Pamflet: De toestand van het onderwijs is precair

Excellente leerlingen? Dan eerst excellente docenten

Als er niet meer slimme docenten bij komen, dan laten we slimme leerlingen in de intellectuele kou staan, blijft de zesjescultuur heersen en domineert de doorsnee.

Medium excellent0

Bijna drie jaar geleden, op een warme namiddag in juni, zat ik op het achterterras van het Catshuis aan een gedekte tafel tegenover minister-president Mark Rutte, die toen nog elke donderdagochtend een uurtje maatschappijleer gaf aan een Haagse mavo-klas. Naast mij zaten onder anderen de directeur-generaal van het ministerie van Onderwijs en een rector van een middelbare school. Onderwijsminister Van Bijsterveldt was afwezig omdat haar zoon die dag vijftien werd. Die verjaardag achtte ze belangrijker dan een tafelgesprek met direct betrokkenen over de precaire toestand in het middelbaar onderwijs.

Wat was er aan de hand? Zeer recent had de Onderwijsinspectie alarm geslagen. De middelbare school zat in de gevarenzone, want de cijfers van de eindexamens Nederlands, Engels en wiskunde – tegenwoordig de drie kernvakken waarvoor je hoogstens één vijf mag halen – waren in vijf jaar tijd steeds slechter gemaakt, terwijl die examens niet moeilijker waren geworden. Het Nederlandse docentenkorps kreeg ervan langs van de Inspectie. Eén op de tien docenten gaf niet goed les, één op de vijf deelde zijn lessen niet efficiënt in en de helft was niet in staat te differentiëren tussen leerlingen, dat wil zeggen tegelijkertijd passend les te geven aan enkele bollebozen, de grote doorsneegroep en een handvol zwakkeren (‘maatwerk leveren’ heet dat in het stuitende onderwijsjargon, waartoe ook de infantiele slogan ‘differentiëren is te leren’ hoort).

En dan was en is er nog het hardnekkige tekort aan docenten, dat wil zeggen degelijk opgeleide, vakbekwame leraren aan wie zowel de slimme als de slome leerling zich kan optrekken. Al meer dan twintig jaar klagen mensen die het kunnen weten dat de professionalisering van docenten achterblijft. Als die achterstand blijft bestaan, is elk praten zinloos waar het gaat over differentiatie, excellentie, weg-met-de-zesjescultuurkreten, scherpere referentiekaders (het Cito bleek bij navraag overigens niet in staat mij uit te leggen hoe het niveauverschillen ‘meet’) en kwaliteitsverhoging.

Maar om die redenen zat ik niet aan die tafel achter het Catshuis, aan de rand van een weelderige tuin. Ik had mogen aanschuiven omdat er net een kritisch boekje van mij was verschenen, Uit de school, over mijn ervaring als docent Nederlands op een middelbare school in de Zuid-Hollandse bollenstreek. In een reeks korte hoofdstukken probeerde ik heel concreet te vertellen wat er zoal in een klaslokaal, met vaak meer dan dertig pubers, gebeurt. Ik stelde vragen. Hoe taalvaardig is de gemiddelde havo- en vwo-leerling van zestien jaar? Bestaat er nog zoiets als huiswerk, of wil de leerplichtige leerling liever werken als pizzakoerier, vakkenvuller, krantenbezorger, slagersknecht of broodjesverkoper? Hoe bestrijd ik het kortermijnmaterialisme onder leerlingen die liever geld verdienen dan lezen of studeren? Hoe kunnen gebrekkig opgeleide docenten – heel veel didactiek en onderwijskunde, steeds minder vakkennis – toch nog degelijk lesgeven aan een vwo-bovenbouwklas als ze zelf slechts havo hebben?

Twintig jaar lang afbraak en bezuinigingen én de terreur van het zogenaamde competentiegerichte leren (de leraar als coach in de marge, de leerling als zelfstandige student) hebben een spoor van vernieling door het voortgezet onderwijs getrokken. De middelbare school is cruciaal. Er is een deltaplan nodig om die school beter te laten aansluiten op het hoger onderwijs, hbo en universiteit. Dan pas kan Nederland een werkelijk vooraanstaand kennisland in de wereld worden en wordt ons land niet rechts en links ingehaald.

Dát was het gespreksonderwerp op die warme zomermiddag en -avond achter het Catshuis. Wij, nobele lesboeren en ambitieuze schoolleiders, fulmineerden op beschaafde wijze tegen het onophoudelijke ideeënbombardement van bovenaf, de eeuwige ‘vernieuwingsdrift’, de toetsenterreur, de vervalsende ‘meten is weten’-ideologie en de treurige, welhaast hopeloze staat waarin de gemiddelde lerarenopleiding verkeert. Rutte en zijn hoge ambtenaren luisterden en notuleerden. Minister Van Bijsterveldt had toen net een prachtig plan gelanceerd zonder ook maar één leraar te hebben geraadpleegd. Misschien vierde ze daarom wel liever de verjaardag van haar puberzoon. Tussen de Cito-toets in groep 8 en het eindexamen van de middelbare school moest er, om de zesjescultuur te bestrijden, nóg een proefneming komen, een zogeheten diagnostische toets om het taal- en rekenniveau van de derdeklasleerling te testen. En hoewel bijna iedereen tegen is, omdat die toets volstrekt overbodig is (de verzamelde docenten wéten aan het eind van de derde klas al lang en breed hoe de leerlingen ervoor staan), gaat het in 2015 ‘gewoon’ door: weer extra werk, weggegooid geld en rendement nul.

Wij hebben het allemaal gezegd, in verschillende toonaarden. Maar politici die écht lezen wat leraren met jarenlange ervaring te melden hebben, beleidsmakers die écht luisteren, bestaan die wel? Waarom zat ik daar achter het Catshuis in de avondzon? Liet ik mijn ego maar een beetje strelen, blies ik stoom af, of meende ik een paar politici en ambtenaren bij de les te kunnen houden en te kunnen corrigeren?

Er is een deltaplan nodig om de middelbare school beter te laten aansluiten op het hoger onderwijs, hbo en universiteit

Er zou een vervolg op deze onderwijsavond op het Catshuis komen. Er kwam geen vervolg, wel Rutte II.

***

Een van de recente toverwoorden in het onderwijs is ‘excellentie’. Vijf procent van de leerlingen schijnt excellent te zijn – dat is iets anders dan hoogbegaafd – en die zeer heldere hoofden dienen de docenten, excellent of niet, beter te bedienen. Hoe? Door hun extra en moeilijker werk te geven: niet het lage leren maar het hogere, inzichtelijke studeren. Dat is gedifferentieerd lesgeven (‘maatwerk’ in simpel en verraderlijk onderwijsjargon), ook al worden de klassen groter; een klas van meer dan dertig leerlingen is voor een kernvakdocent geen uitzondering.

Hoewel de regering de nullijn in de salarissen jarenlang heeft volgehouden – vanaf 2014 is er eindelijk een zeer bescheiden inhaalmanoeuvre die in de verste verte nog niet conform de betalingen in het bedrijfsleven is – wil zij wel extra geld uittrekken voor weer een ander ideetje, deze keer van de Onderwijsraad: prestatieloon voor excellente docenten, teams en scholen. Het is façadepolitiek. Laat ik eens consequent doorredeneren: als excellente docenten een beloning kunnen krijgen, dan moeten slecht presterende docenten financieel een stapje terug zetten. Maar wie binnen een school wil daar verantwoordelijk voor zijn? Sectiehoofden, de rector, afdelingsleiders, jaarlaagcoördinatoren, de conciërge, een paar excellente leerlingen uit vwo6? De docentenkamer zou onleefbaar worden.

Het zal je maar overkomen, topleraar zijn op je eigen school. Dan word je, echt waar, één dag per week vrijgesteld van lesgeven om aan ‘speciale projecten’ – geen idee welke – te mogen werken. Daarvoor krijg je dan tweehonderd euro bruto extra per maand, komend uit de driehonderd miljoen bezuinigingen op het onderwijs voor leerlingen met ernstige leerproblemen, het ‘passend onderwijs’. Briljant idee! Haal de beste leraren weg uit het klaslokaal, geef hun een fooi oftewel een klapsigaar uit eigen onderwijsdoos en zet in plaats van die topsporters een middelmatige meester of juf voor de klas, als die al te vinden is. De ziekte die dan door de docentenkamer waart, heet de pleuris. Niemand gelooft dat met dit idee het lerarentekort voor vooral de kernvakken verdwijnt, laat staan dat de excellentie onder docenten en leerlingen stijgt.

Kleinere klassen, minder bemoeizucht van leken, verplichte bijscholingscursussen voor beroerd opgeleide of routineuze docenten, stimulerende salarissen en – het allerbelangrijkste – een drastische verbetering van de lerarenopleiding: laat alleen vwo-leerlingen toe, zet veel meer doorknede docenten met diepe vakkennis in en besnoei de didactiekwildgroei. Koppel die lerarenopleidingen ook weer nadrukkelijk aan de universiteiten, met alle eisen van dien. Nog steeds presteren de opleidingen ver onder de maat, ondanks jarenlange kritiek en protesten vanuit de middelbare scholen die geconfronteerd worden met beroerd voorbereide jonge docenten: ze weten veel te weinig en dat weinige weten ze niet helder in de klas te presenteren. U denkt dat ik overdrijf? Was het maar waar.

Misschien dat we dan langzaam maar zeker een Finse situatie krijgen: goed betaalde academici met maatschappelijk aanzien die voor een kleinere klas komen te staan en die niet alleen weten hóe ze les moeten geven, maar ook wát. In het Nationaal Onderwijsakkoord van vorig jaar is afgesproken dat onderwijsminister Jet Bussemaker (pvda) tot 2017 bijna zevenhonderd miljoen extra mag uittrekken voor onder meer het voortgezet onderwijs. Om jonge docenten aan te kunnen trekken voor het basis- en voortgezet onderwijs is er tot 2017 150 miljoen uitgetrokken. Een druppel die niet eens op een gloeiende plaat valt. En de veelbesproken 1040 uur per jaar reduceert de regering dan wel tot duizend uur, de werkdruk van en de roofbouw op de doorsneedocent gaat onverminderd door, niet in de laatste plaats door afschaffing van de seniorenkorting (leraren van 52 en ouder krijgen deels betaalde werkverkorting, Bapo genaamd).

Het is helaas compromisbeleid, halfslachtig herstelbeleid. De werkdruk vermindert niet en de salarissen blijven achter: voor de helft van de docenten dé redenen om te overwegen uit het onderwijs te stappen. Dat noem ik een zeer dreigende situatie. En een lerarenbeurs voor verdere studie is dan wel aardig, maar die is te mondjesmaat en te vrijblijvend en vormt geen structureel beleid om een groot reservoir van goede, desnoods excellente, docenten te kweken. Want het klinkt aardig om meer aandacht aan de slimme leerlingen te schenken, maar als er niet meer slimme, dat wil zeggen steviger opgeleide, docenten bij komen – vooral in de kernvakken – dan laten we die slimme leerlingen in de intellectuele kou staan, blijft de zesjescultuur heersen en domineert de doorsnee.

Woorden als harmonie, effectief, permanent, accuraat, cruciaal, ondermijnen – ze zeggen de meeste vwo5-leerlingen niets
***

Een blik op de harde praktijk. Graag zou ik het tekort aan goede docenten in mijn sectie Nederlands snel aanvullen met een paar doorknede docenten die in onder- én bovenbouw inzetbaar zijn, maar helaas was de oogst aan sollicitanten heel mager toen een van ons aankondigde dat ze binnenkort met zwangerschapsverlof ging: twee. We moesten onze wensen drastisch bijstellen en aanpassen aan de rauwe realiteit: roeien met één riem. Goede docenten Nederlands zijn nog steeds zeldzaam. Alleen al dat feit zou alarmerend moeten zijn in onderwijsland, ook omdat de moedertaal in andere vakken (de vreemde talen, geschiedenis, aardrijkskunde, economie, biologie en maatschappijleer) een dominante rol speelt. Hoe vaak moet de ervaren docent nog zeggen dat de toestand te ernstig is voor politieke lapmiddelen op de korte termijn?

Een van de meest huiveringwekkende ervaringen die ik de laatste tien jaar in de bovenbouw opdeed, was het ernstige gebrek aan vocabulaire. Het woordenboek zou elke dag binnen handbereik moeten zijn, maar liever leest de leerling ‘eroverheen’. Woorden als harmonie, antisemitisme, nauwgezet, effectief, permanent, accuraat, cruciaal, miniem, geringschattend of ondermijnen – ze zeggen de meeste vwo5-leerlingen niets… En dit is nog maar een kleine greep uit mijn lespraktijk. Hoe moet je dan, met een krappe of krimpende woordenschat, in godsnaam De Groene Amsterdammer lezen? En hoe kun je, met een lichte taalbagage, je weg vinden in vaak slecht geschreven lesmateriaal dat de vaderlandse geschiedenis, biologische verschijnselen of filosofische of artistieke ontwikkelingen wil uitleggen? Ach, muziek en kunst zijn al lang vakken in de marge van welke schoolactiviteit ook geworden. Niet praktisch en nuttig genoeg, en zeker niet meetbaar.

***

‘Ga er maar aan staan: zeven uur lesgeven aan een klas met zo’n dertig leerlingen en voortdurend alert zijn, anders verlies je grip. Wat mij verbaasde, is dat docenten minder dan de helft van hun werkuren voor de klas staan. Ze hebben zoveel neventaken dat kennisoverdracht een bijzaak lijkt. Een docente vertelde mij dat ze lesgeven tussendoor doet, “als een verzetje”.’ Aan het woord is Paul Rosenmöller, voorzitter van de raad voor het voortgezet onderwijs (VO-raad). Die neventaken (werkgroepjes, dyslexiebegeleiding, schoolreisjes, sportdagen, enzovoort) zijn inderdaad op te veel scholen een woekering geworden, en voor matig presterende docenten een ontsnappingsroute uit het klaslokaal. Het heet promotie als je als docent wordt vrijgesteld van lessen en andere taken binnen school krijgt toebedeeld. Hoe hoger in de hiërarchie, hoe meer je verdient en hoe minder je in de klas staat. Dat blijf ik een bizarre situatie vinden, een weerspiegeling van de verkeerde mentaliteit. In het klaslokaal gebeurt het, de rest blijft ruis.

Maar wat biedt Rosenmöller aan oplossingen? Dan klinkt hij opeens minder verstandig en zakt hij af tot bedenkelijke borrelpraat (het probleem is: iedereen denkt dat hij verstand heeft van lesgeven): ‘Ik zou zeggen: sluit aan bij de belevingswereld van jongeren en gebruik de smartphone of iPad in de les.’ Erger nog, hij wil zijn steentje aan de voortwoekerende onderwijsvernieuwing bijdragen door te beweren dat ‘de maatschappelijke ontwikkeling van individualisering, informatisering en internationalisering over scholen heen gewaaid’ zou zijn. Ach ja, bezoek 25 scholen binnen twee maanden en je bent expert. Dan mag je zomaar zulke onzin debiteren en de docenten voor de voeten lopen. Alsjeblieft, VO-voorzitter, bemoei je niet met wat er in het klaslokaal zou moeten gebeuren, daar heb je geen verstand van.

Ook staatssecretaris Sander Dekker (vvd) weet het beter dan de docent. Nadat zijn ideetje dat leerlingen met een ‘cum laude’ hun eindexamen moesten kunnen behalen, was gesneuveld, komt hij nu met de bewering dat veel intelligente leerlingen zich vervelen en intellectuele uitdaging missen. De excellentie is weer terug. Ik zie heel wat anders in het klaslokaal: onzelfstandige leerlingen die je heldere instructies moet geven – de docent als wandelende en ordelijke agenda – en die snel verdwalen met of in hun smartphone, die altijd binnen handbereik ligt en om de twee minuten door de verslaafden ‘gecheckt’ wordt. Dit is een dagelijkse bron van ergernis onder docenten, die tegelijkertijd al lang weten dat de smartphone (internet, woordenboek!) soms een snelle en effectieve bijdrage aan een les kan zijn. Leerlingen die zich vervelen, vormen een grote uitzondering. Beste Sander, loop eens een paar dagen met me mee, dan zie je hopelijk de weerbarstige werkelijkheid met eigen ogen (weerbarstig is een woord dat de havo- of vwo-leerling helaas niet kent).

***

Begin deze maand gebeurde er iets vreemds in de Tweede Kamer. Twee verstandige Kamerleden van cda en SP vroegen het kabinet om de Rekenkamer een paar financiële zaken te laten onderzoeken, onder andere hoe het komt dat de kosten voor de middelbare scholier de afgelopen tien jaar met liefst vijftig procent zijn gestegen. Hoe zit dat met de lumpsum die elke school krijgt? En wat valt er te zeggen over de verhouding tussen de pure lesgeefkosten en de andere schoolzaken die geld kosten? Het vreemde was dat deze motie – graag inzicht in wat er met het onderwijsgeld gebeurt – werd verworpen omdat vvd en pvda tegen waren. Waarom werd niet duidelijk. En geen krant die het op de voorpagina meldde.

Ach, de lippendienst die de politiek bewijst aan het onderwijs sinds het debacle van het Studiehuis en het competentiegerichte leren (de docent als coach in de kantlijn, de leerling als jeugdige zzp’er) heeft niet veel om het lijf als het echt om krachtdadig onderwijskundig en gericht financieel beleid gaat.

Er bestaat een noodtoestand in het middelbaar onderwijs, probeerde ik de beleidsmakers en de politici in de achtertuin van het Catshuis duidelijk te maken. En die toestand ervaar ik elke schooldag. Zolang er geen ruim reservoir van degelijk opgeleide vakdocenten in de kernvakken is, blijven alle plannetjes en ideetjes lapmiddelen op de korte termijn. Een deltaplan dus.


Graa Boomsma is schrijver en docent Nederlands.