Media

Exit Silicon-consensus?

Post coitum omni triste luidt een klassiek spreekwoord over de oudste en leukste hobby van de mensheid. Inderdaad, zo is het vaak, ook op minder basaal terrein: op euforie volgt ontnuchtering. Zie de media. Twee weken geleden uitte ik op deze plek mijn scepsis over alle ophef die in het afgelopen jaar over het politiek effect van sociale en andere moderne media is gemaakt.

Hierop verder denkend ben ik sindsdien talloze vergelijkbare reacties tegengekomen. De meest spraakmakende en ook meest uitvoerige is afkomstig van een man die mij bekend was van een juichend artikel over de vermeende Twitter-revolutie in Moldavië, voorjaar 2009: Evgeny Morozov. Hij, zo veronderstelde ik destijds op basis van zijn Wit-Russische afkomst, zou wel weten wat daar aan de hand was en dus maakte ik herhaaldelijk gebruik van zijn destijds gepubliceerde artikel met de titel Moldova’s Twitter Revolution Is NOT a Myth.
Maar getuige het onlangs door Morozov gepubliceerde boek The Net Delusion denkt hij daar tegenwoordig heel anders over. Internet en sociale media doen wel iets, stelt hij, maar veel minder dan gedacht en, erger nog, vaak precies het tegenovergestelde van wat de optimisten veronderstellen. Het is vooral van dit laatste dat in The Net Delusion veel werk wordt gemaakt, met name door te stellen dat internet en sociale media voor dictators prachtige middelen zijn om de knoet erop te houden.
Dit ligt in het verlengde van een in de westerse wereld veelgehoorde klacht: dat door internet alle privé-gegevens op straat liggen, dat het ons tot slaven van de informatiesamenleving maakt en dat tegenover alle voordelen net zo veel nadelen staan. En verdikkie, ziehier: nadat ik deze Cruijff-achtige zin geschreven had liep ik naar beneden om de post te pakken, vind De Groene Amsterdammer en lees op de cover: ’20 jaar internet, de desillusie van de pioniers, het dilemma van de ouders’. Dat is precies wat ik bedoel. Tijdgeest: meningen ‘zitten in de lucht’.
Zoals we tien jaar geleden overtuigd waren van de zegeningen van het internet en acht maanden geleden van de kracht van sociale media, zo heeft nu de twijfel al weer toegeslagen. Niet alleen bij Morozov, De Groene en bij mij, maar overal, lijkt het wel. Zeker in wetenschappelijke tijdschriften verschijnen op dit moment tal van artikelen die de euforie van het afgelopen jaar behoorlijk relativeren. Ze zijn een voorbode, zo voorspel ik, van meer. De tijd van het juichen is voorbij, die van de nuchterheid begonnen. Morozov spreekt in dit verband van cyberrealisten versus cyberoptimisten en schetst, heel aardig en vermakelijk cynisch, een vernietigend portret van de velen die in de afgelopen decennia de zegeningen van de moderne techniek bezongen hebben.
Een van de eersten zou George Schultz zijn geweest, minister van Buitenlandse Zaken onder Reagan. Volgens hem waren totalitaire samenlevingen ten dode opgeschreven omdat ze niet in staat waren informatie achter een ijzeren gordijn te houden. In januari 2010 beweerde zijn opvolgster Hillary Clinton precies hetzelfde, deze keer door hoog op te geven van internetvrijheid en die zelfs op de officiële Amerikaanse agenda te zetten ('diplomacy 2.0’). Dit laatste gebeurde op het moment dat er veel gedoe was over Google in China, een half jaar nadat Twitter in Moldavië de zaak op z'n kop gezet zou hebben en enkele maanden nadat iets vergelijkbaars in Iran was gebeurd. Vooral dat Iraans getwitter leidde in het Westen tot grote uitbundigheid, gesymboliseerd door een uitspraak van Gordon Brown: dat dankzij sociale media een tweede Rwanda ondenkbaar is, want mensen zouden meteen in actie komen.
Onzin, zo weten we nu. Het is zonder twijfel waar dat sociale media in Iran bijgedragen hebben aan het organiseren van een zogenoemde flashmob, het bij elkaar roepen van mensen in korte tijd. Het is ook waar dat er binnen de Iraanse blogosfeer een kritische mentaliteit heerst(e). Maar het is nog meer waar dat er in het Iran van destijds nauwelijks twitteraars waren, dat de blogosfeer eerder het buiten- dan het binnenland vertegenwoordigde (de vele expats in de VS en elders) en bovenal: dat de regering-Ahmadinejad dankzij de beheersing van de digitale infrastructuur over een fantastisch middel beschikt(e) om critici de mond te snoeren. Niet verwonderlijk daarom dat een van Morozovs hoofdstukken Orwell’s Favorite Lolcat luidt.
In de nasleep van de val van de Muur hadden westerse en vooral Amerikaanse diplomaten de mond vol van de Washington-consensus, de gedachte dat er slechts één methode was om onderontwikkelde landen op te stuwen in de vaart der volkeren. Door 9/11 en een serie economische crises ligt die consensus sinds geruime tijd aan barrels. Maar 'we’ bleken niet voor een gat te vangen en vervingen Washington simpelweg door Silicon. Het geloof in de uniforme kracht daarvan is nog altijd sterk en ongebroken, niet alleen bij westerlingen maar ook bij tallozen elders in de wereld. Niet meer voor lang, ben ik bang.