Ex-marinier ed van den berg

‘IK GA NIET overal rondbazuinen dat ik marinier ben geweest. Driekwart van de mensen begrijpt absoluut niet waar je het over hebt. Die zien je als een vreemd wezen dat het vuile werk opknapt voor een stel gestoorde generaals in een bunker onder de grond. Maar dat gevoel heb ik nooit gehad. Het was mijn leven en ik had het ontzettend naar mijn zin. Als je kiest voor een baan als marinier, moet je niet zeuren. Dan moet je doen wat je wordt opgedragen.’

‘VROEGER SPEELDE ik veel soldaatje. Ik wilde best in dienst. Als je wat ouder wordt, ga je eens kijken wat dat nou eigenlijk inhoudt. De mariniers leken me wel wat. Ik deed een aanvraag en daarna kwam ik in de molen. Moet je gekeurd worden, vijf dagen lang, en dan maar wachten op je oproep. Die kwam in september 1985. Ik was toen twintig jaar.
De keuring is hartstikke zwaar. Vooral de gesprekken met psychologen maakten me gek. Die hadden betrekking op lijsten met vragen die we heel snel moesten invullen. We mochten alleen antwoorden met ja of nee. Onzinnige vragen als: “Wanneer ik de trap op loop, sla ik altijd twee treden over. Ja of nee.” Nou, denk je dan, de ene keer wel, de andere keer niet, hè. Hangt er maar net vanaf in wat voor mood je bent. Daar zit je dan op te dubben, blijkt dezelfde vraag in een iets andere vorm verderop weer terug te komen. Als je steeds tegenstrijdige antwoorden gaf, en bij de psycholoog ook weer iets anders riep, kon je meteen vertrekken. Uiteindelijk bleven er van de 75 man drie over.
Nadat we onze oproep hadden gekregen, moesten we een opleiding volgen in Doorn. Eenentwintig weken lang. We mochten nauwelijks naar huis. Een mannetje of veertig, twee wc’s, drie douches. In Doorn leerde ik de basis van het marinier-zijn. Eén week in de kazerne, één week in het veld. In het veld leerden we verdediging en aanval. Op de kazerne sportten we veel en we kregen theorielessen over onze wapens. FAL-geweer semi-automatisch, FALO vol-automatisch en Uzi. Semi-automatisch wil zeggen dat zo'n ding zichzelf herlaadt. Automatisch betekent dat hij blijft vuren als je de trekker ingedrukt houdt.
Na de opleiding werd ik naar de Antillen gestuurd. Heb ik negen maanden gezeten. Saai? Absoluut niet, je wordt constant beziggehouden. Veel amfibische oefeningen gedaan. Van een groot schip afdalen in kleine snelle bootjes en dan het strand bestormen. Dat is waanzinnig, vooral als je jong bent. Ik heb een goede tijd gehad. We begonnen om zeven uur en om één uur waren we klaar. Of je daarna nou in je bed ging liggen rotten of je klem zoop, maakte niemand wat uit. Als je er de volgende dag maar weer stond.’
'VERGELEKEN BIJ oefeningen die we hadden in Europa waren de Antillen een paradijs. Ooit oefenden we in Noorwegen. Duurde maar zes dagen, maar dat waren wel de zwaarste zes van mijn leven. Onze compagnie werd continu verplaatst. Zat je ergens tien minuten, dacht je even een half uur te kunnen slapen, moest je weer naar een andere positie. En alles lopend in de stromende regen. Je had ons moeten zien toen de oefening was afgelopen. Smerig tot op het bot, volledig afgepeigerd.
Bij de mariniers word je bijgebracht dat je boven zandhazen staat, de gewone infanteriesoldaten. Je bent de beste, je doet voor niemand onder. Een marinier laat niet over zich lopen. Je zag ontzag op de gezichten van landmachtmensen als onze zwarte baretten opdoemden.
Als we oefeningen hadden waar ook landmachtpersoneel aan meedeed, deden we niets liever dan die gasten de stuipen op het lijf jagen. Zit zo'n landmachtjongetje lekker in zijn schuttersputje, staan er opeens vijf van die gekken voor zijn neus met blikkerende tanden en zwartgemaakte gezichten. Dat is het mooiste wat er is. Voertuigen meenemen en die jongens vastbinden. Of het nou officieren zijn of niet. Even goed inwrijven dat het nietsnutten zijn. Als je elkaar maar geen pijn doet. Uiteindelijk kwam daar altijd gelazer van, maar dat hadden we er wel voor over.
Misschien zijn mariniers extra hard omdat ze een grote kans hebben te sneuvelen. Dat hoort bij het marinier-zijn. Je wordt nu eenmaal opgeleid tot een super-frontsoldaat. Zeker bij een amfibische aanval is de kans niet groot dat je het er levend afbrengt. Je zit eerst op een groot schip. Lekker makkelijk doelwit. Dan daal je af in kleine bootjes die je zo dicht mogelijk bij het strand brengen. Vanaf het moment dat je daar uitstapt, heb je geen enkele dekking meer. Voor de mannen die ons vanachter hun mitrailleurs zien aankomen, is het feest. Net prijsschieten op de kermis. De filosofie achter die amfibische aanvallen is heel simpel: zo veel mogelijk mariniers het land op sturen, golf na golf, totdat een groep de tegenstander weet uit te schakelen. Dat betekent dus gewoon sterven. Daar moet je niet te veel over zeiken. Je weet waar je aan begonnen bent, toch? En in 1985 was er helemaal geen oorlogsdreiging. Nu is dat anders. Je hebt een grote kans dat je naar oorlogsgebieden wordt gestuurd voor vredestaken.’
'IN 1993 GING ik naar Cambodja. Vuil werk, ja. Het was niet mijn oorlog. Maar het was wél mijn job om daar de vrede te bewaren. Desnoods met geweld.
Ik had het geluk dat ik de vaste chauffeur was van de ploeg die altijd naar buiten ging. Lekker rondrijden in plaats van in het kamp afwachten tot er een handgranaat naar binnen werd gegooid. We reden in patrouilles van drie landrovers. Zwaarbewapend. We hadden anti-tankraketten bij ons, handgranaten, rookgranaten, scherfgranaten, drukgranaten. En vreselijk veel munitie. We namen ook altijd hand-brandpatronen mee. Die kun je boven een groep mensen afschieten. Vreselijk mooi om te zien. Er komen van die witte pluimen uit. Fosfor. Brandt dwars door je huid heen.
Persoonlijk heb ik me nooit ergens overheen hoeven zetten. Ik heb geen moeite te praten over Cambodja. Nooit gehad ook. Het was wel moeilijk me aan te passen toen ik weer terug was. Niets kon me ook maar iets schelen. Dagelijkse dingen die hier zo belangrijk zijn, bleken volkomen onzinnig voor me. Ik had het zelf niet zo in de gaten, maar mijn vrienden en familie wel.
Wat ik me nog herinner? Een pickup-truck die op een mijn reed. Daar zaten zo'n twintig mensen in. Twaalf dood, een zootje zwaar gewond. Overal lagen lichaamsdelen. De auto was totaal verwoest. Ik was daar die dag al drie keer langs gereden zonder dat die mijn afging.
En een boertje dat we op zijn land vonden. Armen had-ie niet meer, benen ook niet. Het enige wat we terugvonden was een romp met een hoofd. Hij had een rare grijzige kleur. Al het bloed was eruit. Hij zat vol gaten en zijn kleren waren verbrand. Opgeblazen door een Russische anti-tankraket. Een dun pijpje dat je vanaf je schouder afvuurt. Waarschijnlijk had hij daarvan een bosje in zijn hut liggen. Hij wilde zijn land afzetten en dacht natuurlijk: laat ik die waardeloze dingen daar maar voor gebruiken. Hij heeft er eentje tussen twee bomen proberen vast te klemmen en daarbij is hij afgegaan. Die mensen worden ontzettend laks van alle wapens die ze hebben. Hebben ze een stokkie nodig, dan pakken ze gewoon een raket. Ongelooflijk grappig, toch?
Iedereen verwacht maar dat je moeite hebt met zulke ervaringen. Maar het was toch niet mijn schuld dat die gozer zo stom was? Het is mijn zaak helemaal niet. Bij mij in het peloton zaten er een paar die moeite hadden met wat ze zagen. Maar die zeiden maar niets, want dat werd niet zo gewaardeerd. Mariniers zijn best hard. Echte mannen, geen slappelingen. En je verlinkt elkaar nooit. Eergevoel.’
'NA CAMBODJA heb ik nog drie jaar bij de mariniers gediend, maar het was niet meer wat het geweest was. Ik kwam terecht op de sportopleiding voor mariniers in Rotterdam als assistent-sportinstructeur. Moest ik een beetje badmintonrackets uit het magazijn halen en weer opbergen. Dat beviel me niks. Via via wist ik te regelen dat ik weer naar de Antillen kon. Maar dat beviel me ook niet meer zo goed als de eerste keer. Er zat negen jaar tussen. Op het eiland was een boel veranderd. De mensen waren veel minder vriendelijk. Ik werd botenbestuurder, dus ik had weinig meer met de compagnie te maken.
In 1996 ben ik uit de marine gegaan. Er was de mogelijkheid om je kortverbandcontract om te zetten in een beroepscontract nieuwe stijl. Ik gaf aan dat ik dat wilde. Ik voldeed aan alle eisen, maar de hele krijgsmacht moest inkrimpen. Ik viel buiten de boot, kreeg geen contract. En uiteraard werd me niet verteld waarom. Zo gaat dat bij de mariniers.
In één klap was het mariniersleven dat me had gevormd, weggevallen. Wat moet je dan? Ik wist het niet en ik weet het nog steeds niet. Ik heb nu een uitkering. Passend werk vinden is me nog niet gelukt. Ik heb een tijdje gewerkt bij een bedrijf dat patatovens maakte, maar ik werd gek van het idee dat ik daar de rest van mijn leven moest werken. Als marinier was ik toegewijd. Ik zag dat niet als werk. Patatovens bouwen, dát was werk. En het maakte me knettergek.’