Peter van Lier, Gaandeweg rustieker

Explosieve goedgeluimdheid

Peter van Lier

Gaandeweg rustieker

Van Oorschot

60 blz., € 12,50

De sfeer in Gaandeweg rustieker, de derde bundel van Peter van Lier (1960) is opvallend. De dichter doet namelijk nergens zijn best iets bijzonders, iets vitaals, of sprankelends te ontdekken. In de eerste reeks gedichten bevindt hij zich op het platteland en schetst in zeven prozagedichten zijn waar nemingen en de daaruit voortvloeiende gedachten. Hij is voortdurend buitenstaander, die aan de hand van wat hij zoal tegenkomt op het boe renland kleine fantasieën ontwikkelt, met mensen die afwisselend «goed geluimd», «goedmoedig» en met een variatie daarop «geenszins slecht geluimd» zijn.

In het eerste gedicht fietst een meisje voorbij. Dit spoort de dichter ertoe aan een leuke vriend voor het meisje te bedenken, een belangstellende familie, en het meisje krijgt zelfs een kinderwens toebedeeld:

Hoewel het elf uur in de nacht is, of daaromtrent, komt er

een meisje voorbij gefietst. Alleen, neuriënd. Aan de rand van

het dorp, in een van de schaars verlichte straten.

Uit geweest in het centrum, natuurlijk.

Met een vriend die hier woont, waarschijnlijk. Prettig ver-
lopen.

Nu zou je verwachten dat er iets vreselijks gebeurt. Of op z’n minst een on zedelijke gedachte over het meisje in het hoofd van de dichter. Maar nee:

En nu fietst ze goedgeluimd naar huis, naar het aangren-
zende gehucht een paar kilometer verderop, waar haar ouders

haar liefdevol zullen opwachten, pa wel wat

slaperig.

Ook in het tweede gedicht fietst iemand voorbij. Ditmaal een oude man, die pas groet wanneer hij al lang voorbij is. Het te laat groeten, het roerloos staan van koeien, het wachten van huisvrouwen op het drogen van de was – dat is wat er gebeurt. Het is minder of moet je zeggen meer dan kleine fantasieën. Het zijn bijna anti-fantasieën, die alles wat mogelijk aan spannends zou kunnen gebeuren bij voorbaat de kop indrukken. In de taal, die formeel en ouwelijk blijft (waarin diepten rustig «onpeilbaar» zijn, en mensen «voldaan») in de situatie op het platteland, en ook in het tweede deel van deze reeks, Vanuit een grote stad, waarin het weinige wat er gebeurt zich afspeelt in het hoofd van de dichter, en in de ontwikkeling van iets wat groter zou kunnen zijn dan de geboden taal en plaats van handeling of gedachte. Dit is poëzie die wel heel nadrukkelijk weigert iets voor te stellen.

Ook in de stad is het leven traag. Een man moet remmen voor een voetganger. Iemand koopt een agenda. En van de mannen die werken aan een tramspoor vermoedt de dichter:

Dan, elke dag dezelfde, stel ik mij voor, mompelt een van

hen: «Vreten?» en zonder verdere toelichting sjokt hij richting

«keet» met alle andere mannen achter zich aan.

Stoere mannen zeggen «vreten» en lopen niet maar «sjokken». Dat is toch aardig bedacht van de dichter. En onder de mannen blijkt tevredenheid te heersen. Is dan werkelijk iedereen goedgeluimd in Gaandeweg rustieker? Als de dichter een beklemmende Hollandse wereld heeft willen neerzetten, waarin iedereen maar doet alsof alles wel best is, dan is hij er zeker in geslaagd. De irritatie om die geïmplodeerde wereld wordt gaandeweg heviger, en maakt dat je op een gegeven moment uit de gedichten zou willen barsten. Laat er iets vreselijks gebeuren, wens je. Dit kan de dichter niet menen, weet je. Maar de dichter blijft niet alleen in de situaties binnen de gedichten zelf toekijken, ook in de relatie die hij kiest tot de lezer blijft hij op zo’n afstand dat je niet met zekerheid kunt zeggen of hij de lezer manipuleert, of hij die bewust ergert, of dat zijn eigen wereld klein en ergerlijk is. De lezer wordt hierdoor geconfronteerd met zijn eigen verwachtingspatroon. En terwijl je achter elke rustieke boom een verkrachter gaat zien, blijft de dichter op een afstandje staan toekijken. Dan blijkt dat ook wat er niet staat allemaal in de gedichten besloten ligt, en dat je eigen nare fantasie daar als een schaduw een plek in kan vinden.

Pas in de laatste gedichten van de eerste reeks komen er kleine scheurtjes in de wereld van de goedgeluimden. Een man kijkt naar de portretjes van zijn familieleden in zijn portemonnee. Hij lacht, maar: «voor even». En in het slotgedicht komen ongelukkige kinderen voor, die zich verloren voelen op een plein met fotograferende ouders, zonder duiven.

Het tweede deel van deze bundel, wolken, is een verademing. Sporen van wat vermoedelijk jeugdherinneringen zijn, vormen een fragmentarisch beeld op een leven waarin iemand, net als de lezer, ruimte krijgt om niet alles meteen te begrijpen, en in sterke regels houvast zoekt:

De vaststelling: wij zijn

verdwaald.

Slechte tekenen: de aangevreten zwam, afwezigheid

van grassen, fictief

bloed.

Een spin vertrapt. Uit noodzaak? rancune?

Het is alsof de dichter in het laatste deel Vragen aan de zee het zoekende karakter van de daaraan voorafgaande reeks heeft willen afdwingen door van veel gedichten vragen te maken die desondanks zijn geformuleerd als constateringen en feiten. Deze zinnen krijgen pas de slinger van enige onzekerheid door het afsluitende vraagteken:

Tussen de basaltblokken,

waar het klotst,

ook, berekend wachten op de ene golf, die

ongetwijfeld komen gaat en voldoende klein,

argeloos leven te pletter

slaat of gevangen zet,

meteen zichtbaar voor het geoefend oog, op steeltjes?

(op steeltjes! spreekt het kind.)

Het doet denken aan hoe sommige volwassenen spreken met een kind. Ze zeggen hoe de wereld in elkaar zit, maar geven de zin waarin ze de wijsheid verkondigen op het laatst nog snel even de melodie van een vraag, om geïnteresseerd over te komen. Deze vorm van zachtaardigheid is pijnlijk omdat hij ongeloofwaardig is; zoals ook de dichter krampachtig een positieve houding ten aanzien van een hem vreemde wereld zoekt, waarbij juist dat optimisme zich uiteindelijk gaat wreken. Zijn onvermogen om een natuurlijke houding te vinden in zijn omgeving domineert, alle goedgeluimde bedoelingen ten spijt.