Exit Wittgenstein en Nietzsche

Simon Blackburn
Filosofie van de waarheid
Vertaald door Rob van Essen
De Bezige Bij, 349 blz., 19,50

Als een filosoof met een klinkend romancitaat zijn eigen standpunt kracht bij wil zetten, gaat het vaak mis. Meestal betreft het een quote uit de tweede of derde hand. En dan zijn er nog de literaire context, het vertelperspectief of andere verhaaltechnische elementen die de betekenis beïnvloeden. Dus toen de Britse hoogleraar filosofie Simon Blackburn in Filosofie van de waarheid opeens Herman Melville’s klassieker Moby-Dick, or The Whale (1851) citeerde – althans een Australische collega overschreef die Melville dacht te citeren – om het «Ismaël-effect» in de filosofie te kunnen uitleggen, werd mijn wantrouwen gewekt.

Blackburn vat het slot van Moby-Dick simpel samen: het schip wordt door de walvis geramd en het zinkt midden in de Stille Zuidzee. Volgens hem zegt de verteller Ismaël dan: «Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is.» Het lijkt Blackburn onmogelijk dat Ismaël de ondergang van het schip kan verhalen. Mij niet. Ismaël overleeft, want hij wordt gered dankzij een uit het zinkende schip omhoog schietende doodskist. Deze reddingsboei wordt al op de eerste bladzijde van Moby-Dick aangekondigd. Bovendien zegt Ismaël helemaal niet dat hij de enig overgeblevene is die de beslissende jacht op de witte walvis kan navertellen. De woorden die Blackburn Ismaël in de mond legt vormen het bijbelse motto van het slotwoord uit Moby-Dick en komen in werkelijkheid uit de opening van het boek Job: vier boodschappers die stuk voor stuk als enigen zijn ontkomen aan de door God veroorzaakte rampspoed en die nog kunnen navertellen dat Job veel meer dan zijn veestapel kwijt is. Van Blackburns Ismaël-effect – filosofen die in de ene na de andere stevige stelling formuleren dat er geen waarheid kan bestaan – blijft zo weinig over.

Toch maar doorgelezen. Truth: A Guide for the Perplexed bekt beter dan de saaiere Nederlandse vertaling. Met die ietwat gelikte Engelse titel borduurt Simon Blackburn voort op twee eerdere boeken, bewust bedoeld voor een groter publiek: Denk! Filosofie en de grote vragen van het leven en Goed leven: Een tegendraadse beschouwing over ethiek. De titels zijn levendiger dan de inhoud. Het is niet al te gewaagd de Brit Blackburn als een ijverige nazaat te beschouwen van de naoorlogse analytische wijsbegeerte waarin helderheid (wie wil die niet in warrige tijden?) het toverwoord was. Intellectueel aanzien en nadrukkelijke saaiheid leken synoniem, en het was vloeken in de kerk om filosofie te gebruiken om uitspraken te doen over de menselijke existentie. Liever knappe hoogstandjes in logica dan een poging wagen de actuele maatschappelijke conflicten filosofisch te becommentariëren.

In Filosofie van de waarheid, een veredelde verzameling lezingen en recensies, volgt Blackburn de waarheidsoorlogen tussen absolutisten en relativisten vanaf Socrates tot en met Richard Rorty, met als polemische tussenstops David Hume, Friedrich Nietzsche «de aartsontmaskeraar» en Ludwig Wittgenstein, de filosoof van de omgangstaal. Absolutisten zweren bij waarheid, ratio, objectiviteit en logos (kennis); relativisten staan daar sceptisch of zelfs cynisch tegenover en zien de subjectieve mens als maat der dingen. Niets is helemaal transparant of ongefilterd, het toeval heerst, absolute waarheden zijn illusies. Overal ontwaren zij wat de Amerikaanse pragmatist William James «het spoor van de menselijke slang» noemde. Voor James, die veel invloed op Rorty heeft gehad, was de dagelijkse dynamiek van het leven essentieel: hoe kan de toekomst van het verleden verschillen? Waarheid is dan afhankelijk van wisselende perspectieven. De wereld is wat wij ervan maken, inclusief de waarheid. Truth is what pays was James’ pragmatische credo. Maar voor wie moet die waarheid dan iets opleveren? James wilde de wijsbegeerte indruk laten maken op de gewone man. Maar hoe? Blackburn refereert daar indirect aan als hij zich twee vragen stelt: «Is de heerschappij van de rede superieur aan de heerschappij van de traditie of is de heerschappij van het gepeupel eerder een kwestie van macht dan van waarheid?» Die laatste vraag is natuurlijk een retorische, want bij elke (politieke) machtsstrijd gaat de waarheid er als eerste aan.

De doorgedraaide relativisten en politiek correcte postmodernisten zijn Simon Blackburn terecht een gruwel. Van Rorty – die in De voltooiing van Amerika uitriep dat hij weigerde te geloven in het bestaan van de Waarheid «als iets wat niet door mensenhanden gemaakt is» – maakt hij een al te gemakkelijke kop van Jut. Toch heeft hij respect voor twee filosofen die zich altijd verre hebben gehouden van elk absolutisme, ook al doorspekten ze hun denkexercities met menige stellige bewering: Nietzsche en Wittgenstein.

Nietzsche, door Blackburn al te eenvoudig als «de beschermheilige van het postmodernisme» omschreven, grossierde in prikkelende en elkaar tegensprekende stellingnames. Hij beoordeelde Waarheden steevast als illusies, «maar we zijn vergeten dat het illusies zijn». Feiten zijn louter interpretaties ontstaan uit persoonlijke perspectieven; inzicht is schijn of subjectieve beeldvorming. Blackburn schrijft: «Nietzsches eigen doctrines, zoals de alomtegenwoordige wil tot macht, of het verhaal van de geschiedenis (‹Misschien is het verleden nog altijd onontdekt!› noteert Nietzsche in ‹De vrolijke wetenschap›, 1882 – gb) of genealogie van de moraal zijn empirische waarheden, en daardoor vrijgesteld van dit scepticisme.» Taal was voor Nietzsche een conventie: ze strijkt verschillen en veranderingen glad, ze vervalst dus de werkelijkheid. De benamingen en de dingen vielen niet samen, waaruit de twijfel voortvloeide of taal wel toereikend kon zijn om alle werkelijkheden (de historische, de wetenschappelijke, de emotionele) uit te drukken. Blackburn wandelt wat luchtigjes over het probleem heen wanneer hij zich afvraagt: «Wat is voor de hand liggender en onschuldiger dan de conventionele aard van de verhouding tussen woorden en dingen?» Zijn raadselachtige conclusie luidt dat de taal wat bruikbaarheid betreft wel succesvol is maar tekortschiet qua toereikendheid ten aanzien van de dingen. Hij móet dat ook wel zeggen omdat een filosofie van de waarheid onmogelijk is als de taal de realiteit alleen maar kan beperken, vertekenen of vervalsen.

Voor Wittgenstein was de taal van de filosofen al een instrument dat door te nauwe schoenen was vervormd. Hij zag de mensen vechten met de taal. «Wij staan op voet van oorlog met de taal» (Vermischte Bemerkungen, 1979). De taal zet vallen in een reusachtig labyrint van begaanbare dwaalwegen. Mensen behelpen zich met zogenaamde taalspelen. De oorsprong van het taalspel is de reactie of de menselijke handeling, waaruit meer ingewikkelde taalvormen ontstaan. De taal is dus een verfijning, «in den beginne was de daad» (Goethe in Faust I). Maar het taalspel waarin wij emoties (pijn, hoop) uitdrukken wijkt sterk af van het taalspel waarin historische of wetenschappelijke feiten zijn geformuleerd. Het is eerder vreemd dan vanzelfsprekend dat werkwoorden als geloven, wensen of willen dezelfde grammaticale vormen hebben als snijden, kauwen of rennen (Philosophische Untersuchungen). Voor Wittgenstein betekende filosofische reflectie grammaticaal onderzoek naar de denkvormen die in onze taal verzonken liggen, een onderzoek dat ons geheugen steunt.

Tussen al die wijsgerig-kritische kanttekeningen bij de ontoereikendheid van de taal door schrijft Simon Blackburn doodleuk dat we uiteindelijk de woorden waarmee we onze kennis vormgeven en doorgeven moeten kunnen vertrouwen. «Er moet een manier zijn om betekenis vast te leggen, zodat we weten wat er gezegd wordt en waar we staan.» Een eenvoudige en duidelijke roep om duidelijkheid en helderheid. Exit Wittgenstein en Nietzsche. Aan het slot van zijn Filosofie van de waarheid zijn alle taal- en denkproblemen opeens verdwenen als sneeuw voor de zon. De relativerende commentaren op alles wat ertoe doet (waarheid, rede, kennis, objectiviteit en vertrouwen) kunnen we gewoon terzijde schuiven, stelt Blackburn ons gerust, omdat die waarheid en ratio deugden zijn die ons de weg in de verwarrende wereld wijzen. Die slotzin lijkt mij een kat in de zak. Met terugwerkende kracht blijkt Blackburns tocht langs de kritische denkers filosofisch droogzwemmen te zijn geweest.

Waar moeten we Blackburn nu plaatsen? Niet toevallig citeert hij een fragment uit David Hume’s An Enquiry Concerning the Principles of Morals waarin hij menselijke trekjes als ambitie, hebzucht, eigenliefde, ijdelheid, gemeenschapszin en grootmoedigheid als universeel bestempelt. «De mensen zijn in alle tijden en op alle plaatsen in zo’n grote mate gelijk, dat de geschiedenis ons wat dit betreft niets nieuws of vreemds te melden heeft.» De achttiende-eeuwse filosoof en historicus Hume verwoordde een Waarheid die eeuwen later door de antirelativistische denker Isaiah Berlin in zijn oertekst Political Ideas in the Romantic Age opnieuw werd geformuleerd: de menselijke oerbehoeften en vermogens dwars door alle culturen heen verschillen niet echt veel van elkaar. Vandaar dat Berlin ervan overtuigd was dat er universele menselijke waarden moesten bestaan. Vreemd dat Simon Blackburn met geen woord rept van zijn mede-Brit Isaiah Berlin, die zijn leven lang zocht naar een «gemeenschappelijke morele horizon». Zijn al te koel-analytische Filosofie van de waarheid ontbeert betrokkenheid en compassie. Het ontbreekt de weinig taalgevoelige en vrijblijvend opererende Blackburn uiteindelijk aan filosofische inzet, die zijn zogenaamde relativistische tegenstanders – inclusief Richard Rorty – wél hebben.