Sharon schuld in Sabra en Shatila

«Excuses? Waarvoor?»

Op 15 mei beslist de Belgische rechter of de Israëlische premier Ariel Sharon mag worden vervolgd wegens zijn aandeel in het bloedbad van Sabra en Shatila in Libanon. De Palestijnen in de vluchtelingen kampen wachten af, temidden van de massagraven.

Shatila, Libanon — Het enige bekende massagraf in Shatila ligt er vredig bij. Twee jaar geleden diende het nog als voetbalveld en vuilnisbelt, maar nu is het een keurig aangeharkt parkje met drie bomen en een reeks verwelkte rozen. In het midden liggen enkele bloemenkransen. Het is een sober aandenken aan de slachtoffers van een van de beruchtste bloedbaden van de twintigste eeuw, en een zeldzaam moment van rust in het erbarmelijke Palestijnse vluchtelingenkamp dat ligt verstopt achter het gloednieuwe stadion in de onderbuik van Beiroet.

De zwartste dag in het toch al niet rooskleurige dagboek van de Palestijnen in Libanon is 16 september 1982. De christelijke Falange-militie stormde de kampen Sabra en Shatila binnen en ging zich te buiten aan een veertig-urige orgie van geweld: honderden mensen werden verkracht, mismaakt en vermoord. Naar verluidt verkeerden velen van de daders onder invloed van drank en cocaïne.

Vorig jaar juni, een week voordat Slobodan Milosevic voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag verscheen, klaagden 23 overlevenden van het bloedbad de Israëlische premier Ariel Sharon aan op grond van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en volkerenmoord. Sharon, indertijd nog minister van Defensie, wordt ervan beschuldigd de slachting te hebben geregisseerd. De zaak werd aanhangig gemaakt voor de rechtbank van Brussel, die op 6 maart jongstleden de beslissing Sharon wel of niet te vervolgen, opschortte tot 15 mei. Ondertussen wachten de Palestijnen in Sabra en Shatila af.

Toen de jonge weduwe Samiha Hijazi op 16 september hoorde dat «de soldaten» kwamen, vluchtte ze met haar drie kinderen onmiddellijk naar een van de vele schuilkelders in het stegenrijke Shatila. Zij hielden zich twee dagen stil en bleven ongedeerd. Samiha’s oudste dochter Zeinab was er echter niet bij. Zij was net getrouwd en vier maanden zwanger. Zij besloot bij haar man en diens familie te blijven.

«Toen alles voorbij was, heb ik vier dagen gezocht», zegt de 63-jarige vrouw. «Ik vond Zeinab uiteindelijk met een doorgesneden hals te midden van een stapel lijken. Ze lag naast haar beste vriendin die ook zwanger was. Mijn schoonzoon was in drie stukken gehakt, zijn hoofd hebben we nooit teruggevonden.»

De kleine, bedompte huiskamer van Samiha’s tweekamerappartement in het hart van Shatila is als een altaar voor haar dochter. Vanaf de vele foto’s en schilderijen aan de muur lacht ze de bezoeker toe — de lange zwarte haren los over haar schouder. Het is de lach van een zorgeloze zestienjarige. In de kast naast de bank staat nog haar trots van toen: een radiocassetterecorder, die tijdens de Libanese variant op de «nacht van de lange messen» kapot werd geschoten.

Even verderop woont de 71-jarige Ali Fayad. Hij is Libanees, maar dat maakte de Falangisten weinig uit. «Ze vroegen wel om onze identiteitsbewijzen, maar namen die vervolgens gewoon in», zegt de tandeloze man in zijn afgewassen Reebok-shirt. «Mijn vrouw, zoon en twee dochters werden naar de hoofdstraat afgevoerd en geëxecuteerd. Ik werd met zo’n veertien andere mannen hier tegen de muur gezet.» Hij wijst op de muur aan de overkant van de straat, waarop de kogelinslagen nog zichtbaar zijn. Ali werd zes keer getroffen. Hij hield zich twee dagen dood onder het lijk van een ander en lag na afloop van het bloedbad veertig dagen in het ziekenhuis. Maar het leven ging door. Ali hertrouwde en had opnieuw drie kinderen. «Ik heb ze allemaal naar mijn eerste kinderen vernoemd», zegt hij beslist. «Abes, Naja en Maha.»

In dezelfde straat als Ali woonde vroeger ook Suad Sreir, een van de belangrijkste personages in de onthullende BBC-documentaire The Accused. Zij werd verkracht en verloor haar vader, drie broers en twee zussen. Adnan Mekdad verloor zijn vader, moeder en zo’n veertig familieleden. En zo gaat de lijst maar door.

Volgens de Libanese autoriteiten kwamen 460 mensen om het leven, volgens de Israëlische zo’n zevenhonderd, terwijl het Palestijnse Rode Kruis het houdt op minstens tweeduizend, waarvan de meesten vrouwen, kinderen en ouderen. Het exacte aantal slachtoffers zal echter nooit bekend worden. Vele lijken verdwenen immers in het anonieme massagraf aan de rand van het Shatila-kamp, terwijl honderden mannen werden afgevoerd en nooit zijn teruggezien. Vermoed wordt dat er zich een tweede massagraf bevindt onder de golfbaan van de Libanese hoofdstad.

De tragedie van Sabra en Shatila vond plaats in de nadagen van de Israëlische invasie in Libanon onder leiding van Ariel Sharon. Aanvankelijk was het de bedoeling slechts een bufferzone te creëren in Zuid-Libanon, maar de doorgewinterde generaal hield er een ambitieuzer agenda op na. Twee weken na de inval in juni 1982 stond hij in Beiroet om, zoals hij in zijn autobiografie Warrior schrijft, voor eens en voor altijd met Arafat af te rekenen.

Chibli Mallat, een van de drie advocaten die de zaak in Brussel aanhangig hebben gemaakt, was ten tijde van Sharons intocht een 22-jarige rechtenstudent. «Wij woonden net buiten Beiroet in Baabda tegenover het presidentieel paleis», zegt de 42-jarige in zijn ruime kantoor vlak bij het weer opgekalefaterde nationaal museum van Beiroet. «Door de oorlog was er geen elektriciteit en de nacht was altijd pikzwart. Maar op een avond was plots het paleis fel verlicht. Wat bleek, Sharon had zijn tankcommandanten opdracht gegeven hun schijnwerpers op de façade te richten, zodat hij met veel fanfare, als een soort Napoleon, zijn entree kon maken.»

In Beiroet schreef het Israëlische leger een van de bloedigste hoofdstukken van de Libanese burgeroorlog. In twee maanden van huis-tot-huis-gevechten en zware bombardementen kwamen naar schatting twintigduizend Palestijnen en Libanezen om het leven. Ook vonden zo’n zeshonderd Israëlische militairen de dood. In augustus werd een wapenstilstand overeengekomen. Arafat en de zijnen kregen een vrije aftocht naar Tunis onder de absolute Amerikaanse garantie dat de burgerbevolking niets zou overkomen. Op 11 september 1982 verklaarde Sharon echter dat er zich nog «tweeduizend terroristen» in de kampen Sabra en Shatila bevonden. Op 16 september maakte een woordvoerder van het Israëlische leger bekend dat «de Tsahal (Israeli ‘Defense’ Forces) alle strategische punten controleert. De vluchtelingenkampen, inclusief de concentraties terroristen, zijn omsingeld en afgesloten.» Diezelfde avond vielen de Falangisten de kampen binnen. Een paar dagen eerder was immers «hun» president Bashir Gemayel opgeblazen en zij verdachten — ten onrechte — de Palestijnen. Sharon heeft altijd beweerd van niets te weten. «Geen van ons», zo zei hij in 1985, «geen van onze soldaten, niemand van onze commandanten, noch ikzelf of iemand van onze politieke leiders in Israël was betrokken bij die tragische gebeurtenis.» Toen hij vorig jaar wederom werd gevraagd dan ten minste zijn excuses te maken, antwoordde hij: «Excuses? Waarvoor?»

Uit de getuigenverklaringen spreekt een ander verhaal. Zo hielden Israëlische tanks en soldaten vluchtende mensen tegen, werden de kampen ’s nachts «handig» verlicht met lichtgranaten en stonden Israëlische officieren in voortdurend radiocontact met de christelijke «beulen». Overigens had Sharon in de dagen voorafgaand aan het bloedbad ook diverse keren persoonlijk contact met Falangisten-leider Elie Hobeika. In februari 2001, twee dagen nadat Hobeika had verklaard tegen Sharon te willen getuigen, werd hij in Beiroet met een autobom opgeblazen.

Voor de Israëlische commissie-Kahan, die de gang van zaken rondom het Palestijnse bloedbad onderzocht, bestond geen enkele twijfel omtrent Sharons schuld. In februari 1983 stelde deze dat hij «persoonlijk verantwoordelijk» was. Sharon werd gedwongen af te treden als minister van Defensie, maar maakte vorig jaar maart een stralende comeback als minister-president.

De aanklacht tegen Sharon werd in Brussel voor het gerecht gebracht omdat België in 1993 de opzienbarende wet der «universele competentie» aannam. Deze stelt dat schendingen van de mensenrechten, oorlogsmisdaden en volkerenmoord voor elk Belgisch gerecht gebracht kunnen worden. Sindsdien zijn een dertigtal zaken geopend, onder andere tegen Pinochet, Castro en Saddam Hoessein. Maar het was vooral de zaak-Sharon die de ogen van de wereld opende voor het unieke Belgische initiatief en de, voor sommigen, afschrikwekkende mogelijkheden die het biedt.

«Sharon is een man van het Westen», zegt advocaat Chibli Mallat. «Daarom is dit zo’n gewichtige zaak. Niemand zal betwisten dat Bin Laden voor het gerecht moet verschijnen, maar als gerechtigheid moet geschieden, dan voor iedereen.»

Het belangrijkste argument in de verdediging van Sharon is dat de Belgische competentiewet in strijd is met het ongeschreven principe van diplomatieke onschendbaarheid. Daarom zal Sharons omvangrijke advocatenteam tevreden zijn geweest met de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag op 14 februari in de zaak tegen Congo’s (ex-)minister van Buitenlandse Zaken Abdoulaye Yerodia. Dat oordeelde dat het door België uitgevaardigde arrestatiebevel tegen Yerodia de werkzaamheden van hem als «staatsman» te veel zou belemmeren en dus in strijd was met het principe der diplomatieke onschendbaarheid.

«Een laffe uitspraak van het Hof», zegt Mallat. Maar hij houdt hoop. «De uitspraak spitste zich toe op het arrestatiebevel, dat tegen Sharon nooit is uitgevaardigd. Zijn functioneren als minister-president van Israël wordt dus niet belemmerd.»

De Palestijnen in Shatila zijn zich van dergelijke finesses niet bewust. Voor hen is het leven een kwestie van overleven. De «hoofdstraat» van het kamp wordt halverwege opgesierd door een enorme berg afval, waarlangs men op houten karren alles verkoopt, van aardappelen tot auto-onderdelen. Overal zitten groepjes mannen sigaretten rokend bij elkaar. Werken mag immers niet van de Libanese regering. «Niemand interesseert zich voor ons», zegt een van hen. «De hele wereld wordt gemobiliseerd wanneer er drieduizend mensen in New York worden vermoord, maar wij staan al twintig jaar in de kou.»