Media

Exabytes en zettabytes

Decennia voor de digitale revolutie de wereld onherkenbaar zou veranderen, hadden termen als ‘informatiesamen­leving’ en ‘communicatiemaatschap­pij’ al op ruime schaal ingang gevonden, en wrevel opgeroepen. ‘Er klinken steeds meer woorden, maar er wordt steeds minder mee gezegd’, jammerde Gerrit Komrij midden jaren tachtig in zijn toentertijd even gevreesde als populaire column in NRC Handelsblad: precies deze maatschappij had ‘drastisch een einde gemaakt aan alles wat communicatie is’.

Dat een term als ‘informatie­samenleving’ al zo vroeg opgang deed, was mede te danken aan spraak­makende sociologen als Daniel Bell en zijn Franse collega Alain Touraine. Deze theoretici van de postindustriële samenleving beschouwden kennis en informatie als de kernactiviteiten van de toekomst. Of zij zich werkelijk realiseerden hoe snel deze ontwikkelingen zouden verlopen is de vraag, al waren de voortekenen op dat moment duidelijk aanwezig. Zo stelde Gordon Moore, een van de oprichters van chipfabrikant Intel, al in 1965 vast dat het aantal transistors op een chip elke twee jaar verdubbelde. Hun gezamenlijke capaciteit zou daarmee exponentieel groeien. Deze voorspelling – ‘de Wet van Moore’ – heeft tot de dag van vandaag stand gehouden. Een helder inzicht, zo vroeg in de tijd, maar het is de vraag wie de implicaties van deze ontwikkeling werkelijk doorzag en bevroedde welke wereld aan gene zijde van deze naakte cijfers lag.

Een term als ‘informatiesamen­leving’ klinkt tegenwoordig een beetje suf, als een aanduiding uit een voorbije, nog redelijk overzichtelijke tijd. Vandaag de dag lijken we meer op schipbreukelingen, op zoek naar ‘eilanden van begrip in een zee van informatie’, zoals de initiatiefnemers van het fotografieproject The Human Face of Big Data het formuleerden. We worden overspoeld door massa’s gestructureerde en ongestructureerde informatie, niet alleen bestaande uit beelden, teksten, programma’s en cijfers, maar ook de gegevens die daaraan vastzitten, de metadata, en de gegevens die op hun beurt door programma’s uit deze massa’s data worden gegenereerd.

Alleen het spreken over deze vloed van informatie doet ons al duizelen. Volgens Google-directeur Eric Schmidt worden momenteel elke twee dagen vijf exabytes aan data gegenereerd – dat wil zeggen: evenveel als in de millennia van het begin van de beschaving tot 2003 samen. Voor de rekenaars onder ons: een exabyte is een miljard gigabyte. Schmidt werd al snel door anderen gecorrigeerd: de hoeveelheid informatie tot 2003 had hij te laag geschat, die zou meer dan vier keer zo groot zijn, maar dat gold ook voor de huidige productie van informatie, die geschat werd op drie exabyte per dag. Dat tempo geeft aan hoe snel het digitale universum de komende jaren zal expanderen: de verwachting is 35 zettabyte in 2020, oftewel 35.000 exabyte.

Ging het in de discussies over de informatiesamenleving in de jaren tachtig nog vooral om economische waarde gebaseerd op het beginsel van schaarste, vandaag gaan ze vooral over overvloed en beheersing. De modieuze gedachte als zouden wij leven in een ‘post-schaarste- tijdperk’, is daarmee direct ontmaskerd: de overvloed aan informatie creëert immers nieuwe vormen van schaarste, in de vorm van tekorten aan tijd en aandacht. Hoe kunnen we onze weg vinden in die enorme hoeveelheden, zonder te verdwalen en tijd te verliezen, wat kunnen we eruit leren, en hoe zorgen we dat anderen ons en onze producten of gedachten nog kunnen vinden?

Deze verschuiving zien we terug op de markt, in de economische waarde van goederen en diensten. Terwijl de informatie zelf minder waard wordt – zoals journalistieke media onder­vinden – gaan bedrijven die programma’s ontwerpen om de Big Data te lijf te kunnen gouden tijden tegemoet. Voor ondernemingen is het in toenemende mate van levensbelang digitaal zichtbaar te blijven, terwijl anderzijds wetenschappers, banken en andere bedrijven, de politie, geheime diensten en andere overheidsorganen er belang bij hebben patronen in de informatiebergen bloot te leggen.

De vraag is of die tools voor het verzamelen, samenvoegen en analyseren van gegevens uiteindelijk voldoende zijn om ons voor overstroming te behoeden. Het staat wel vast de meeste mensen vandaag de dag veel meer en sneller informatie opnemen; het kan haast niet anders of dit zal een ander ‘soort’ mens, een andere mentaliteit en cultuur, opleveren – zoals de stad dat ooit deed ten opzichte van het platteland. Maar iets anders is of er ook grenzen zijn aan ons aanpassingsvermogen, onze mentale capaciteit om die enorme informatiestromen te beheersen. Hoe dan ook zal het niet lang meer duren of de nieuwe schaarste zal ook op dit punt een nieuwe markt creëren: informatieluwe omgevingen, waar we, niet gehinderd door wifi en andere informatietechnologie, werkelijk tot rust kunnen komen.