In het wereldberoemde tv-debat uit 1965 tussen conservatief William F. Buckley jr. en schrijver James Baldwin vertelt Baldwin over een aantal feiten dat jonge zwarte Amerikanen, kinderen nog, gauw leert. ‘It comes as great shock to discover that the country which is your birthplace’, zegt hij, ‘to which you owe your life and your identity, has not, in its whole system of reality, evolved any place for you.’

Het is een prachtige zin, waarin iedereen die eens behoorde tot een minderheid of (historisch) onderdrukte groep wel iets herkent. Is hier werkelijk plaats voor mij, in de breedste zin van het woord? Zit ik hier, of wat ik belichaam, in de symbolische ruimte, de archetypes, de identiteit, het historisch zelfbeeld, de nagestreefde toekomstvisies?

Ik moest aan dit debat denken toen ik afgelopen week las over de formele excuses die het kabinet gaat aanbieden voor de betrokkenheid van de Nederlandse staat in slavenhandel van de zestiende tot de negentiende eeuw. Het heeft lang geduurd; in 2001 kwam toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Roger van Boxtel (D66) niet verder dan het gekunstelde en gewoonweg vreemde ‘diepe spijt, neigend naar berouw’. En vorig jaar vroeg onze premier zich nog haast filosofisch af ‘wie hij was’ om de daden van zijn voorgangers te veroordelen.

Het idee is nu dat op 19 december zeven kabinetsleden zullen afreizen naar Suriname, Curaçao, Aruba, Sint Maarten, Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Daar zullen zij, begrijp ik, op maat gesneden excuses aanbieden, rekening houdend met de slavernijgeschiedenissen van deze locaties. Premier Rutte zal formeel excuses maken vanuit Nederland, waarna minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf (D66) in gesprek zal gaan met de nazaten.

(Waarom de premier die gesprekken niet zelf voert is mij onduidelijk, maar soit.)

De afwikkeling van de excuses van Nederland biedt weinig hoop

Zal Nederland met deze excuses als startschot nu inderdaad meer plaats maken – in its whole system of reality, om met Baldwin te spreken – voor zijn slavernijverleden en alle historische, maatschappelijke, identitaire en sociale processen die dit teweegbracht en nog steeds brengt? Het is zeer de vraag.

Om te beginnen: de afwikkeling van de excuses biedt weinig hoop. Geëngageerde organisaties, zoals de Nationale Reparatie Commissie Suriname en de Curaçaose Vereniging ter Bevordering van Historisch Bewustzijn, wisten niets van de plannen van 19 december en moesten ervan horen via de pers. Premier Mark Rutte nodigde deze organisaties daarom subiet uit om op 8 december op het Catshuis te komen praten over ‘de best mogelijke manier om vorm te geven aan erkenning, herdenking en aandacht voor doorwerking van het slavernijverleden in het hier en nu’. Oei, 8 december, klonk het direct. Dan is ook de herdenking van de Decembermoorden – kennelijk even vergeten door Rutte en de staf van het kabinet (over systems of reality gesproken).

Een paradoxale toestand: excuses die rijkelijk laat komen aan geloofwaardigheid laten inboeten door haastigheid. De kans dat het geven van erkenning doel treft neemt natuurlijk sterk af als betrokkenen bij die erkenning weinig erkenning krijgen, onder meer als het gaat om timing, plaats, gekozen woorden, locatie, noem maar op. In zijn recente dichtbundel Demerararamen (2021) schrijft Antoine de Kom (de kleinzoon van) dan ook schertsend: ‘ik wou zo graag dat jij met mij gelijke bent en blijft/ al heb ik je geknecht tot mijn slaaf gemaakt/ (…)/ wou zo dat je in mijn woorden past diverser dan divers/ en kleurig al ontkleurd tot wat nu onze standaardporno blijven mag’.

Bronnen in Den Haag lekten dat het kabinet, naast de formele excuses, ook voornemens is tweehonderd miljoen euro uit te trekken voor een ‘bewustwordingsfonds’ met betrekking tot het koloniale slavernijverleden van ons land. Het is in nevelen gehuld wat dit precies inhoudt en waaraan het besteed zou worden. Duidelijk is wel dat het laatste woord er nog niet over gezegd is. Zo tweette vvd-Kamerlid Pim van Strien over dit fonds: ‘Als dit waar is – is het waanzin (…) Wat de @VVD betreft is dit geen gelopen race’. Kennelijk dacht dit Kamerlid dat we er met excuses waren, streep eronder. Niets is minder waar – de excuses zijn een eerste noodzakelijke stap, een begin.

Er wordt weleens gesteld dat de democratische rechtsstaat een ‘dunne’ nationale identiteit moet hebben, draaiend om bijvoorbeeld uitsluitend de grondwet. Te veel ruimte voor geschiedenis in het grote verhaal over ‘wie wij zijn’ zou alleen maar uitsluiten. Dat is onjuist, lijkt mij. Een nationale identiteit moet veel doen. Die moet verbinden, waarachtig zijn, herdenken, inspireren, waarden uitdragen én een basis vormen voor gelijkwaardig burgerschap en wederzijdse identificatie. Dit maakt deze identiteit al gauw ‘dik’ – de verhalen van alle burgers en hun identiteiten moeten erin – en de officiële nationale geschiedenis is er een belangrijk onderdeel van. Het gedicht van de Amerikaanse Amanda Gorman, The Hill we Climb, is een uitstekende illustratie van wat een nationale identiteit vermag. Zij sprak: ‘It’s because being American is more than a pride we inherit/ ‘it’s the past we step into/ and how to repair it’.