Experimenten in schaarste

EEN VAN DE verhalen van Raymond Carver heet ‘Intimiteit’ en gaat over een succesvolle schrijver die zijn ex bezoekt. Ze laat hem binnen en begint te praten, een stroom verwijten vloeit uit haar mond. Ze zegt dat hij haar in grote verlegenheid heeft gebracht en haar voor haar gevoel te kijk heeft gezet.

Ze zegt dat ze wou dat hij eens ophield over de moeilijke dagen, de slechte dagen, als hij over vroeger praat, er zijn toch ook goede dagen geweest. Ze zegt dat ze wil dat hij haar erbuiten laat, ‘wie denk je wel dat je bent? Denk je dat je God bent of zo? Je bent nog niet goed genoeg om God z'n sokken te wassen; niemand z'n sokken trouwens.’
Dan bedenkt ze opeens dat ze weet waarom hij bij haar is langs gekomen: hij is op jacht naar materiaal. Hij knielt voor haar neer, klemt de zoom van haar jurk tussen zijn vingers en blijft op zijn knieën zitten. In verlegenheid gebracht mompelt ze dat het in orde is, ze vergeeft hem. En ze gaat nog verder: ze geeft hem toestemming om ook deze scène te gebruiken voor een verhaal. 'Oké’, zegt ze, 'je vertelt het maar zoals jij vindt dat het moet, zonder je ergens wat van aan te trekken. Zoals altijd. Je doet het in elk geval nu al zo lang dat het nooit moeilijk voor je kan zijn.’
'Intimiteit’ is een van de weinige verhalen waarin Carver een schrijver laat optreden, meestal zijn het vertegenwoordigers, serveersters, pompbedienden, bakkers, mensen met heel eenvoudig werk of zonder werk die zijn verhalen bevolken. Meestal beschrijft hij zelfs helemaal niet hoe zijn personages hun geld verdienen, hij laat liever zien hoe ze het uitgeven en dat doen ze bij voorkeur in junkfood-restaurants, goedkope hotels en morsige cafés.
Maar ook al schrijft hij vooral over 'blue collar workers’, zoals ze dat in het Amerikaans zo mooi noemen, hij put er niet minder om uit zijn eigen leven. Hij probeerde met zijn fictie dicht bij de werkelijkheid te blijven en was, zoals hij zelf zei, 'a paid-in-full member of the working poor’.
DE SCE`NE tussen de schrijver en zijn ex is te lezen als elegant gebaar van bescheidenheid. Carver laat zich onder de neus wrijven dat hij zich de verkeerde dingen herinnert, 'de eerloze, beschamende dingen’, en hij verontschuldigt zich ervoor met een diepe knieval. En tegelijk laat hij zich er niet van afhouden, hij krijgt zelfs toestemming van een van zijn 'slachtoffers’ om te doen wat hij gewend is te doen: het treurige huiselijk leven en gedrag beschrijven van mensen die eeuwig falen. Zijn personages zijn hoe dan ook slachtoffers - alleen is het onduidelijk waarvan.
Omdat Raymond Carver zijn eigen leven als materiaal gebruikt en omdat hij jong is gestorven, heeft de romantische mythe over hem kunnen groeien als springbalsemien. In de kleine tien jaar dat hij dood is - hij stierf in 1988 op vijftigjarige leeftijd aan longkanker - zijn er waarschijnlijk meer woorden over hem verschenen dan hij zelf in zijn produktieve leven bij elkaar heeft geschreven. Telkens weer wordt er over zijn chaotische leven verhaald.
Hij was de zoon van een houthakker en een serveerster en hij groeide onder niet erg gezellige omstandigheden op - vader ging moeder vrolijk met de whiskyfles te lijf. Zijn levensverhaal is gestoffeerd met armoede, ellende, gebrek aan scholing, wisselende baantjes, een vroeg huwelijk, twee faillissement en drank, heel veel drank. Hij verloor nogal wat jaren als, zoals hij het zelf betitelde, 'a practising alcoholic’. Met zijn collega-schrijver John Ceerver zette hij zoveel whisky weg dat hij zelden sober genoeg was om de hoes van zijn typmachine te halen.
Gelukkig leefde hij ook een 'tweede leven’: hij raakte van de drank af, sloot zich aan bij de AA, ging een nieuw huwelijk aan met de dichteres Tess Gallagher en schreef in een verbeten tempo.
De mythische working class hero werd na zijn dood snel op een hoge troon in de schrijvershemel bijgezet. Met Hemingway en Scott Fitzgerald werd hij een van de olympische figuren in de Amerikaanse literatuur, een onuitstaanbare vaderfiguur waar elke jonge korte-verhalenschrijver zich tot moet verhouden. Hij werd als de godfather van het dirty realism en uitblinker in het minimalisme een ijkpunt in de literatuur.
Ik moet bekennen dat ik, juist omdat Carvers status zo monumentaal is en omdat hij zo vaak geroemd wordt door schrijvers met wie ik zelf helemaal niets heb, tot voor kort nog nooit een verhaal van hem had gelezen. In Wil je alsjeblieft stil zijn, alsjeblieft? is het belangrijkste werk verzameld dat Carver tussen 1976 en 1988 heeft gepubliceerd en ik heb het boek in één ruk uitgelezen.
Dat heeft iets opmerkelijks omdat zijn verhalen in zekere zin allemaal varianten van één basisverhaal zijn. Het is te vergelijken met de minimal music van bijvoorbeeld Philip Glass, waarin een basisthema voortdurend met minieme verschillen wordt herhaald. Net als de muziek van Glass hebben de verhalen van Carver een hypnotiserend effect.
'NO HEROICS, Please’ is de titel van een van de gedichten die Carver vlak voor zijn dood schreef. Het is een titel die op al zijn werk geplakt zou kunnen worden: zijn personages zijn nooit heroïsch, ze zijn ons vertrouwd als ongelukkige buren, ze beleven kleine, bizarre catastrofes en reageren daar nooit heldhaftig op. Hij schrijft over mislukte huwelijken, huwelijken waarin de echtelieden volledig langs elkaar heen praten, buitenechtelijk relaties, drank en de telefoon die altijd op precies het verkeerde moment klinkt. Vaak gebeurt er nauwelijks iets noemenswaardigs in zijn verhalen en toch heb je het gevoel dat je over een gote menselijke tragedie leest.
In 'Wat doe je in San Francisco?’ bijvoorbeeld is een postbode aan het woord die is geïntrigeerd door een jong gezin dat een huis in zijn ronde heeft betrokken. Er is eigenlijk weinig opvallends aan die familie, behalve dat de dozen na de verhuizing niet allemaal zijn uitgepakt, de tuin wordt verwaarloosd en de kinderen wel heel erg ongeremd rondrennen. Toch ziet de postbode er van begin af aan een doem over hangen die aan het eind van het verhaal bewaarheid wordt: zij gaat bij hem weg.
Carver beschrijft hoe een moeder telkens weer verhuist, soms wel drie keer per jaar, omdat ze steeds weer denkt dat het elders prettiger wonen is. Hij laat bij een echtpaar midden in de nacht de telefoon gaan en een dronken vrouw naar ene Bud vragen. Als de man de telefoon naast de haak legt en uren later weer luistert, blijkt de vrouw nog steeds aan de lijn te hangen. In de tussentijd heeft het nu slapeloze echtpaar een angstig gesprek gehad over de dood. Hij voert een werkloze vertegenwoordiger op die zijn vrouw, een serveerster, op haar werk bekijkt. Als hij andere gasten opmerkingen over haar 'reet’ hoort maken - 'Maar er zijn vogels, die houden wel van een bef met een randje vet’ - zet hij haar obsessief op dieet. Een man zet zijn hond buiten medeweten van de kinderen buiten de deur, om hem vervolgens midden in de nacht weer wanhopig te zoeken.
MET ZIJN VERHALEN geeft Carver een mozaïek van het weinig opwindende leven van de gedesillusioneerde blanke onderklasse. Ze zijn zo Amerikaans als het maar kan, al die treurige familietaferelen staan op den duur op je netvlies gebrand. Het rare is dat Carver dat weet te bereiken zonder dat hij zijn personages, hun huis of hun omgeving daadwerkelijk beschrijft. Hij karakteriseert zijn figuren door de manier waarop ze praten en doet dat in onnavolgbare spreektaal, die door Sjaak Commandeur even onnavolgbaar in het Nederlands is vertaald. En hij geeft als een nauwgezet choreograaf hun kleinste bewegingen weer. Hoe ze hun armen op tafel leggen, een flesje bier uit de ijskast pakken, van elkaar weg kijken, de telefoon opnemen, de krant lezen of uit het raam kijken.
Terecht is Carver de meester van de uitsparing genoemd. Hij weet hele gebeurtenissen tot één zin te reduceren; de lezer meubileert het verhaal verder zelf. In Wil je alsjeblieft stil zijn, alsjeblieft? staan bijvoorbeeld twee versies van hetzelfde verhaal 'Zoveel water zo dicht bij huis’, over een man die met zijn vrienden een weekend uit vissen gaat en het lijk van een jonge vrouw in het water vindt. Ze melden de dode pas bij de politie als ze zijn uitgevist. Door die twee versies is Carvers experiment in schaarste goed te volgen; het moet gezegd: het kortste en dus kaalste is onmiskenbaar het beste.