verrast, verontrust enzovoort. Je leest omdat je wilt ervaren hoe de schrijver hierin betrokken is. Zonder dat is een boek zoiets als een maquette - knap uitgevoerd, veelbelovend, maar steriel, te glad, zonder leven, zonder weer.
Ons overlevingsinstinct eist dat er zuurstof, hartenbloed, hagel, mist en zonlicht doorheen spoelen. Niet dat alles echt gebeurd hoeft te zijn, o nee, daar heeft het niks mee te maken. Het gaat er alleen om dat de intense betrokkenheid van de schrijver echt is. Dat eist onze evolutie. En het is al even evolutionair bepaald dat we de makers van zulke intense werken bewonderen.
Daarbij is het interessante aan onze tijd dat die bewondering steeds meer los is komen te staan van prestaties. Op tv zijn is op zichzelf al een teken van evolutionair succes, en daarmee van roem. Volslagen tegen mijn zin in voelde ook ik even zo'n dierlijk schokje van opwinding toen ik laatst Jort Kelder samen met Mark Rutte over het Binnenhof voorbij liep. Niks aan te doen, puur biologisch bepaald, net als die horden studenten en studentes die straks weer via sluiproutes het Boekenbal binnen proberen te glippen. In één ruimte verkeren met beroemdheden biedt nu eenmaal bescherming.
Of gunstige voortplantingskansen, want daar zijn ze natuurlijk ook op uit, de smeerlappen.