De sterstatus van McVeigh

Executiespektakel

Nu Timothy McVeigh als eerste federaal terdoodveroordeelde sinds 1963 de sterstatus heeft bereikt, vragen veel commentatoren in en buiten Amerika zich af wie er eigenlijk is gediend bij executies in dat land.

Als het aan hemzelf lag, zou massamoordenaar Timothy McVeigh aanstaande woensdagochtend in de federale strafgevangenis van Terre Haute (Indiana) het liefst van een professioneel belichte showtrap in de executiezaal afdalen en achter een spreekgestoelte plaatsnemen. Na het Amerikaanse volk via de televisie een laatste keer te hebben toegesproken, zou hij zich als een gewillige martelaar voor de camera’s laten vastbinden op het executiebed en zelf de beul verzoeken hem de dodelijke injectie toe te dienen. In werkelijkheid heeft Amerika’s bekendste terdoodveroordeelde straks niets in te brengen. Zijn executie verloopt volgens een protocol van 56 pagina’s dat alle details van zijn laatste dag op aarde regelt: zijn laatste maaltijd, zijn kleding, zijn voorgeleiding, zijn laatste woorden tot een klein gezelschap van functionarissen en nabestaanden van zijn slachtoffers, zijn bevestiging op het executiebed (waarbij een wit laken over zijn hele lichaam wordt gespannen), het inbrengen van de injectienaald en ten slotte de zin «We are ready», waarop de beul de dodelijke cocktail in zijn aderen spuit. Enkele journalisten en nabestaanden mogen in de executiekamer aanwezig zijn. Tenminste 250 nabestaanden zullen de toedracht in belendende kamers kunnen volgen via een intern videocircuit, verderop in het gebouw kijken nog eens elfhonderd journalisten en andere belangstellenden naar dezelfde video-opname.

Het is de bedoeling dat de hele gang van zaken semi-openbaar is, maar als de video-opname onverhoopt via tv of internet wordt verspreid, is McVeighs executie gemeengoed. «Kijken we dan of kijken we niet?» vroeg een mediacommentator in een van de dagbladen. «Natuurlijk kijken we allemaal!» Het effect van publiciteit is niet te voorspellen. De autoriteiten zijn vast van plan de executie «netjes» te laten verlopen, maar dat is in de VS geen garantie tegen onnodig lijden, eerder voor een hogere trap van wansmakelijkheid. De staat Florida kan ervan meepraten. Toen Joseph Tafero daar in 1990 op de elektrische stoel werd gezet, vergde het vele minuten voordat hij overleed, terwijl de vlammen uit zijn knikkebollende hoofd sloegen. Niet veel later kwam aan het licht dat hij waarschijnlijk onschuldig was.

Ook bij de veroordeelde Pedro Medina sloegen in 1997 de vlammen uit zijn hoofd; het vuur moest worden gedoofd door een beambte met asbesthandschoenen. Berouwvol besloten de autoriteiten tot de bouw van een nieuwe elektrische stoel. Bij Allen Davis, de eerste die erop werd geëxecuteerd, golfde het bloed uit de mond. Florida ging over op dodelijke injecties. Het eerste slachtoffer, Bennie Demps, worstelde vorig jaar 33 minuten met zijn beulen omdat ze er niet in slaagden de naald in een geschikte slagader te prikken. «Ze slachten me af», schreeuwde Demps in de microfoon die boven zijn hoofd hing, «ze prikken in mijn kruis, ze prikken me in mijn been, ik lig hier te bloeden!» De gevangenisdirecteur verklaarde achteraf dat Demps zich had «aangesteld».

Maar zoals een diepgravend artikel over de Amerikaanse doodstrafpraktijken in het weekblad The Nation begin dit jaar stelde: «Zulke klungelige executies zijn bijzaak, ze raken niet de kern. Vroeg of laat zullen de gevangenisautoriteiten de laatste kreukels in de procedure ook wel gladstrijken. De grote vraag blijft: waarom hechten we aan dit spektakel?»

In het geval van McVeigh lijkt het antwoord duidelijk, als je althans de commentaren in de media moet geloven. De 32-jarige Golfoorlog-veteraan die in 1995 een autobom tot ontploffing bracht in het Alfred P. Murrah-gebouw in Okla homa City en daarmee 168 mannen, vrouwen en kinderen de dood injoeg, heeft bij de nabestaanden maar ook bij een veel groter publiek intense wraakgevoelens opgeroepen, temeer daar hij geen berouw toonde en vanaf het ogenblik van zijn arrestatie schaamteloos de publiciteit zocht.

De zaak-McVeigh heeft ook een politieke dimensie. Zijn bomaanslag was een wraakactie voor de overval van de FBI op de Davidian-sekte in het Texaanse Waco in 1993. Volgens McVeigh, die intensieve contacten onderhield met de extreem rechtse militiebeweging, was die overval het begin van een overheidscampagne tegen de vrije gedachte en het (voor veel Amerikanen) automatisch daaraan gekoppelde vrije wapenbezit. Vanwege de uitzonderlijke, maatschappelijk ontwrichtende aard van zijn misdaad (heel Okla homa City was in rep en roer en vreesde vervolg aanslagen) werd hij bestempeld tot «terrorist» en voor een federale jury gebracht. Zijn terdoodbrenging is de eerste federale executie sinds 1963 en uitdrukkelijk bedoeld om een voorbeeld te stellen voor de hele natie.

Diverse organisaties, commentatoren en kringen van slachtoffers hebben er zelfs op aangedrongen dat de tv toegang zou krijgen tot de executiekamer. Ook tegenstanders van de doodstraf hebben hierom verzocht, omdat een directe uitzending van alle morbide details volgens hen de publieke opinie zou doen omzwaaien. McVeigh zelf heeft eveneens om onbeperkte toegang van de camera’s gevraagd. Zijn motivatie was dat het publiek en de nabestaanden «gelijke toegang» moeten hebben tot de gebeurtenissen omdat het gaat om handelingen die de staat uit naam van het volk verricht. Bovendien hoopt hij dat de publieke aandacht hem tot martelaar zal maken en nieuwe aanslagen vanuit militiekringen zal uitlokken. Weer anderen vrezen dat tv-executies net als ongelukken, autoachtervolgingen en onschuldiger vormen van reality-tv zullen leiden tot een verdere afstomping van het publiek, dat de beelden op de bank tot zich neemt onder het genot van popcorn and soda.

De Amerikaanse mediacultuur maakt opvallende misdadigers automatisch tot beroemdheden en verleent hen vaak meer status dan hun slachtoffers. Wanneer ze zichzelf dankzij de dubieuze doodstrafpraktijk ook nog eens als slachtoffers kunnen afficheren, rijst de vraag wie er eigenlijk bij hun executie gediend is. McVeigh heeft dit principe uitstekend begrepen en zijn sterstatus zorgvuldig opgebouwd. Hij liet zich in de gevangenis zo gauw mogelijk interviewen door Newsweek. Het artikel schilderde hem af als een eenvoudige jongen maar ook een «subtiele en intrigerende» figuur; de omslagfoto in zachte kleuren toonde het gezicht van McVeigh dat dromerig en toch vastbesloten in de verte staarde. Het «leek wel het werk van Hurrell, de glamourfotograaf uit de hoogtijdagen van Hollywood», schrijft mediasocioloog Neal Gabler in zijn vorig jaar verschenen boek Life: The Movie waarin hij de symbiose tussen media en publieke verbeelding in de VS analyseert. Prominente tv-interviewers als Barbara Walters (ABC), Tom Brokaw (NBC) en Dan Rather (CBS) waren gedwongen tot een soort stoelendans met McVeigh als inzet. Walters bekende later dat ze bij hem in de gevangeniscel «auditie» had gedaan en hem een «prettige jongeman» had gevonden.

De vraag die The Nation opwerpt is des te prangender omdat menigeen in de VS ook weet dat de doodstraf niet productief is, althans in strafrechtelijke zin. Het afschrikkende effect is nihil en de dood op de stoel of in de gaskamer trekt zelfs psychisch gestoorden aan die hem ofwel als een levensvervulling zien, ofwel als een zelfmoord waartoe ze niet spontaan de moed hebben.

Een Amnesty-overzicht noemt het voorbeeld van Ronald Fluke uit Oklahoma, die zichzelf in 1997 aangaf na zijn vrouw en twee dochters te hebben vermoord. Fluke bekende schuld en vroeg de rechter hem ter dood te veroordelen. Toen kwam de aap uit de mouw: hij had na zijn daad zelfmoord willen plegen en voelde zich een «lafaard» omdat hij er op het laatste moment voor was teruggedeinsd. De straf was in zijn geval een soort beloning van overheidswege.

Albert Camus schreef in 1957 in zijn Gedachten over de guillotine: «Er is geen enkel bewijs dat de doodstraf ooit een potentiële moordenaar heeft weerhouden, terwijl hij een overduidelijke fascinatie uitoefent op duizenden criminelen.» Afgezien van religieuze en filosofische overwegingen zijn dit de voornaamste redenen waarom bijna alle andere democratieën de doodstraf in de loop van de laatste vijfentwintig jaar hebben afgeschaft of opgeschort.

De vraag kan beter als volgt worden geformuleerd: waarom hebben juist Amerikanen dit spektakel nodig? Wat hebben de Verenigde Staten gemeen met landen als Irak, China of Afghanistan, waar de doodstraf ook op grote schaal wordt toegepast en in het openbaar voltrokken? Het is een vraag die meestal op retorische gronden wordt gesteld en hij behoort dan ook tot het vaste repertoire van mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch. De implicatie is dat de VS zich in barbaars gezelschap bevinden; het doel van de vergelijking is het wakkerschudden van de Amerikaanse publieke opinie. De heersende machten in China of Afghanistan staan immers niet bekend om hun respect voor de individuele mensenrechten die de VS internationaal in het vaandel voeren. Op 12 april jongstleden, de zoveelste «dag des doods», werden in China maar liefst 89 mensen openbaar terechtgesteld.

Maar ontdaan van die retorische lading blijft de vraag interessant: wat hebben de Amerikanen met hun doodstraf? Wat zegt deze overeenkomst met dictaturen met een doorgaans laag welvaartsniveau over de Amerikaanse samenleving? «Dat zijn goede vragen die ik absoluut niet kan beantwoorden. U brengt me op een idee voor een nieuw boek», zegt de Leidse Amerikanist Alfons Lammers, die zojuist zijn memoires heeft voltooid. «Veel onderzoek is er niet naar gedaan en je kunt er alleen maar naar gissen. Uit de actuele boektitels blijkt in elk geval dat lang niet alle Amerikanen gelukkig zijn met het voortbestaan van de doodstraf. Maar kennelijk zijn de meesten toch, gestimuleerd door het Hooggerechtshof dat sinds het heengaan van Chief Justice Earl Warren steeds conservatiever is ingesteld, van mening dat het Kwaad met wortel en tak kan worden uitgeroeid. Een gedachte die door en door Amerikaans is, ook al geschiedt dat door middel van ophanging, de elektrische stoel of een fijne injectie — men is tenslotte trots op de vooruitgang. Er zit nog steeds iets oudtestamentisch in de Amerikaanse aard, iets van oog-om-oog, tand-om-tand. En dat ze zich door de doodstraf onderscheiden van de rest van de beschaafde wereld vervult de Amerikanen wellicht met heimelijke trots.»

Het antwoord moet dus worden gezocht in die dubbelzinnige, moeilijk te kwantificeren maar o zo belangrijke «onderbuikgevoelens» van de natie. Zo wraaklustig als hij vaak wordt afgeschilderd, is de gemiddelde Amerikaan alvast niet. De meeste polls geven aan dat een tweederde meerderheid voor de doodstraf is, maar dat is niet altijd zo geweest, schrijft The Nation: «We laten ons door onze politici opjutten. In de jaren vijftig en zestig was de meerderheid tegen. De roep om de doodstraf is pas weer toegenomen in de jaren zeventig omdat politici — met name Richard Nixon en Ronald Reagan — wilden laten zien dat ze de oprukkende misdaad hard durfden aan te pakken.» Sinds George Bush in zijn presidentiële verkiezingscampagne van 1998 met zoveel succes een issue maakte van de recidivist Willie Horton, als symbool van een falend strafrechtbeleid dat moordenaars vrijliet en de belangen van publiek en slachtoffers veronachtzaamde, durft geen enkele presidentskandidaat soft on crime te zijn. Tijdens de laatste verkiezingen verklaarde zowel Al Gore als Bush junior ook weer met veel aplomb dat ze geloofden in de doodstraf.

Een recente Gallup-poll laat zien dat een genuanceerde vraagstelling tot een andere uitslag leidt. Gesteld voor de keuze tussen doodstraf en gegarandeerd levenslange opsluiting geeft de helft van de ondervraagden de voorkeur aan opsluiting. En de geografische spreiding is minstens zo verhelderend. Veruit de meeste doodstraffen worden voltrokken in de centrale en zuidelijke staten, Texas voorop, en daar vind je ook de meest uitgesproken voorstanders. Niet toevallig zijn dat ook de staten waar wapenbezit, racisme en archaïsche godsdienstige voorstellingen, inclusief de baarlijke duivel, welig tieren. Lammers: «De frontier-gedachte doet vooral in het midden en westen van de natie nog opgeld. Wat geweld betreft is men daar voor geen kleintje vervaard. Geweld is as American as apple pie en de doodstraf sluit daar naadloos op aan. Bovendien biedt hij de gelegenheid op een legale manier van ‹bad niggers› af te komen. Het racisme blaast een aardig partijtje mee.»

Afgezien van de omvang van zijn misdaad is er nog een reden waarom de zaak-McVeigh zo in de belangstelling staat, hoewel die reden uit schaamte door veel chauvinistische commentatoren niet ter sprake wordt gebracht: McVeigh is in veel opzichten een voortbrengsel van de Amerikaanse cultuur. Hij is niet zomaar een veteraan, hij was volgens zijn voormalige commandant in de Golf een «soldiers’ soldier». Zijn oude maten die in de rechtszaal voor hem getuigden, beschreven hem als een goede schutter en betrouwbare kameraad. De advocaat schilderde hem af als een «doorsnee Amerikaanse jongen» die in God en zijn vaderland geloofde. Dat neemt niet weg dat McVeigh al in 1990 tegenover zijn kameraden citeerde uit de Turner Diaries, een racistische roman waarin de uitroeiing van alle joden en zwarten wordt bepleit, alsmede het opblazen van overheids gebouwen.

Wellicht schuilt hierin de overeenkomst met aperte dictaturen. Uit talloze studies, onder meer van Amnesty, blijkt dat de doodstraf een symptoom is van een geweldcultuur en geen reactie daarop. Het zou verklaren waarom allerlei autoriteiten en studiebonzen opeens «ethische bezwaren» aanvoeren tegen uitzending van McVeighs executie, hoewel ze anders haantje de voorste zijn om het publiek te bedienen. Het ultieme overheidsgeweld is een spiegel van de Amerikaanse samenleving. Zoals een commentator jaren geleden in The Washington Post schreef: «Door de dood van moordenaars tot een publiek symbool te maken, onderschrijft het rechtssysteem de filosofie van die moordenaars dat bepaalde mensen niet te redden zijn. Schiet ze dan ook maar neer als dolle honden.»