De nieuwe generatie gaat het helemaal anders doen

Excellentie is belangrijker dan gelijkheid

Ze zijn jong, welbespraakt en onbeschaamd intellectueel. Ze bestormen weblogs en opiniepagina’s met dwarse overtuigingen en wijzen op de tekorten van zowel liberalisme als socialisme. De Groene spreekt drie jonge conservatieven over hun alternatief.

MIDDEN IN DE SALON, één hoog in een statig pand nabij de Amstel, zit een stel twintigers en dertigers in een kring bij elkaar. Schrijvers, sociale wetenschappers, theatermakers, journalisten. Het is vrijdagavond en dit is geen groepstherapie, maar een ad hoc bij elkaar geroepen gespreksgroep. Onderwerp van gesprek: een onbestemd gevoel van onvrede over de stand van het land. Daaronder ligt een diffuus en daardoor moeilijk te definiëren onbehagen over de rol die de deelnemers daar zelf in spelen.
Een elitair gezelschap? Zeker. Het moet wel heel raar lopen of er komt niet ten minste een minister, hoofdredacteur of schouwburgdirecteur uit voort. Maar vanavond overheerst vooral het onvermogen. ‘Er moet een beweging komen’, roept iemand. 'We hebben nieuwe publieke intellectuelen nodig’, meent een ander.
Maar zodra het al te concreet wordt, is daar de ironische wending. 'Tja, ik zou niet weten wie zo'n publieke intellectueel kan zijn. Behalve dan ikzelf.’ En: 'Om een beweging te beginnen heb je een vijand nodig. Wie zullen we vanavond eens de oorlog verklaren?’
Ziehier de crisis in het gedachtegoed van jonge progressieven: al het absolute is taboe. 'Ik wil gewoon geïnspireerd worden. Naar een rolmodel luisteren dat mij kan motiveren’, vat een van de aanwezigen de avond samen. 'Maar ik zie van alles altijd meteen het tegenargument. Bij iedereen met een vergezicht zie ik meteen al de teleurstelling aankomen dat het tegen gaat vallen.’

NIETS VAN DAT alles in kringen van jonge conservatieven - althans, niet op het eerste gezicht. Daar waar in de linkse salon nogal omslachtig en zoekend geformuleerd wordt, vallen deze jonge denkers op door trefzekere volzinnen die lijken op te komen uit een coherent wereldbeeld. Het conservatisme is overigens al lang niet meer het exclusieve domein van behoudende heren van christelijke huize. De Groene sprak met Thierry Baudet (27), Diederik Boomsma (32) en Rob Goossens (20). Drie jonge mannen aan het begin van respectievelijk een academische, politieke en journalistieke loopbaan, die in hun zoektocht naar een wereldbeschouwing zijn uitgekomen bij het conservatisme. Een stroming die ze overigens in verschillende mate hebben omarmd. Boomsma is de meest uitgesproken conservatief, als bestuurslid van de Edmund Burke Stichting. Goossens heeft het conservatisme gaandeweg leren waarderen, bloggend voor het weblog Dagelijkse Standaard van Joshua Livestro, maar profileert zich tegelijk graag als 'excuus-lefty’. Baudet is meer een beschouwer van de stroming: 'Ik wil laten zien dat conservatisme niet per se haaks staat op liberalisme en socialisme, maar daar een kritische aanvulling op kan zijn.’
Alledrie zijn ze geboren en getogen in overwegend liberale gezinnen, waarin religie geen prominente plaats innam. Te stellen dat zij een bekering doormaakten zou te ver voeren, maar alledrie zijn pas later de waarde van christendom, deugdethiek en gemeenschapsdenken gaan zien.
Baudet verklaart zijn wending tot het conservatisme uit de leegte die hij ervoer in zijn gesprekken met liberale vrienden. 'Liberalisme en socialisme hebben geen vocabulaire voor de morele en culturele kanten van het samenleven.’ Goossens kwam uit een D66-nest, maar was teleurgesteld in het 'kuddegedrag’ in deze partij. 'Toen Pechtold op het partijcongres een staande ovatie kreeg, wist ik dat D66 niet langer mijn partij was. Als daar echt autonome individuen hadden gezeten, waren ze wel blijven zitten. Het conservatisme is tenminste eerlijk en uitgesproken over dat er meer is dan alleen individuen.’ Boomsma, opgeleid als milieukundige, studeerde en werkte zeven jaar in Spanje en Engeland voordat hij eind 2004 terugkeerde om zich weer in Nederland te vestigen. 'Dat was een cultuurshock. Ik heb toen een tijd veel televisie gekeken en vond dat verschrikkelijk. Al die praatprogramma’s op tv waren zo dom, zo opgefokt, zo eenzijdig links. Toen ik vervolgens naar inhoud zocht, kwam ik bij het conservatisme uit. Dat bood mij een venster op een drieduizend jaar oude dialoog, op de bronnen van onze beschaving.’
Een dergelijk verlangen naar 'inhoud’ spreekt ook uit het relaas van Rob Goossens. Geboren en getogen in de Achterhoek is hij sinds een half jaar neergestreken in 'de residentie’, zoals hij met veel gevoel voor decorum zegt. Jong als hij is hanteert hij nu al een jargon dat je eerder van bedaagde Rotary-leden verwacht dan van een gesjeesde sociologiestudent. Inclusief de rabiate, met veel aplomb gebrachte stellingnames: 'Het liberalisme is wel de meest verkrachte term die er is. Dat kan echt van alles betekenen. Ik deel wel het liberale verlangen naar een kleine overheid, maar ik wil ook ethische kwesties kunnen toetsen aan wat je van de staat moet verwachten. Toen ik een tijdje in de Bijlmer woonde, zag ik meisjes morning-afterpillen bestellen alsof het pakjes sigaretten waren. Abortus is normaal geworden en dat is geen wonder, want door het vast te leggen in de wet is het niet langer onderwerp van gesprek. De wet wordt de norm, in plaats van andersom. Wetgeving is gestolde moraal, maar ik zie veel liever een vrije moraal, waarin de overheid niet alles vast wil leggen. Mensen moeten voor zichzelf kunnen nadenken.’
Diederik Boomsma gaat verder dan Goossens, door te stellen dat ook het vrijemarktkapitalisme zelf niet zonder morele uitgangspunten kan: 'Er zitten bepaalde inherente destructieve krachten in het kapitalisme, zoals monopolievorming en een neiging tot oligarchie. Daarom moet je aan de ene kant dingen buiten de markt houden. Maar uiteindelijk gaat het in het conservatisme om de ziel. Vrijheid is niet doen waar je zin in hebt, maar zelfbestuur, zowel van het individu als van de gemeenschap. Vrijheid en deugd zijn verbonden. Het probleem is: hoe minder deugd, hoe meer overheidsingrijpen. Moraal en regulering zijn communicerende vaten. Zo zijn ook liberalisme en socialisme met elkaar verweven, omdat individualisering de noodzaak van een grote staat oproept.’
Thierry Baudet formuleert wat omzichtiger, maar ook hij stelt met een gevoel van verlies vast dat de 'almacht van het geld’ andere aspecten van het samenleven heeft weggedrukt: 'Er zijn niet alleen uiterlijke wetten, maar ook innerlijke wetten. Niet alles dat geld oplevert, moet je zomaar doen.’ We hoeven volgens Baudet niet massaal opnieuw religieus te worden om dat ethisch besef weer te herwinnen. Hij haakt veelvuldig aan bij het humanisme van de vroeg-twintigste-eeuwse denker Irving Babbitt: 'Babbitt zegt, in feite: “Je bent geen mens, maar je moet mens worden. Leren jezelf in toom te houden als dat nodig is, door het trainen van de deugden en de wilskracht.” Zo haal je het beste uit je leven.’
Precies op dit punt, persoonlijke integriteit, komt de elitekritiek van het drietal het duidelijkst naar voren. Baudet: 'Juist de elite zou zich iets van zulke verhalen moeten aantrekken. Wie aan de top van de piramide staat, draagt ook een grotere verantwoordelijkheid.’ Baudet signaleert bijvoorbeeld een devaluatie van het werk van een politicus. 'Politici zien hun werk steeds meer als een gewoon vak in plaats van als een ambt. Na een of twee periodes gaan ze met een vol adressenboekje naar een consultantkantoor of de top van een onderneming, om daar veel meer geld op te strijken.’
Het is niet moeilijk te bedenken op welke politici hij hier doelt - vrijwel de hele top van Balkenende IV heeft inmiddels deze weg bewandeld. 'Vanuit het liberalisme kun je daar niks over zeggen, want alle moraal is individueel. Vanuit het socialisme kun je het hooguit belasten. Maar Edmund Burke stelt daar een idee van staatsmanschap tegenover. Een politicus houdt zich bezig met de volgende verkiezingen, een staatsman met de volgende generatie. Samenleven is volgens hem niet slechts een contract tussen levenden, maar ook tussen de doden en de niet-geborenen. Je bent hun iets verschuldigd. Je zit op de bok om iets door te geven.’
Boomsma verwijst naar de jaren zestig als de bron van het greed is good-idee dat sinds de jaren tachtig opgeld deed: 'Door de banden met de gemeenschap door te snijden, hebben de zakelijke en politieke elites hun taak om cultureel betrokken te zijn bij hun vaderland verzaakt. Vroeger stonden koning en volk vaak samen tegenover de adel. Nu is er een zekere rancune tegen een elite die zichzelf verheft boven de concentratie op geborgenheid en het eigene die ze bij het volk waarneemt. Terwijl juist leiders dat moeten beantwoorden en verheffen - kanaliseren tot een positieve kracht.’
Goossens verklaart de populariteit van rechtse politiek onder jongeren uit de zelfgenoegzaamheid die deze breuk met zich meebracht: 'Sinds Fortuyn rebelleren we tegen een cultuur van mensen in één kliek die elkaar de hand boven het hoofd houden om hun eigen positie niet in gevaar te brengen. Tegen mensen die lid worden van een partij om hun eigen carrière in de steigers te zetten. We verlangen naar leiders die respect krijgen en er niet om vragen. Dat maakt Rutte volgens veel jongeren tot een goede premier: hij is vertrokken bij Unilever om zich aan de publieke zaak te wijden en heeft allerlei obstakels moeten overwinnen om te komen waar hij nu zit. Het probleem is niet dát er een elite is, maar dat de zittende elite zo teleurstelt.’
Hun elitekritiek lijkt hier en daar op die van vorige generaties, die het gesloten Nederlandse blanke mannenbolwerk wilden slechten. Toch is er een wezenlijk verschil, zegt Baudet: 'De linkse elites wilden het hele idee van een elite afschaffen. Die zagen verheffing als een manier om iedereen op hetzelfde niveau te krijgen. Conservatieven stellen het belang van kwaliteit en excellentie boven zaken als afkomst of rijkdom. Je moet daarbij het paard niet achter de wagen spannen. Je hebt eerst excellentie nodig, voordat je de samenleving mee kunt trekken. Als je het zo bekijkt heb je meer aan één briljante dokter, dan aan vijf middelmatige dokters. Die ene briljante arts trekt het niveau van allen omhoog.’
Het woord is gevallen: gelijkheidsdenken. Dit is de tendens waar de drie jonge denkers het meest fundamenteel tegen fulmineren. 'Als je het helemaal letterlijk neemt, dan is het idee van gelijke kansen een totalitair idee’, stelt Boomsma zelfs. 'Om dat te bereiken móet de staat wel krachtig ingrijpen.’ Hij begrijpt overigens wel hoe dat idee tot stand kwam: 'In de geschiedenis zie je dat alle democratieën die als meritocratie functioneren rancune voeden en uitlokken. Als je het dan niet maakt, is dat je eigen schuld, en dat is een moeilijk verteerbaar idee.’
De crux ligt volgens Baudet in het gegeven dat een samenleving enerzijds hiërarchie en organisatie nodig heeft, maar tegelijk voldoende 'fluïde’ moet zijn. 'Utopia bestaat niet, we moeten elke dag weer aan onszelf werken. Er is geen systeem dat ons die verantwoordelijkheid uit handen neemt.’ Het sleutelwoord voor deze eeuw is volgens hem het begrip gemeenschap: 'Wat hebben we nog met elkaar gemeen? Wat delen invliegende managers nog met de werkvloer, welke verantwoordelijkheid heb je naar de gemeenschap, wat betekent religie nog voor ons? Conservatieven denken daarover na.’

WAT DEZE DRIE vertegenwoordigers van het Nederlands conservatisme met elkaar verbindt is niet de uitkomst van hun denkproces, maar de inzet ervan. Niet de maakbare mens, die door markt of staat tot een rechtvaardige verdeling van de middelen komt, maar de breekbare mens, die niet altijd doet wat hij zegt te willen of kunnen, staat in hun filosofie centraal. Het weerhoudt ze er niet van met een ongebreidelde energie aan hun oeuvre of carrière te werken. Baudet rondt met een jaar voorsprong zijn promotieonderzoek bij Paul Cliteur af en werkt aan een opvolger voor de succesvolle bundel met portretten van conservatieve denkers, Conservatieve vooruitgang. Boomsma is niet alleen raadslid van het CDA en bestuurslid bij de Burke-stichting, maar eveneens regelmatig opiniescribent in de kolommen van de Volkskrant. Goossens hoopt via een baantje als webredacteur voor Spits op te klimmen tot politiek commentator van De Telegraaf.
De zittende elites stellen de hoogdravende epistels van deze heren overigens niet altijd op prijs. In een vakblad over mensenrechten werd onlangs een hele rubriek gevuld met Baudet-bashing, naar aanleiding van diens aanval in de Opinie & Debat-bijlage van NRC Handelsblad op de legitimiteit van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Op Facebook ontstond vorig jaar een plagerige pagina over 'Thierry Baudet, de Nederlandse BHL’, waar hij na ieder mediaoptreden nogal vilein op de hak wordt genomen als een wannabe-Franse intellectueel die te hoog van de toren blaast. Ook Boomsma moest het ontgelden, toen hij in de Volkskrant fulmineerde tegen 'ontaarde’ twaalftoonsmuziek en abstracte kunstvormen. Een halve krant kon worden gevuld met hartstochtelijke stukken van de hand van de vaderlandse kunstelite.
Het cliché over de de kop die maar niet boven het Hollandse maaiveld mag uitsteken lijkt voor de hand te liggen. Toch is er meer aan de hand: er lijkt een fundamenteel onbegrip te bestaan over de andere toon en het nieuwe paradigma dat deze jonge denkers verkondigen.
Nog even terug naar de Amsterdamse salon, waar jonge randstedelijke progressieven naar een nieuw verhaal zochten. Ook daar overheersen de desillusies over de luchtkastelen van de twintigste-eeuwse ideologieën en een generatie carrièreleiders die niet vanuit zorg en bezieling, maar vanuit berekening opereert.
Wat progressieve en conservatieve jongeren delen is kortom een zeker dédain voor de elites uit voorgaande generaties en de vastberaden wil om het zelf anders te gaan doen. De progressieven vertalen dit veelal in postmoderne ironie, wat overigens weer wat anders is dan apathie of nihilisme. De conservatieven laten de ironie achterwege, maar verdisconteren in hun mensbeeld het feit dat een mens niet altijd doet wat hij wil.
'Het is wel ironisch’, stelt Baudet vast, 'dat juist D66, de partij die het pragmatisme boven de ideologie wilde verkiezen, in feite het meest aansluit bij het twintigste-eeuwse conservatisme. Ook conservatieven maken van hun isme soms een ideologie, maar de kern van het conservatisme is juist ideologiekritiek.’
Een wantrouwen jegens verhalen die de menselijke maat te boven gaan - dat klinkt ook de twintigers in de salon vermoedelijk vertrouwd in de oren. Hoewel iedereen in de ruimte vaststelde dat er in Nederland te veel naar binnen gekeken wordt, pleitte niemand bijvoorbeeld voor een groot, veelomvattend project-Europa.
Die nieuwe conservatieven, kortom, zijn progressiever dan het vaandel waarachter ze staan opgesteld doet vermoeden. 'Conservatief staat dan ook tegenover revolutionair en niet tegenover progressief’, stelt Baudet dan ook. Progressieven van nu zijn vooruitgangsdenkers met een groot realisme over het tempo, de diepgang en de schaal van deze vooruitgang. 'En dat is weer bijna de definitie van conservatisme’, stelt Baudet vast.