Essay: Engeland al net zo islamofobisch als Nederland

Exit Miss Marple

Net als in Nederland wordt ook in Groot-Brittannië gedebatteerd over integratie van minderheden. De oosterse kipgerechten en bobby’s met tulband ten spijt moet het ontspannen multiculturalisme er steeds meer wijken voor islamofobie.

Met Pinksteren kwam The Daily Mail, een tabloid die de wereld vanuit xenofoob perspectief pleegt te belichten, met twee opvallende reportages. Na wat veldwerk berichtte een verslaggever de 2,5 miljoen lezers over de slinkse wijze waarop asielzoekers gebruik zouden maken van de duurbetaalde incompetentie binnen de vreemdelingenrechtspraak. De pagina ervoor was ingeruimd voor een heroïsch verhaal, compleet met een foto van glunderende ouders, over de eerste Aziatische Brit die zijn opwachting maakte in het cricketteam van Yorkshire. Een typerende combinatie. Net als in Nederland woedt in het Verenigd Koninkrijk een discussie over immigratie en integratie, maar er is, met het oog op de toekomst, ook aandacht voor de voordelen.

Onlangs bezocht het Conservatieve parlementslid Michael Portillo, voormalig troetelkind van de thatcherianen, een receptie van zijn partij. Een burberry-dame klampte hem aan. «Die immigranten, die zullen wel werk vinden, denk ik, maar hun kinderen? Met hen zitten we uiteindelijk opgescheept.» Glimlachend keek Portillo haar aan. «Wel, ik heb het zo slecht nog niet gedaan, toch?» reageerde hij, zoon van een Spanjaard die de burgeroorlog was ontvlucht. En waarschijnlijk was hij niet de enige immigrantenzoon op de borrel. De huidige partijleider Michael Howard, schaduwminister Oliver Letwin van Financiën, ex-minister van Buitenlandse Zaken Malcolm Rifkind, de in Bagdad geboren partijvoorzitter Lord Maurice Saatchi: allemaal prominente Tories met wortels in den vreemde. En misschien liep de spraakmakende oud-defensieminister John Profumo er rond, of stond er een buste van Benjamin Disraeli, de eerste joodse premier van Groot-Brittannië en beschermheilige van de ongedeelde natie.

«Remember, everyone is a ‹bloody foreigner› somewhere», luidde de kop van het artikel in The Sunday Times waarmee Portillo zich mengde in het vreemdelingendebat.

De Britten zijn wel wat gewend op immigratiegebied. Reeds in de Romeinse tijd kon Londen buitenlandse arbeidskrachten goed gebruiken en een kleine twee millennia later worden er driehonderd talen gesproken. Hugenoten ontvluchtten de Lodewijken in Frankrijk (en brachten de term refugee mee), de Ieren vluchtten voor de hongersnood en de joden voor de pogroms. Hoewel ze regelmatig dienden als zondebok (de schuld van The Great Fire van 1666 kwam al snel te liggen bij volksvreemde elementen en boze tongen beweerden dat Jack the Ripper een jood was) vonden vluchtelingen hier de vrijheid.

Na de Tweede Wereldoorlog en de daarmee samenhangende ontmanteling van het Britse wereldrijk kregen de «krijtwitte wezens» van Willem Frederik Hermans gezelschap van kleurlingen die nieuwsgierig waren geworden naar dat land vol hoop en glorie. Het aanmeren van de Empire Windrush met 492 West-Indiërs betekende het startsein voor een nieuwe immigratiefase. Deze nieuwkomers profiteerden van een wet die het voor Britse bestuurders altijd mogelijk maakte vrij te reizen tussen de koloniën en het moederland.

De eerste naoorlogse golf immigranten was van harte welkom, gezien het personeelstekort bij de National Health Service — ook toen al — en de Londense ondergrondse. Rassenrellen in Notting Hill en Nottingham temperden het enthousiasme en er kwam een immigratiewet tot stand. Rijksgenoten veranderden in vreemdelingen. Dit kon de uitbreiding van het vreemdelingenlegioen met tienduizenden Zuid-Aziaten niet verhinderen. In de loop van de jaren zestig groeide de onrust binnen de politiek, met als anticlimax de rede van de Conservatief Enoch Powell, die als een Romein de Tiber zag schuimen met bloed. Een paar jaar eerder was deze classicus als minister van Volksgezondheid overigens nog in zijn sas geweest met de nieuwkomers. Zijn noodkreet maakte van hem de cultheld van de Little Englanders.

In 1972 verleende de Conservatieve regering asiel aan ruim dertigduizend Aziaten die Oeganda moesten verlaten nadat de vers aangetreden dictator Idi Amin had besloten de economie van zijn land op efficiënte wijze te ruïneren. De laatste decennia hebben veel Oost-Europeanen en Afrikanen met hun calvinistische arbeidsethos de route naar Dover en Heathrow weten te vinden. Acht procent van de Britten maakt momenteel deel uit van een etnische minderheid.

Hoewel de diverse regeringen een steeds restrictiever beleid begonnen te voeren (daarbij regelmatig teruggefloten door het Europese Hof) en het indienen van anti-immigratiemoties tot de folklore begon te horen op de Conservatieve partijconferenties is immigratie nooit een verkiezingsitem geweest. In haar autobiografie The Downing Street Years brengt Margaret Thatcher slechts de rassenrellen van Brixton en Toxteth in 1981 te berde om na een bezoek ter plaatse te concluderen dat het de levenslustige jongemannen in bepaalde wijken ontbreekt aan ontzag voor autoriteit en dat de trapveldjes jaren niet zijn gemaaid. Een pontificale omschakeling naar de vrije markt was ook hier de beste remedie volgens de kruideniersdochter, wier meritocratische maatschappijleer wonderwel bleek aan te sluiten bij met name die van de Indiërs: «Kapitalisme is het enige systeem dat kleurenblind is.»

In Londen is amper een avondwinkel meer te vinden die niet wordt geëxploiteerd door Indiërs of Srilankanen, terwijl postagentschappen niet zelden naar wierook ruiken en Andrew Lloyd-Webbers Bombay Dreams nu al een jaar op West End draait. The Times sprak van een «Indiase Lente», met als welvaartsgod Laksmi Mittal, die in een paar decennia was opgeklommen van schroothandelaar tot staalbaron en nu eigenaar is van het duurste huis ter wereld, een replica van de Taj Mahal tussen Kensington Palace en het buitenverblijf van de Sultan van Brunei. In schril contrast tot deze contra-imperiale extravagantie bevindt zich, in een tweetalige zijstraat van Brick Lane, Europa’s eerste immigratie museum. Deze bouwvallige synagoge moet op termijn het Anne Frankhuis van Groot-Brittannië worden.

Dat zal waarschijnlijk zonder veel overheidssteun gebeuren. Het laissez-faire-kapitalisme is altijd hand in hand gegaan met een laissez-faire-multiculturalisme. Integratie was geen taak voor de landelijke overheid, vond ook Norman Tebbit, strijdmakker van Thatcher (in de linkse pers wordt dit duo graag aangeduid als «mad & bad») wiens integratiefilosofie even praktijkgericht bleek als zijn werkloosheidsbeleid. Waar werklozen volgens hem niet méér nodig hadden dan een fiets om een baan te zoeken, daar moesten immigranten de Britse cultuur op natuurlijke wijze absorberen om uiteindelijk catharsis te bereiken door niet te juichen voor het superieur spelende land van herkomst doch voor het povere cricketspel van de gastheren.

De grenzen van de integratie worden vooral gesteld door de rule of law. Een rechter bepaalde bijvoorbeeld dat de Sikhs onder de bouwvakkers geen helm hoeven te dragen (als ze gewond raken is het wel hun eigen probleem). Hoofddoekjes worden hier dan ook niet beschouwd als een frontale aanval op de parlementaire democratie. Wel komt het voor dat schooldirecteuren moslim meisjes verzoeken het hoofddoekje niet te zeer te laten vloeken met de rest van het schooluniform. Britse scholen lijken sowieso vrij islamvriendelijk te zijn. Eton, de kostschool waar achttien premiers hun basis kennis opdeden, heeft een imam in dienst genomen om de leerlingen voor te bereiden op de toekomst en sommige staatsscholen bieden halal-eten aan.

Deze vrijheid binnen het onderwijs pakt niet altijd goed uit. Op de Saoedische Koning Fahad-school volgen diplomatendochters een lichter curriculum, omdat kennis omtrent de gebeurtenissen van 1066 geen bijzondere bijdrage vormt tot een carrière als huisvrouw.

Wat de overheid wél regelde, was een strenge antiracismewetgeving door middel van de Race Relations Act, teneinde de publieke ruimte te vrijwaren van mededelingen als «No Blacks, No Dogs». Desalniettemin wordt het land soms wakker geschud door moorden met een «It ain’t no black in the Union Jack»-ach tig motief. De onopgeloste moord op Stephen Lawrence is nog altijd een open zenuw, vooral bij de hoofdstedelijke politie, die in een vernietigend rapport werd beschuldigd van geïnstitutionaliseerd racisme. Recent kwam een jeugdgevangenis in het nieuws omdat cipiers blanke en zwarte jongeren in een cel op sloten om te zien hoe lang het duurde voor het vechten begon.

Van een meer ritueel karakter zijn de politiek incorrecte versprekingen van bekende Britten. De flamboyante Conservatieve minister van Handel Alan Clark duidde Nigeria aan met «bongo-bongo-land», prinses Michael van Kent zou onlangs in een New Yorks restaurant aan lawaaierige Afro-Amerikaanse eters de suggestie hebben gedaan terug te keren naar de kolo niën, BBC-presentator Robert Kilroy-Silk noemde Arabieren «bommenleggers, afhakkers van ledematen dan wel onderdrukkers van vrouwen» en voetbalcommentator Ron Atkinson omschreef Chelsea-verdediger Marcel Desailly als «what is known in some schools as a fucking lazy, thick nigger».

Volgens de Britten is dit niets vergeleken bij het racistische landklimaat aan gene zijde van het Kanaal. Ook al zijn ze in het bezit van een Brits «vip»-paspoort en hebben de meeste Europese landen iets als een geschreven grondwet die discriminatie verbiedt, gekleurde Britten voelen zich nog altijd kwetsbaar buiten de jurisdictie van de Race Relations Act. The Sun, waarvan de bijdrage tot een multiculturele samenleving zich beperkt tot het eens per week plaatsen van een nichtje van Naomi Campbell op pagina 3, voerde kortgeleden nog een kortstondige campagne tijdens het bezoek van Jean-Marie le Pen, die consequent werd aangeduid met «Le Nutter», al werd nergens helemaal duidelijk of de schandaalkrant niet méér moeite had met zijn Frans-zijn dan met diens racisme. Enkele jaren terug hebben zwarte, Engelse voetballers serieus overwogen wedstrijden op het continent wegens racisme te boycotten. En Tony Blairs immigratieadviseur Trevor Phillips dacht dat hij per ongeluk in Bloemfontein anno jaren zeventig terecht was gekomen toen hij een werkbezoek bracht aan Nederland, het land dat in maart de voorpagina’s haalde met het ambitieuze plan «to kick out failed asylum seekers». Phillips schrok van de negatieve toonzetting in het Nederlandse vreemdelingendebat. «Niemand zegt iets over de voordelen van immigratie. Er wordt door politici en autoriteiten alleen nog maar gesproken over het beperken van het aantal immigranten en het controleren van hun gedrag.»

De Britse laissez-faire-politiek heeft geleid tot een lange reeks succesverhalen van immigranten. Dat academische documenten bij aankomst niet meteen waardeloos worden zoals in Nederland zal zeker meespelen. Op alle terreinen van de samenleving — opera en polo wellicht uitgezonderd — zijn gekleurde Britten zichtbaar actief. Zelfs in het Hogerhuis, waar barones Thatcher of Kesteven de lederen banken deelt met barones Pola Uddin of Bethnal Green en baron Waheed Alli of Norbury, zoon van een islamitische vader en een hindoestaanse moeder, die hem naar een Anglicaanse school stuurden. Naast de relatieve eenvoud van de Engelse taal heeft de oosterse keuken de integratie makkelijker gemaakt. De kroon op de multiculturele eeuw is zonder twijfel de chicken tikka masala, die in het Verenigd Koninkrijk even populair is als nasi in Nederland. Masala is de Engelse bijdrage aan dit gerecht, bedoeld om de genetisch bepaalde drang naar jus te stillen. Mede door deze tikka masala-manie is de Indiase Pathak-familie schatrijk geworden en heeft ze van het mijnwerkersstadje Wigan, tot dan toe alleen bekend dankzij George Orwells deprimerende The Road to Wigan Pier, de kerriehoofdstad van de wereld gemaakt. Landelijke faam kregen de Pathaks afgelopen voorjaar met de Spice Wars, een Dallas-achtige vete tussen de vader, die het oud-Indiase recht van successie wilde hanteren en zijn twee dochters, die naar het oordeel van de hoge rechters terecht meenden dat in deze zaak het Britse, meer vrouwvriendelijke recht van kracht was. Op de golven van deze culinaire zegetocht heeft de Pathak-familie haar opwachting gemaakt in de lijst rijkste Britten van The Sunday Times. Waar de top-vijfhonderd van Quote afgezien van enkele voetballers overwegend blank is, staan er alleen al in de top-25 van Britse grootverdieners van 2003 vier Aziatische families.

Gekruide kipgerechten, de nieuwste hit van de Sugarbabes en de fietsende bobby’s met een tulband op hun hoofd ten spijt, het laissez-faire-multiculturalisme heeft plaats moeten maken voor islamofobie. De tijd dat emigratie naar Groot-Brittannië voorbehouden was aan welvarende en vrijzinnige moslims die makkelijk aansluiting vonden bij de gegoede middenklasse roept nostalgische gevoelens op. Vanaf de jaren zeventig maakte een golf conservatievere moslims de sprong van het platteland van Pakistan en Bangladesh naar de verpauperde textielsteden in de Midlands, waar eind jaren negentig zomerse rassenrellen uitbraken. Onder deze nieuwkomers bevond zich Abu Hamza, die aanvankelijk een leven leidde als uitsmijter in een nachtclub te Soho, maar tijdens een verblijf in Egypte het licht zag, de fles liet staan en vervolgens terugvloog naar Londen om daar in de moskee van Finsbury Park de heilige oorlog tegen het toenemende verval der zeden binnen de Posh and Becks-cultuur te verklaren. Een paar weken terug werd deze «Bin Laden van Groot-Brittannië» op verzoek van de Amerikanen gearresteerd in zijn West-Londense villa.

Zijn radicalisme is niet exemplarisch voor de Britse moslims, maar vormt wel de schaduwzijde van het laissez-faire-beleid. Ook terroristen houden van vrijheid. Hamza’s arrestatie, alsmede die van een paar honderd andere van terrorisme verdachte Britse moslims, en Blairs devote deelname aan de kruistochten van Amerikaanse neoconservatieven hebben voor overwerk gezorgd bij de adviescommissie British Muslims and Islamo phobia. Om het vertrouwen van de moslims te herwinnen wil de regering na rassendiscriminatie nu ook religieuze discriminatie strafbaar gaan stellen.

Om de situatie op het eiland nog complexer te maken neigt een andere probleemgroep eveneens tot radicalisme: de Engelsen zelf. Omringd door zelfstandige Schotten met betere sociale voorzieningen, Ieren met hun St. Patrick’s Day, Indiërs met hun lente, fanatieke moslims en een ministerie van Cultuur dat op de officiële kerstkaart wél moskeeën en hindoestaanse danseressen, maar niet Jezus of de Heilige Maagd een plaatsje had gegund, voelen ze zich wat verloren. Niet alleen wijken als Southall en East Ham, maar ook Harrods, The Sun, Rolls Royce, Barings, de top van de Premier League en leerstoelen van Oxford zijn in buitenlandse handen, terwijl hele takken van de dienstverlening verhuizen van Bolton en Barnsley naar Bangalore en Bombay. Blanke kandidaten voor Bollywood Star, het Indiase Idols, werden als te «Miss Marple»-achtig afgeserveerd. En dan komt de Amerikaanse schrijver John Updike ook nog eens vertellen dat etnische minderheden de Engelse roman in leven houden.

Bedrijven of instellingen die onverhoopt wél Engels blijven, werken niet of nauwelijks, zoals de wispelturige immigratiediensten. De douaniers houden een Canadese vrouw die al 67 jaar in Hull woont en bovendien getrouwd is met een Engelsman bij de grens tegen vanwege een bureaucratische blokkade, terwijl een Jamaicaanse drugshandelaar zonder problemen het verdoemde land in komt. Braziliaanse Beatles-fans werden teruggestuurd omdat ze niet wisten wie Yoko Ono was. Geen wonder dat er laatst een milieuvriendelijke folder in de bus viel van de English Democratic Party, die zich tot doel heeft gesteld Engeland te redden van de ondergang, te beginnen door van St. George’s Day een vrije dag te maken. De Independent-journaliste Yasmin Alibhai-Brown kan zich best voorstellen dat de Engelsen zich vergeten voelen omdat ze denken dat het multiculturalisme niet voor hen bestemd is.

Niet alleen de Engelsen blijken er genoeg van te hebben. In het essay After Multiculturalism citeert Alibhai-Brown een jonge Aziaat: «Multiculturalisme is een saai begrip. Het is grijs en kleinburgerlijk. Het sluit Europeanen uit en het is niet internationalistisch. Het lijkt op een krap vestje, bijeengehouden door oude lappen wol.» Een jonge Jamaicaan voegt eraan toe: «Het is een hobby voor droevige, oude mensen.» Alibhai-Brown concludeert dat er een nieuwe overkoepelende Britse identiteit geboren moet worden, waaronder de diversiteit kan bloeien.

Tot dezelfde conclusie kwam David Goodhart, hoofdredacteur van het links-liberale maandblad Prospect. In zijn essay Discomfort of Strangers signaleert hij een spanning tussen diversiteit en sociale cohesie, tussen het willen zijn van een immigratieland en een verzorgingsstaat. De twee gaan moeilijk samen, zo waarschuwt hij de regering. Hij pleit voor een strikter immigratiebeleid, burgerschapsceremonies en taallessen. De eerste ceremonie heeft reeds plaatsgevonden in de Noord-Londense wijk Brent, waar meer dan de helft van de bewoners van Aziatische komaf is. In aanwezigheid van prins Charles en de minis ter van Binnenlandse Zaken David Blunkett (in tegenstelling tot Nederland krijgen immigranten hier niet meteen met «justitie» te maken) werd uit volle borst het God Save the Queen gezongen. Deze staatkundige prijsuitreiking was volgens sommige commentatoren de begrafenis van het multiculturalisme.

Wegens gebrek aan succes bij proefsessies is het volkslied overigens geschrapt uit de burgerschapstest die Blunkett op advies van zijn oude leraar, Sir Bernard Crick, wil invoeren om de nieuwe Britse burgers trotser te maken op «this precious stone, set in a silver sea». Dit kon niet tot iets anders leiden dan een amusant debat.

Bewijst deze Crick-test, waar Abu Hamza met lof voor zou zijn geslaagd, wel iets? Moet de nieuwkomer Engels zijn of Brits? Bernie Grant, de fameuze donkere Labour-parlementariër voor Tottenham die door prins Philip ooit werd aangezien voor een minister uit een schemergebied van het Gemenebest, zei tegen journalist Jeremy Paxman in diens antropologisch-ironische studie The English: «Ik noem me vaak Brits omdat het ook andere onderdrukte volkeren bevat zoals de Welsh en de Schotten. Ik kan de term ‹Engels› niet uit mijn strot krijgen.»

Goed, Brits dus. Maar wat is typisch Brits? Blunkett tilt niet zo zwaar aan de intellectuele strikvragen. Nieuwkomers hoeven niet te weten waarom er in Groot-Brittannië twee verschillende kranen nodig zijn om jezelf te kunnen wassen, waarom je sorry moet zeggen wanneer je omvergelopen wordt en hoe de zes vrouwen van Henry VIII heten. Voor hem is het meer een soort Magna Carta voor beginners. Britishness zou een politiek idee moeten zijn, Englishness een verzameling eigenaardig heden. Hoe het ook zij, nieuwkomers kunnen dankzij deze test alvast wennen aan de Engelse liefde voor quizzen.

Wat dus vooral opvalt is de toekomstgerichte toon. Er werd hier geen parlementaire enquête gehouden, maar een Commission on the Future of Multi-Ethnic Britain ingesteld. En als het om vergezichten gaat, is Blair op zijn best. Hij kondigde onlangs strengere maatregelen aan tegen schijnhuwelijken, slangenkoppen en asielzoekers die hun papieren door het vliegtuigtoilet spoelen, maar deed dat niet alvorens de lof te hebben gezongen op de Indiase soldaten die meevochten in de Great War, op de Poolse wiskundigen die tijdens de oorlog daarop de Enigma-code wisten te kraken en op de Tsjechen die er momenteel voor zorgen dat er genoeg aardbeien zijn voor het tennispubliek van Wimbledon.

Blair bleek zijn Churchill te kennen, de welbespraakte rouwdouwer die honderd jaar geleden in The Times zijn gal spuwde over de xenofoben en «petty officials» waardoor hij omringd was. In dezelfde krant stond onlangs een kenmerkende column van het Conservatieve Hogerhuislid Lord William Rees-Mogg, kleinzoon van Ierse aardappeleters die in 1850 aan land waren gekomen. Onder de kop «The World Sends Its Best to Us. Welcome Them» schrijft hij dat immigranten vaak de hardst werkende en meest ondernemende leden van hun oude vaderland zijn. Met een beroep op uiteenlopende denkers als George W. Bush (met zijn Texaanse pioniersmentaliteit) en John Locke (met zijn ideeën over tolerantie) prijst Rees-Mogg het Britse talent voor vrijheid: «Vrijheid, tolerantie en koelbloedig fatsoen vormen het hart van de Britse cultuur. Dat is de reden waarom veel immigranten zich inzetten voor onze toekomst.»

Het Verenigd Koninkrijk is zeker geen immigranten paradijs. Ook hier voeren bewoners van tochtige kustplaatjes actie tegen de komst van een asielzoekerscentrum (waarbij ze de plaatsnaam demonstratief veranderen in Kosovo-on-Sea), ook hier leidt de immigratiepolitiek tot schrijnende gevallen (anders dan in Nederland lijken er geen politieke motieven achter wanbeleid te zitten) en ook hier loopt een kleurling het risico te worden uitgescholden voor bloody foreigner (niet zelden door een andere kleurling).

Een groot verschil met het wat valse klimaat in Nederland — de moeder van de halve Brit Rick van der Ploeg noemde Nederland «een land van verklikkers» — echter is de openheid. Jubelt pimiaans Nederland over het feit dat eindelijk «gezegd kan worden wat gedacht wordt», in het land van Hyde Park Speakers’ Corner is dat niet meer dan gebruikelijk. De volwassen discussie gaat gepaard met fairness en, een belangrijk overlevingsmechanisme, zelfspot. Immigranten worden er niet beschouwd als beschermde diersoort (of opgejaagd wild), maar als gemotiveerde deelnemers aan de oneindige rat-race waarin de Britten zijn verwikkeld.