Media

Excellshit

Bezien vanuit het perspectief van de communicatie behoorden de afgelopen weken tot de meest vreemde van mijn leven. Symbool hiervan was een kleine ervaring tijdens een etentje bij kennissen. Drie kinderen in de leeftijd tussen zeventien en dertien. Ze waren door de ouders opgetrommeld aanwezig te zijn en hadden daar duidelijk geen zin in. Maar ze moesten toch eten, dus…

Ze gingen zitten, op rechte stoeltjes, precies tegenover de bank waarop wij zaten. Ze keken. Ik keek. Ze zwegen. Ik vroeg. Ze knikten. Ik vroeg door. Na een minuut of wat gaf ik het op en begon een gesprek met de ouders. Toen ik opkeek waren alle drie druk met hun telefoontje. Toen ik weer opkeek, waren ze dat nog steeds. Na een kwartier vroeg ik wat ze aan het doen waren. ‘Zomaar wat’, luidde het antwoord. ‘Maar zoeken jullie websites, zitten jullie te whatsappen, Facebook, Twitter?’ ‘Zo’n beetje van alles’, luidde het antwoord. ‘Maar er is toch wel iets wat jullie het liefste doen?’ Alleen de oudste, zes athenaeum, had een antwoord. Twitter. Hij had in een kleine twee jaar zo’n 44.000 Twitter-berichten verstuurd. ‘Waarover in hemelsnaam’, vroeg ik. ‘Van alles.’ Ik heb het later gecontroleerd. Het klopt. Van alles. Maar verreweg het meeste is gebabbel.

Deze leerzame non-communicatieve ervaring viel midden in een periode van grote communicatieve verwarring. Begin augustus kreeg ik opeens te horen dat mijn vader en zijn vrouw, beiden oeroud, niet langer op zichzelf konden wonen. Er was geen keus. Het was wij of de crisisdienst. Dat laatste laat je niet gebeuren, dus je pakt de telefoon en… Waar je dan in verzeild raakt, kunnen zelfs de meest wilde spinnen niet verzinnen. CIZ, GGZ, GGD, huisartsen, thuiszorg, bejaardenflatbeheerders, zorgmanagers, CZ, indicaties, diagnoses, het is werkelijk jammer dat ik van de circa vierhonderd gepleegde telefoontjes niet een logboek heb bijgehouden, je zou er de slappe lach van krijgen als het niet zo om te huilen was. Het meest ‘amusante’ van al is nog dat alles zo goed geregeld is dat niemand meer weet hoe het in elkaar zit. Ja, in theorie natuurlijk wel. Precies zelfs. Het protocol. De afspraak. De excellsheet. Maar er zijn zoveel afspraken, zoveel theorieën, zoveel protocollen en er is zoveel excellshit dat je volgens mij beter af bent in de jungle. En het ergste nog: iedereen is even aardig, iedereen is even behulpzaam, iedereen even begripvol. Met andere woorden: je kunt niet eens boos worden. Sterker nog: dat doen zij wel voor je. ‘Het is toch een schande’, zegt de mevrouw uit Friesland die de telefoon opneemt van de landelijke instelling die je belt. ‘Wij doen dat hier heel anders.’ De volgende keer krijg je op hetzelfde nummer een mevrouw uit Overijssel. En weer wordt de gang van zaken een schande bevonden en krijg je te horen dat het ‘bij hen’ anders gaat dan ‘daar’. ‘Tja, we kunnen er niks aan doen, maar in Brabant’, aldus weer een andere, allerliefste mevrouw, ‘doen we dat toch echt anders dan in het noorden.’ ‘Dat kan helemaal niet’, zegt de man van het GGZ. ‘Dat bepalen wij, niet…’ Er zijn dus niet alleen zoveel afspraken dat niemand meer weet hoe ze werken, er zijn ook nog eens zoveel uitvoeringen dat de afspraken niets voorstellen. Ondertussen zit je met oeroude, stervende, demente ouders. Je mag het woord kafkaiaans niet gebruiken, zei iemand me, dat is zo cliché. Ik doe het niet. Ik gebruik een ander woord: Sovjet-Unie.

Een jaar of wat geleden publiceerde ik een boekje over de Nederlandse managerscultuur, getiteld Het zand in de machine. Toen bedacht ik voor het eerst een zin die me afgelopen weken telkens en telkens door het hoofd is geschoten: de oplossing is het probleem. Dat klinkt als onzin maar is het niet. Ik zie het in het onderwijs, in de maatschappelijke organisatie, in de zorg, overal – en volgens mij wordt het met de dag erger: er is zo veel geregeld en afgesproken dat de regels, afspraken en andere oplossingen het probleem zijn geworden. De mensen die over de afspraken gaan, zijn zo druk met het nakomen, herorganiseren en ordenen ervan dat ze vergeten dat die afspraken een middel zijn. Ondertussen wordt het doel vergeten.

Terug naar het vermakelijke drietal uit mijn kennissenkring. Niemand kan ontkennen dat jonge mensen moderne communicatiemiddelen beter beheersen dan degenen die er op latere leeftijd kennis mee gemaakt hebben. Probleem is alleen dat het ingeven met de paplepel blijkbaar zo’n vorm van verslaving met zich meebrengt dat de verhoudingen verloren raken. Mens en machine worden één – en daar is wellicht weinig op aan te merken als de hiërarchie de juiste blijft. Maar dat lukt blijkbaar niet. Vroeger zeiden we dat het werktuig een verlengde was van de mens: media. Tegenwoordig is steeds vaker het tegenovergestelde het geval. We zijn collectief gek geworden. Slaven.