Experimenteel sneuvelen

Worden we er toch weer ingerommeld? Zo werd het genoemd toen Nederland bij de oorlog in Irak betrokken raakte. Geleidelijk, eerst met juridische steun voor de aanval en toen met soldaten naar het front, wel een rustige sector, Al Muttanah, waar we konden wederopbouwen, wat niet verhinderde dat er toch nog een paar sneuvelden. Ten slotte, terwijl het land een chaos was, hielden we het voor gezien. Er zijn daar nog altijd 130.000 Amerikaanse troepen om de orde te bewaren, wat niet altijd lukt, en in Den Haag is de commissie-Davids bezig uit te zoeken hoe we er toen terecht zijn gekomen.
En nu Afghanistan. Eerst zouden we er blijven tot 2008, als lead nation in Uruzgan, ook om te wederopbouwen. Twee jaar geleden was het al duidelijk dat de oorlog daar niet was wat we er aanvankelijk van hadden verwacht. Opbouwmissie werd vechtmissie. Dat verhinderde minister van Defensie Eimert van Middelkoop niet voorbarig het initiatief te nemen om nog twee jaar bij te tekenen. In het kabinet kreeg hij geen noemenswaardig verzet, een meerderheid van de Kamer was het met hem eens. Maar in 2010 zouden we definitief vertrekken, daar kon iedereen op rekenen.
De oorlog heeft zich opnieuw anders ontwikkeld dan de deskundigen in Den Haag en Washington hadden berekend. Nooit sinds 2001 zijn de Amerikaanse generaals zo pessimistisch geweest. Een recent rapport van de opperbevelhebber Stanley McChrystal aan minister Gates over de toestand van nu lekte uit naar The Washington Post (21 september).
Tenzij hij de beschikking over extra troepen krijgt, ‘zal de onderneming waarschijnlijk in een mislukking eindigen’. Hij noemt de regering in Kaboel ‘zwak en corrupt’; voor de strijdkrachten van de Navo, 38.000 man sterk, heeft hij geen goed woord over, de soldaten van de bondgenoten spreken de taal niet en weten niets van de plaatselijke zeden en gewoonten en hun opperbevel is ‘armzalig georganiseerd’. Ze moeten ermee ophouden aparte ongecoördineerde campagnes te voeren.
Na nog wat kritiek concludeert de generaal: ‘Als we er het komende jaar niet in slagen het initiatief te herwinnen terwijl de Afghanen er beter in slagen voor hun eigen veiligheid te zorgen, lopen we de kans dat we de opstand niet meer kunnen verslaan.’ Volgens de geruchten wil hij 45.000 man extra.
In Amerika is de toch al heftige discussie over de Afghaanse expeditie verder opgelaaid. Obama heeft het een ‘war of necessity’ genoemd; vice-president Joe Biden is van mening dat het verstandiger zou zijn het aantal troepen te verminderen en de ambities bij te stellen. In de New York Times van het afgelopen weekeind wijdt Frank Rich zijn beschouwing aan een boek van Gordon M. Goldstein, Lessons in Disaster, waarin een vergelijking met Vietnam wordt gemaakt. Er moet rekening worden gehouden met een ontwikkeling waarbij de oorlog steeds minder beheersbaar wordt, het initiatief verder verloren gaat en een meerderheid van de Amerikanen er definitief genoeg van heeft gekregen. Dat is dan een nieuwe versie van Vietnam.
Lezen onze ministers wel eens buitenlandse kranten? Terwijl de Amerikaanse publieke opinie langzaam kantelt en op het ogenblik niets erop wijst dat dit proces zou kunnen worden omgekeerd; terwijl het beleid in Washington in grondige revisie is, heeft minister Verhagen zich in New York afgevraagd ‘of we alles wel op anderen kunnen afschuiven’. Daarna opperde collega Van Middelkoop dat na 2010 nog vijfhonderd man in Uruzgan zouden kunnen blijven, een Provinciaal Reconstructie Team dat Afghaanse militairen en politie zou moeten trainen en daarbij voor zijn eigen veiligheid zorgen.
Daar hebben we het weer. We zijn lid van de Navo, bondgenoot van Amerika, maar dan opeens wordt in Den Haag gedaan alsof het in dit geval om een bilaterale verhouding tussen Uruzgan en Nederland gaat, alsof we niet onder de grote paraplu van Washington opereren maar alles samen met de steeds bevriender wordende Uruzganezen kunnen fiksen. Alsof we daar bezig zijn met ons eigen onverdacht mensvriendelijke experiment waar de rest van de wereld nog een voorbeeld aan kan nemen.
Een stukje recente geschiedenis. Op 27 mei 2007 gaf in de Volkskrant minister Verhagen hoog op van zijn gesprekken met collega Condoleezza Rice. Daar genoot hij van. (Rice is degene die het bevrijde Irak zag als een lichtend voorbeeld voor de democratisering van het Midden-Oosten.) Dan vragen de heren van de Volkskrant de minister waarom er geen onderzoek naar de Nederlandse steun voor de aanval op Irak komt. ‘Haha, ja dat is een goeie’, antwoordt de minister. ‘Saddam Hoessein lapte systematisch de VN-resoluties aan zijn laars, dat was de reden voor onze politieke steun. Volstrekt legitiem, dat hoef je niet te onderzoeken.’
Zo eenvoudig zit voor onze minister de buitenlandse politiek in elkaar. Komt er in 2011 een onderzoek naar de manier waarop we nu, na de afgesproken einddatum, verder Afghanistan worden ingerommeld? Als je de heren Verhagen en Van Middelkoop hoort, denk je: niet onmogelijk.