Examen voor een volk communiceren met bomen is hier geen modegril maar een traditie - dat deed geestelijk leidsman danov een eeuw geleden al

DE DEUR VAN DE hut wordt opengesmeten; drie paar zware militaire laarzen stampen naar binnen. Mijn hart slaat over van schrik - wat is dit? Bulgaarse maffia? Of een Russische patrouille, jaren geleden hier in de bergen achtergebleven? Boven de legerkistjes camouflagekleding en drie onbehouwen koppen met stroeve monden. Op een van de forse dijen rust een enorm mes, en over de schouders hangen losjes - o mijn God - drie geweren. Ik probeer een glimlach - een beproefd middel in benauwde situaties. Altijd contact maken als je bang bent, repeteer ik in mezelf.

Maar de drie mannen vallen nors zwijgend in een hoek, leggen hun geweren af en beginnen de gammele kachel aan te maken die binnen vijf minuten de gehele hut vol rook zet. We kunnen kiezen vannacht, concludeer ik: een kogel, een mes op de keel of een koolmonoxidevergiftiging.
We maken een voettocht van ruim tweehonderd kilometer door de bergen van Bulgarije. Vandaag zijn we zo'n duizend meter gestegen in het Rilagebergte, dat zich vlak onder de hoofdstad Sofia naar het zuiden van Bulgarije uitstrekt. Doodmoe zijn we neergestreken in deze gammele schuilhut, ons onderkomen voor vannacht. Hier is helemaal niets: een drassige hoogvlakte, een handvol berggeiten en veel muggen. Bergtoppen zover het oog reikt, en nietig daartussenin deze hut, of liever: stal. Met daarin een potkachel, een houten tafel en een groot stapelbed met plaatsen voor zo'n twintig mensen die willen schuilen voor de nacht. We wilden ons net in de stoffige paardeharen dekens rollen toen het herenbezoek kwam binnenvallen.
In een soort Engels worden er uiteindelijk wat woorden gewisseld. Ze blijken een groepje vrienden uit een nabijgelegen dorpje, gezellig een weekend aan het jagen. Met geweren waarmee je een olifant zou kunnen omleggen zitten zij achter de wilde zwijnen aan. Goed spul hoor, beweren ze - overgenomen van Russische soldaten toen die eind jaren tachtig eindelijk het land verlieten en daarbij ongeveer iedere draad aan hun lichaam verkochten aan de plaatselijke bevolking. Een oorverdovende demonstratie van de kwaliteit en kracht van het materieel voor de ingang van ons aanvankelijk zo vredige hutje doet me het laatste restje moed in mijn bergschoenen zinken. Wat zouden ze willen - onze paar dollars of alleen ons respect?
Na een doorwaakte nacht blijkt het eindelijk toch ochtend geworden, en blijken wij nog te leven. We nemen gauw afscheid, gespen de rugzakken om en vervolgen onze tocht. Het plan is om te lopen naar de ‘Sedemte ezera’, Bulgaars voor de Zeven Meren, die hoog in het Rilagebergte liggen en waar eind augustus een bijeenkomst plaatsvindt waarvan iedereen die we tegenkomen de mond vol heeft. Aan de oever van een van de zeven bergmeren, de befaamde 'blauwe ogen van de Rila’, kunnen we iets unieks meemaken, wordt ons verzekerd.
OP DE BERGWEIDEN en kruipdennetjes rust nog de ochtenddauw als wij over puinhellingen en geitepaadjes naar de volgende overnachtingsplaats lopen. Onderweg komen we heel andere typen tegen dan onze vrienden van vannacht. Meermalen kruisen in het wit geklede Bulgaren met ascetische lichamen, lange baarden en vriendelijke ogen ons pad. Een van hen treffen we in serene ruststand aan bij een meertje. Hij staart gelukzalig naar het gladde water, laat dat een half uur op zich inwerken en haalt dan een psalmboek te voorschijn om de Heer dank toe te zingen voor het creëren van deze natuurpracht. Ook hij blijkt onderweg te zijn naar de Zeven Meren.
Hoe hoger we komen, hoe meer we van zulke pelgrimachtige figuren ontmoeten. De volgende dag zien we een hele groep mannen, vrouwen en kinderen die zich met gitaren, spelend en zingend, over het zeer steile pad naar boven begeeft. Ze spreken ons aan, met extatische blik en zachte stem, en drukken ons op het hart er toch vooral bij te zijn, morgen. Met moeite bemachtigen we die avond een slaapplaats in de reusachtige maar overvolle berghut Rilski ezera, op twee uur loopafstand van De zeven meren. De hellingen rondom de hut zijn bontgekleurd met honderden tenten, waar hele gezinnen hun bivak hebben opgeslagen. En dat op een hoogte van 2300 meter, waar men doorgaans hooguit een enkele herder tegenkomt.
Ons onderkomen voldoet niet erg aan het beeld dat wij in het Westen van een berghut hebben. Het moet ooit een fraai en comfortabel hotel geweest zijn, getuige de brede marmeren trappen en imposante spiegels in de hal. Daar zitten nu grote barsten in, net als in de ramen van onze kamer. De toiletten zijn in tijden niet schoongemaakt, de kastdeur hangt uit zijn voegen en het beddegoed is gescheurd. Bulgarije is een land in verval, een land dat smeekt om een grote schoonmaak, om een opknapbeurt, om investeringen. De wegen in de steden zitten vol gaten en kuilen; de weggetjes in de bergen zijn overwoekerd en in jaren niet onderhouden. Maar investeren doet niemand in Bulgarije. Men houdt zich bezig met overleven, of met corruptie.
ZEKER, ONDER DE communisten was het erg in dit land. Toen De Partij besloot dat de florerende landbouw plaats moest maken voor zware industrie, waren armoede en vervuiling het gevolg. Nu veel industrieën het zonder de beschermende communistische structuren en subsidies niet blijken te redden, is de landbouw hopeloos verloederd en verouderd. Een kwart van het landbouwareaal ligt braak. Een ezelkar, een schoffel en een zeis, dat is het gereedschap van de paar keuterboertjes die nog werken op de versnipperde grond, overgebleven na de herverdeling van het land. Wanneer de boeren gewoon op hun land hadden mogen blijven en de landbouw was gemoderniseerd, had Bulgarije nu het Zwitserland van de Balkan kunnen zijn, zeggen de mensen bitter.
Maar toen de communistische dictator Zjikov in 1989 opzij werd geschoven, verslechterde de situatie alleen maar. Andrej Loekanov, nota bene voormalig lid van het Politburo, leidde als eerste premier de 'socialistische’ regeringspartij BSP. Die bestond geheel uit communisten die wel hun naam maar niet hun ideologie hadden veranderd. Loekanov graaide in hoog tempo de staatskas leeg en werd een van de rijkste mannen van Bulgarije. Topfuncties gingen naar politieke vrienden, en de enige oppositiepartij, SDS, betoonde zich incompetent en ook al corrupt. Binnen zes jaar was Bulgarijes economie geheel geruïneerd, en leed de bevolking honger.
Ongeveer alles wat het Bulgaarse land voortbracht, werd door de machthebbers rücksichtslos geëxporteerd. De tientallen miljarden guldens die dat opbracht zijn niet in het land geïnvesteerd, maar verdwenen. In privé-zakken, naar buitenlandse bankrekeningen. Totdat eind vorig jaar ook het graan verdween. Bulgaars graan dat voor een habbekrats van de boeren was opgekocht door vriendjes van de regering, werd met grote winst aan het buitenland verkocht. En toen gingen de Bulgaren, hongerig, woedend, de straat op. In januari van dit jaar protesteerden zij massaal, weken achter elkaar, tot de regering wel nieuwe verkiezingen móest uitschrijven.
NU, SINDS HET VOORJAAR, regeert de Unie van Democratische Krachten (SDS), onder leiding van Petar Stoyanov. En pas nu worden er echte, zij het onwennige pogingen gedaan om zoiets te beginnen als een vrije-markteconomie. Dat leidt tot een bevreemdend straatbeeld in de hoofdstad Sofia, waar iedereen die drie pakjes zakdoeken en twee haarspelden te koop heeft een eigen kraampje neerzet, terwijl de schappen in de aangrenzende, haveloze 'supermarkt’ nog niet half gevuld zijn met levensmiddelen. En op elke straathoek staat wel een krakkemikkige weegschaal, waarachter een als ondernemer vermomde bedelaar - doorgaans bejaard - zit die voor een paar cent je gewicht vaststelt.
De vrije-marktmentaliteit wordt in haar schuchtere opbloei gehinderd door de maffia, die het land in zijn greep houdt. In Sofia scheuren louche figuren in strakke pakken met hun Mercedes door het rode licht, onder de ogen van de politie die niet durft in te grijpen. Winkels die redelijk draaien moeten fors afdragen, wordt gefluisterd; zij die goed lopen worden overgenomen. Geen wonder dat niemand echt zijn best doet en dat de Bulgaren wordt verweten apathisch te zijn en zich nergens voor in te zetten.
Zoals voor ons berghotel van vannacht. Waarom is dit monumentale pand, uniek gelegen op deze enorme hoogte en toch nog druk bezocht, totaal uitgewoond en verworden tot een bouwval met stinkende plees? We vragen het Nicolaij, een Bulgaar van midden veertig die ’s avonds bij ons aan de ruwhouten eettafel komt zitten. Hij blijkt al vijftien jaar in Nederland te wonen en nu op vakantie te zijn in zijn vaderland. De ex-communisten die nog altijd ongeveer alles bezitten, legt hij uit, laten staatseigendommen als hotels maar ook complete fabrieken doelbewust verkommeren. Net zolang tot die in de boeken niets meer waard zijn. Dan worden ze voor een grijpstuiver opgekocht door een oud-partijgenoot die er een privé-onderneming van maakt. En pas dan wordt geprobeerd met behulp van wat onderhoud en service er een aantrekkelijke en rendabele zaak van te maken. De vroegere communisten, zegt Nicolaij, vormen nu de maffia. En tegenwoordig weten zij de touwtjes in handen te houden met een paar van het kapitalisme afgekeken trucs. Begin jaren tachtig vluchtte Nicolaij voor het regime in Bulgarije. Zijn vreugde over de val van de Communistische Partij in 1989 maakte al snel plaats voor verbijstering. Vanuit Nederland moest hij toezien hoe zijn landgenoten, verblind door de simpele naamsverandering, de oude machthebbers tot driemaal toe democratisch herkozen.
Nu, onder het nieuwe bewind dat er sinds half april zit, is er reden voor iets meer optimisme. Wetten worden in hoog tempo veranderd en de inflatie is wat afgeremd. Maar de werkelijkheid is nog altijd grauw. Veel bejaarden moeten het doen met een pensioen van zo'n vijf gulden per maand, en naar westerse maatstaven leeft driekwart van de bevolking in Bulgarije onder de armoedegrens. Telkens weer wordt ons bijna verontschuldigend verteld dat het land zich eind jaren tachtig - echt waar - economisch kon meten met Spanje en Portugal. Nu is het afgezakt tot het treurige niveau van Albanië en Roemenië.
DE ANDERE MENSEN in de eetzaal, rustig bijeen aan lange tafels, praten vanavond niet over de algehele misère - hen houdt de gebeurtenis van morgen bezig. We bevinden ons midden in de jaarlijkse bijeenkomst van de Witte Broederschap, de niet onaanzienlijke groep volgelingen van de Bulgaarse spirituele leider Peter Danov, die leefde van 1864 tot 1944. In De Meester, zoals men hem hier noemt, is in het jaar 1897 de geest Gods nedergedaald, waarop hij zich de (verlichte) naam Beinsa Duno aanmat. Zijn missie was het Woord aan gewone mensen te verklaren, want de Goddelijke liefde was in hen allen.
Danov maakte zich sterk voor de spirituele wedergeboorte van Bulgarije na vijf eeuwen Turkse overheersing, en kreeg ook over de grens volgelingen. Een andere spirituele meester, genaamd Rudolf Steiner, zou vaak Danovs lezingen hebben bezocht. En Krishnamurti zei volgens de overlevering ooit: 'De Universele Meester is al in een fysieke gedaante op aarde, maar hij is niet hier onder ons. Hij is in Bulgarije.’
En wat verkondigde hij daar? Dat spoedig een 'nieuwe mens’ op aarde zou komen, die in liefde en vrede leeft met anderen en in nauw contact staat met God en met de natuur. Nu, na ruim drie decennia communisme, waarin alle religies verboden waren, herleeft zijn Leer. Twee- tot drieduizend in het wit geklede volgelingen zijn in het Rilagebergte bijeengekomen om morgen, op de 'heilige datum’ die De Meester zelve heeft aangewezen, samen naar boven te gaan. 'Het Rilagebergte is het venster naar het universum’, zegt witte zuster Antoaneta ernstig. 'Hier vind je de oudste, onzichtbare bibliotheken waarin je kunt lezen over de aarde.’ Op de berg schijnt het bovendien vergeven te zijn van de 'kosmische energie’; de lucht is er het schoonst en het water helder, legt Danovist Petar ons uit. 'De natuur is de kerk van de witte broederschap, en de toppen van de bergen zijn onze iconen’, zegt hij. De Leer, in ruim driehonderd publikaties opgetekend, is pantheïstisch - God is overal, in iedere steen, in ieder dier. Er zal dus geen snipper papier worden achtergelaten in de bergen, en communiceren met bomen is hier geen modegril maar een traditie - dat deed de geestelijke leidsman een eeuw geleden al. Het menu van vanavond is vanzelfsprekend streng veganistisch. We eten bonensoep met gerstepap na, bereid met suiker en water. Géén melk - de witte broeders nemen geen drupje zuivel en geen stukje vlees tot zich.
En de Nieuwe Mens - is die er al? Nee, maar De Leer is nog altijd actueel, zegt Petar. De Meester zei immers óók dat je moeilijkheden tegenkomt om ervan te leren. Dat steunt hem. 'We zijn arm, maar ik geloof in God en dat is het belangrijkste.’ Ook in Frankrijk, Amerika, Hongarije en Nederland heeft Danov nog altijd aanhangers, vertelt Petar. Zelfs Albert Einstein, zegt hij trots, was een overtuigd Danovist.
Danov is 'de Raspoetin van Bulgarije’ genoemd, en zijn volgelingen een sekte. Maar - al lijkt de Heer voor sommigen minder belangrijk dan De Meester - de mensen die wij vanavond spreken zijn duidelijk niet georganiseerd, kennen elkaar niet en weten ook niet te vertellen hoeveel Danovisten er eigenlijk zijn. Ze zijn hier gewoon om hun geloof te beleven, boven op de berg die hun kerk is.
EEN LANGZAME STOET van in het wit geklede mensen kronkelt de volgende ochtend tegen de bergwand omhoog, naar het grootste meer. Een voor een zien we de bergmeren liggen. God is overal en in alles, menen de Danovisten. Dat is in deze omgeving niet eens zo moeilijk te geloven.
Dan, op 2450 meter hoogte, strekt zich plotseling een gigantische weide uit waar honderden mensen zich al hebben verzameld. Ze staan blootsvoets opgesteld in twee cirkels, een grote en daarbinnen een iets kleinere, met in het midden een orkestje van violisten, fluitisten en gitaristen. Langzaam zetten de cirkels zich in beweging. De dansers houden elkaar bij de hand en maken eenvoudige, trage passen die hen in nog meer harmonie met de kosmos zullen brengen. Dit zijn de zogenaamde 'paneuritmische dansen’, waarvan Danov er 28 heeft ontworpen. Het ziet eruit als een mengvorm van folkloristisch dansen, t'ai chi en zonnegroeten, zoals ook De Leer een cocktail lijkt van christendom, occultisme en New Age. Meditatie in beweging, noemt Antoaneta de dansen. 'De energie die hiermee vrijkomt helpt niet alleen de dansers maar de hele mensheid’, weet zij.
De muziek verstomt na anderhalf uur van extatische stapjes naar voor, naar achter, naar opzij. De dansers kijken elkaar liefdevol in de ogen en omhelzen elkaar. Wij nemen afscheid en klimmen verder omhoog; we moeten de top nog over naar onze volgende bestemming. Wanneer we boven zijn, kijken we nog één keer om. Beneden ons liggen de blauwe ogen van de Rila te schitteren in de zon, en daartussen zien we twee enorme cirkels in het gras. Boven op een berg in een verpauperd land liggen vandaag een grote en een iets kleinere cirkel, waar witte broeders en zusters met hun blote voeten het gras hebben platgedanst, ter heil van de gehele mensheid.
Natuurlijk wordt het beter in Bulgarije, heeft Petar ons zojuist verzekerd. 'De Meester heeft ons geleerd positief te denken. God heeft alles voorbereid. Deze tijd is het grote examen voor mijn volk.’