George Packer over het einde van de Irakoorlog

Exit ‘onbekwame bezetter’

Na ruim zeven jaar zijn de laatste Amerikaanse gevechtstroepen uit Irak vertrokken. Maar het woord ‘overwinning’ is ongepast, zegt schrijver en New Yorker- correspondent George Packer in een terugblik. ‘Voor Irakezen is “normaal” het sleutelwoord.’

TOEN OP DE OCHTEND van 19 maart 2003 de eerste bommen op Bagdad vielen, bevond de Amerikaanse journalist en schrijver George Packer zich voor research in Ivoorkust. Zijn eerste gedachte was, zo vertelt hij in zijn buurtcafé in Brooklyn: ‘Ja, eindelijk, doe het, maak er een einde aan. Mijn initiële steun voor de invasie was heel emotioneel - er ging geen behoedzame, strategische analyse aan vooraf.’
Met de aanwezigheid van massavernietigingswapens had Packers steun in ieder geval niets te maken. 'Daar was ik nooit van overtuigd’, zegt hij. 'Mijn gevoelens waren sterk beïnvloed door mijn vriendschap met de Iraakse intellectueel Kanan Makiya, een voorstander van de invasie. Irakezen hadden dertig jaar onder de terreur van een fascistische dictator geleefd. Niemand vertrouwde elkaar nog, iedereen was paranoïde. Niet voor niets heette Kanans boek Republic of Fear. Die situatie was niet langer te tolereren, niet voor de Irakezen, niet voor de regio.’
Daarnaast was Packers visie, zoals die van zoveel 'linkse haviken’, gekleurd door de vrij succesvolle Navo-interventie in Sarajevo (1995). Blijkbaar was gewelddadig optreden in sommige gevallen wel degelijk de beste manier om een almaar verslechterende situatie ten goede te keren. Al gauw keerde Packer zich echter tegen de invasie van Irak, zoals bleek uit zijn spraakmakende reportages in The New Yorker, die net als zijn boek The Assassins’ Gate: America in Iraq (2005) werden bekroond met de Overseas Press Club Award. In 2008 publiceerde hij het toneelstuk Betrayed, waarin hij liet zien hoe de Irakezen die wel wilden samenwerken met de Amerikanen aan hun lot werden overgelaten.
Toch was de oorspronkelijke aanname dat de Amerikanen als bevrijders zouden worden gezien zo gek nog niet, zegt Packer. 'Er circuleerde in de aanloop naar de oorlog een rapport van de International Crisis Group over wat Irakezen voor de oorlog wilden: ze vertrouwden de Amerikanen niet, maar ze waren bereid een invasie te accepteren om van Saddam af te komen. Dus het was niet gek, of naïef, om te denken dat de Irakezen regimeverandering zouden toejuichen. Het was wel dwaas om te denken dat de kous daarmee af zou zijn.’
Twee dingen gebeurden toen de Amerikanen Bagdad binnenkwamen, herinnert Packer zich: 'Eerst was het feest. Iets verschrikkelijks was verwijderd en nu wachtte de Irakezen een nieuw begin. Dat kregen ze in de vorm van plunderingen en een vreemd leger dat hun taal niet sprak. Criminelen waren de baas op straat en de Amerikanen leken geen idee te hebben wat ze deden. Binnen enkele weken sloeg de euforie om. Het was de kortst beleefde bevrijding ooit.’
Packer keerde zich definitief tegen de Irakoorlog in de zomer van 2003, toen bleek dat er nog altijd geen vernieuwing gaande was: 'Ik zag geen enkel teken dat Irakezen hun eigen leven aan het opbouwen waren, of zelfs maar in staat waren om na te denken over hun toekomst.’
Wél zag hij: onvrede, frictie, hitte, geweld en chaos: 'Stel je voor dat in een ordelijke stad als Amsterdam opeens de politie verdwijnt. Vermenigvuldig die chaos met duizend, want in Bagdad bestond geen enkele traditie meer van een burgermaatschappij, dat was allemaal door Saddam vernietigd. Zonder instituten om de plaats van het regime in te nemen, waren de Irakezen niet in staat de Amerikaanse uitgestoken hand aan te nemen. Ze waren psychologisch gesloopt.’
ER BESTAAT vermoedelijk geen regio ter wereld die minder geschikt is voor experimenten met regimeverandering, of zelfs democratisering, dan het Midden-Oosten met al zijn etnische en culturele gevoeligheden. Een oppervlakkige blik op de Iraakse geschiedenis - in het bijzonder de desastreuze pogingen van de Britten in de jaren twintig om van een gebied bevolkt door Assyriërs, Koerden, soennieten en sjiieten een harmonieuze natie te brouwen - leert dat vooral Irak hiervoor niet erg geschikt is. 'Je moest politiek naïef of historisch ongeletterd zijn om te denken dat je zomaar een werkende democratie op de ruïnes van Saddam Hoesseins tirannie kon bouwen’, zegt Packer.
Toch was dit net wat genoeg mensen dachten in de top van de regering-Bush. Packer noemt minister van Defensie Rumsfeld, diens onderminister Wolfowitz, vice-president Cheney en de president zelf, George W. Bush, als belangrijkste voorbeelden. 'Die hadden zichzelf ervan overtuigd dat je gewoon Irak kon binnenvallen en dat alles vanzelf goed zou komen. Kinderlijk, gebaseerd op een wensdroom, schandalig.’
Toen bleek dat de Amerikanen geen idee hadden wat te doen nadat Hoessein verslagen was, had ingrijpen door de internationale gemeenschap wellicht nog iets goeds kunnen doen. Packer liet de hoop daarop echter al gauw varen: 'Er heersten in die tijd internationaal zoveel woede en verontwaardiging over de manier waarop de regering-Bush ten oorlog was getrokken dat er een zekere bevrediging was dat de VS nu ontdekten dat het niet zo makkelijk was. Duitsland en Frankrijk konden nu zeggen: jij hebt ongelijk, en wij hadden gelijk. Het was te vergelijken met wat Republikeinen vlak na de val van Bagdad in eigen land tegen sceptische Democraten zeiden: zie je wel? Wij hebben gelijk. Het was allemaal erg kleingeestig.’
De Irakoorlog was sowieso vanaf het begin een verlengstuk van de sterk gepolariseerde Amerikaanse binnenlandse politiek, stelt Packer nu: 'Het ging niet om Irak, het ging erom de oorlog thuis te winnen. Het leger was niet bezig uit te vinden wat in de straten van Bagdad gebeurde, of een strategie aan het vormgeven, maar met wat die dag op CNN zou komen.’
Hij vergelijkt Irak met een 'zwart scherm’: 'We wisten er niets van en daarom konden we erop projecteren wat we wilden. Dat werd een beeld van Amerikaanse kracht, een fantasie van democratie in het Midden-Oosten en een nederlaag voor de Democratische oppositie, de linkse media en het oude Europa.’
Maar in werkelijkheid verzonk Irak in chaos en geweld. Packer weet nog hoe erg het was: 'Vanaf 2005 was Bagdad een dode stad, verdeeld in een soennitisch en sjiitisch deel. Je zag bijna niemand op straat; te gevaarlijk. Elke ochtend bracht zo'n vijftig nieuwe doden. Op straat lagen lijken met doorboorde schedels of verminkt door acid. Het geweld was echt afschuwelijk en niemand leek nog verantwoordelijk. De Amerikanen verlieten hun kazernes alleen nog om de lijken op te pikken. Elke week vluchtten tienduizenden Irakezen naar Syrië en Jordanië, waar ze in kampen belandden.’ Volgens schattingen van de Hoge Vluchtelingencommissie van de VN zijn sinds de invasie in 2003 4,7 miljoen Irakezen hun woonplaats ontvlucht. Daarvan bevinden 2,3 miljoen zich buiten Irak, voornamelijk in Syrië en Jordanië.
Terwijl Packer en andere Irak-correspondenten rapporteerden over de ramp die in Irak plaatsvond, leken neoconservatieve intellectuelen als Billy Kristol en Robert Kagan, die vanaf 2002 het luidst de oorlogstrom hadden geroerd, opeens uit het publieke domein verdwenen. 'Kagan is een zeer intelligente man’, zegt Packer. 'Maar hij ziet Irak alleen in relatie tot de rol van Amerika in een post-Koude-Oorlog-wereld. Net als Kristol zal hij nooit toegeven Irak verkeerd te hebben ingeschat. Voor de een is het te pijnlijk, voor de ander is het erkennen van eigen fouten hetzelfde als je keel tonen aan de vijand. Vergeet niet, deze mensen zijn in een nooit aflatende culturele, intellectuele oorlog verwikkeld met iedereen die het met hen oneens is.’

EN TOEN KWAM begin 2007 de surge: 21.500 extra troepen en een nieuwe strategie. 'Daar hadden mensen zoals ik al minstens twee jaar lang om geroepen: Amerikaanse soldaten moesten de buurten intrekken en de straten weer veilig maken’, zegt Packer. 'De surge deed wat ik op dat moment niet meer mogelijk achtte: de geweldspiraal omkeren. Maar ook de Sunni Awakening (het besluit van soennitische milities om met Amerikanen samen te werken om het geweld te beteugelen - mvg) was belangrijk. In die zin was het een miraculeuze samenloop van gebeurtenissen.’
Sindsdien ervaren Irakezen het leven in ieder geval niet meer zo extreem. 'Er kwam opening voor politieke partijen, maar ook voor ontspanning en de simpele dingen van het leven’, herinnert Packer zich. 'Voor Irakezen is het sleutelwoord “normaal”. Dat hoorde ik altijd van Irakezen: na Saddam wilden we eindelijk een normaal leven. Zo ver zijn ze nog niet. De verwachting dat vandaag ergens een zelfmoordaanslag plaatsvindt is nog steeds normaal.’
Een groot probleem is volgens Packer de kortzichtigheid en kleingeestigheid van Iraakse politici. Hij wijst op de verkiezingen van afgelopen 7 maart. 'We zijn nu bijna een half jaar verder en er is nog niet eens een winnaar bekend, laat staan een regering gevormd.’
Gewezen op de hertellingen na Bush versus Gore in 2000 erkent hij: 'Zoveel beter is het hier niet. Maar serieus: hier worden nog steeds geen moskeeën opgeblazen.’ Het brengt Packer op de huidige controverse rond de voorgenomen bouw van een islamitisch centrum in down town Manhattan. 'Het is interessant: toen duidelijk werd dat er geen massavernietigingswapens in Irak waren, werd de hele rationale achter de oorlog dat je ook in een islamitisch land in het Midden-Oosten een democratie kunt bouwen. Vrijheid was het grote woord. Blijkbaar was Bush de enige Republikein die daarin echt geloofde, want nu roept de hele Republikeinse partij dat we het ons ook niet kunnen veroorloven om moslims hun godsdienst hier te laten belijden. Zo hebben ze, zonder het te weten, hun eigen rationale achter de Irakoorlog herroepen.’

HET RECENTELIJK in Amerika opgedoken negatieve sentiment over moslims is nog niets vergeleken met wat Packer van Iraakse vrienden hoort over Amerikanen. 'Die zeggen nu: opgeruimd staat netjes. Je hebt gefaald. Niet eens: vertrek want je bent een koloniale bezetter, maar: vertrek want je bent een onbekwame bezetter.’
Nu sinds 19 augustus de laatste gevechtstroepen weg zijn - overigens conform een in november 2008 nog door Bush gesloten overeenkomst met de Iraakse regering - overheersen in Irak opluchting, woede en angst voor de toekomst. 'Angst dat het geweld van al-Qaeda en opstandige milities weer de kop opsteekt, angst dat het Iraakse leger niet in staat is dat te stoppen.’ Met de terugtrekking nemen de VS dan ook een enorm risico, waarschuwt Packer. 'Maar het Amerikaanse volk wil geen deelname aan de oorlog in Irak meer. Niemand vindt nog dat we de Irakezen iets verplicht zijn.’
Het woord 'overwinning’ wil hij in ieder geval niet gebruiken. 'Dat hoor je continu op Fox News. Daar is geen enkele sprake van. Het is ook zo'n oppervlakkige wens om ten oorlog te trekken om te winnen, of erger: om een binnenlands debat over buitenlandpolitiek te winnen.’
Toch is het ook weer niet geheel ondenkbaar dat er over enkele jaren een relatief ordelijk, welvarend en democratisch Irak uit de huidige chaos verrijst. Het zou Packer verbazen: 'Het beste waarop we kunnen hopen is wat Freud ooit zei over de psychoanalyse: het doel is om extreme misère om te zetten in gewone ongelukkigheid. Dat Irak zoiets wordt als Nigeria, of Georgië - een land waar wat verdiend wordt met olie en je kind niet onderweg naar school wordt opgeblazen. Het gaat meer om de afwezigheid van rampzalige gebeurtenissen dan om positieve dingen.’
Ondertussen denkt Bush, zoals hij vaak heeft aangegeven, dat 'de geschiedenis aardig voor hem zal zijn’. Packer: 'Hij is een echte believer. Wie denkt dat hij gemotiveerd was door een of andere sinistere oliesamenzwering, zit ernaast en begrijpt Bush niet. Natuurlijk waren er ook zat soldaten die echt geloofden in de oorlog, misschien zelfs nu nog.’
Het duurt nog jaren voor we begrijpen waar het allemaal echt over ging, denkt Packer. 'Oorlog is zoiets groots en veegt zoveel motieven en ervaringen op één hoop. Na Vietnam duurde het ook jaren voordat er goede boeken en films over verschenen: het kost tijd voordat de verbeelding de geschiedenis oppikt. Wat we vermoedelijk zullen concluderen is dat het vanaf het begin een mission impossible was.’


7,5 jaar Irakoorlog

2003 19 maart Invasie Irak begint met luchtbombardementen op Bagdad
9 april Bagdad valt, evenals een standbeeld van Saddam Hoessein
1 mei ‘Mission accomplished’, proclameert president Bush
19 augustus Zeventien doden bij bomaanslag op VN-hoofdkwartier in Bagdad
13 december Saddam Hoessein gevangen genomen
2004 2 maart 180 doden bij aanslagen op heilige dag voor sjiitische moslims
30 april Nieuws over martelingen in gevangenis Abu Ghraib
28 juni Overdracht soevereiniteit aan Iraakse interim-regering
November Achthonderd burgerdoden bij strijd tegen opstandelingen in Fallujah
2005 30 januari Eerste parlementsverkiezingen sinds vijftig jaar; al-Maliki premier
2006 22 februari Bomaanslag op ‘gouden’ al-Askari-moskee in Samarra
7 juni Soennitische opstandleider Abu Musab al-Zarqawi gedood
November Ontslag Donald Rumsfeld
30 december Executie Saddam Hoessein
2007 10 januari President Bush kondigt de surge aan: 21.500 extra troepen
15 augustus Wapenstilstand tussen soennieten en sjiieten
2008 1 september Iraakse troepen krijgen controle over provincie Anbar
14 december ‘Schoenincident’: Iraakse journalist gooit schoen naar Bush’ hoofd
2009 20 januari Inauguratie president Obama
Maart In drie dagen zestig doden bij aanslagen in Hamza en Bagdad
Juni Begin terugtrekking Amerikaanse troepen uit Iraakse steden
19 augustus Bloody Wednesday: 122 doden bij aanslagen op Iraakse ministeries
2010 7 maart Parlementsverkiezingen: uitslag onduidelijk, Allawi of al-Maliki?
19 augustus Laatste Amerikaanse gevechtstroepen verlaten Irak
31 augustus Balans: 4736 doden en 31.911 gewonden aan coalitiezijde (bron: iCasualties);
106.246 Iraakse burgerdoden (bron: Iraq Body Count)