Rechts geweld in Duitsland

Explosieve woede

Duitse media oordelen veel strenger over rechtspopulistische partijen dan Nederlandse. Maar in Duitsland is het aantal rechts-extremistische gewelddaden veel hoger. Is er een relatie tussen het wegdrukken van politieke woede en geweld op straat?

Natuurlijk, er is weer een nieuwe Hitler opgestaan. Bij het Duitse weekblad Der Spiegel wisten ze direct waar Björn Höcke, politicus van de nieuw-rechtse AfD, hen aan deed denken: ‘Uw gebaren, uw stellingen, uw woordkeus, de opgezweepte massa’, zo stelde het belangrijke blad in een interview midden februari, ‘doen vanzelf aan Hitlers toespraken in de Münchener Bürgerbräukeller denken.’ De aanleiding: een toespraak die de 44-jarige Höcke, een voormalige geschiedenisleraar, op de holocaust-herdenkingsdag in Dresden hield bij de jongerenvereniging van de AfD. Daar noemde hij onder meer het holocaustmonument in Berlijn een ‘monument van schande’, dat niets te zoeken had midden in het centrum van de hoofdstad. Twee weken later besloot het landelijke AfD-bestuur Björn Höcke uit de partij te willen zetten.

Een dergelijke aanval op de Duitse ‘Erinnerungskultur’ ligt politiek nu eenmaal uiterst gevoelig, zelfs voor de AfD. In het verkiezingsjaar 2017 gokt de partij voor de grootste winst vooral op teleurgestelde conservatieven – en de mogelijke associatie met extremisme kunnen ze daar niet bij gebruiken. Zeker nu niet, in een tijd waarin rechts geweld in Duitsland, vooral tegen vluchtelingen, toegenomen is.

De cijfers uit het laatste rapport van de Duitse inlichtingendienst zijn flink. In 2015, het jaar van de grote vluchtelingenstroom, was er een toename van ongeveer 16.500 tot 21.900 gewelddaden, met overwegend lichamelijk letsel. Deze stijging komt grotendeels voor rekening van ‘gewone burgers’. Dat wil zeggen: niet zozeer leden van een neonazistische vereniging, als wel mannen of vrouwen die plotseling, vaak ook onder invloed van alcohol, op het idee kwamen een asielzoekerscentrum in brand te steken.

Medium 60051751
Pegidademonstratie waar ook neonazi’s aan deelnemen. Keulen, 2016 © Roland Geisheimer / Attenzione / Agentur Focus / HH

In de Duitse media wordt het verband dan ook snel gelegd: politici met radicale rechtse standpunten zouden met deze stijging wel eens te maken kunnen hebben – ‘hitsen’ ze de daders niet met woorden op? Eigenlijk rommelde het om die reden al maanden rond Höcke. Hoewel hij ver weg in het Oost-Duitse deelstaatje Thüringen resideert, profileerde hij zich vanaf het begin als radicale rechtsbuiten van de landelijke partij.

Opvallend genoeg kenden Nederlandse tv-kijkers Höcke tot nu toe eerder als een gewone politicus, een belangrijke stem uit de oppositie. Maar liefst twee keer werd hij eind 2016 door het nos-programma Nieuwsuur als ‘AfD-kopstuk’ geïnterviewd. Eerst werd hij na de overwinning van Trump naar zijn mening gevraagd, en eind december, na de aanslagen in Berlijn, vroeg men hem naar zijn kritiek op Angela Merkels vluchtelingenbeleid.

Het verschil in berichtgeving rond de AfD-politicus Höcke is tekenend voor een bijna tegengestelde omgang van Nederlandse en Duitse media met nieuw-rechtse partijen. Tijdens een debat over dit thema op de Nederlandse ambassade in Berlijn, georganiseerd door een journalistenvereniging, vielen vorige week de vier deelnemers zelfs moeiteloos in twee nationale kampen te verdelen. De Nederlanders profileerden zich hierbij graag als de gelouterde pragmatici. Volgens Nieuwsuur-journaliste Dieuwke van Ooij zijn Nederlandse journalisten al sinds de opkomst van Fortuyn gewend aan het thema, en schrikken er niet meer van. Die ervaring uitte zich ook in haar eigen omgang met Duitse AfD-politici: ‘Ik ben neutraal, ik wil niets verhinderen.’

De Duitsers namen daarentegen vooral een waarschuwende houding in. Bascha Mika, hoofdredacteur van de Frankfurter Rundschau, benadrukte juist dat een journalist ook zijn ‘Haltung’, positie, moest durven tonen. In neutraliteit geloofde ze niet, welke journalist is nu echt neutraal? In Duitsland heeft de publieke omroep volgens haar zelfs ‘de plicht de samenleving bij elkaar te houden’.

Het was aan Hanco Jürgens, onderzoeker aan het Duitsland Instituut in Amsterdam, om dit opvallende verschil onder journalisten in een bredere context te zetten. Volgens hem wordt ‘de pvv in Nederland gezien als een correctie van de democratie, zelfs als een verrijking ervan, maar de AfD geldt in Duitse media eerder als een bedreiging van de democratie’. Dat heeft, zegt hij, niet alleen met het oorlogsverleden te maken maar ook met de actualiteit: het ‘aanzienlijke extreem-rechtse geweld in Duitsland, dat Nederland veel minder heeft’. Met andere woorden: in Duitsland domineert de voorzichtigheid, door critici liever ‘politieke correctheid’ genoemd, maar tegelijk heeft het land permanent met gewelddadige extremisten van rechts te maken. In totaal zijn er in het herenigde Duitsland sinds 1990 zelfs 180 moorden gepleegd waarbij een ‘extreem-rechts’ motief wordt vermoed, waarvan de acties van de in 2011 ontdekte terreurgroep nsu de bekendste zijn.

‘De mate van geweld wordt eerder laag wanneer extreem-rechtse en racistische partijen sterk zijn en andersom’

Nederland heeft al jaren een sterk rechtspopulistisch geluid in het parlement. Weliswaar kende Nederland eind 2015 ook een relatief sterke stijging van het aantal leden van radicale groeperingen, zo blijkt uit cijfers van het Verwey-Jonker Instituut, maar het geweld is van een beduidend kleinere orde, net als de aanhang van radicale verenigingen: van honderd extremisten in 2014 naar 245 in 2015, tegenover 11.800 ‘gewelddadig georiënteerde’ rechts-extremisten in Duitsland. Dit opvallende verschil roept de vraag op of het ene misschien wel samenhangt met het andere. Zorgen sterke rechtspopulistische partijen in het parlement ervoor dat er minder geweld op straat is, fungeren ze als een soort uitlaatklep voor politieke woede? Als het Duitse debat in de media zich zal vernederlandsen, en het Duitse ‘Nieuwsuur’ gewoon Björn Höcke aan het woord laat, verdwijnt dan ook de explosieve politieke woede?

Binnen de wetenschap scheiden zich precies over deze vraag de geesten. Absoluut niet, vindt Daniel Koehler, directeur van Girds, German Institute on Radicalization and De-radicalization Studies. De relatie met de opkomst van een nieuwe rechtse partij en geweld is volgens hem onmiskenbaar: ‘Als politici neerbuigende retoriek tegenover migranten hanteren, dan verleent dat legitimatie voor radicalen om geweld te gebruiken.’ Hij noemt behalve Duitsland voorbeelden uit Engeland, zoals de moordaanslag door een extremistische Brexit-voorstander op de politica Jo Cox. En ook in Nederland is er volgens hem de mogelijkheid tot geweld: ‘Iemand die Wilders gelooft, is nu eenmaal ontvankelijker voor gewelddadige acties.’

Koehler is niet alleen onderzoeker, maar ook werkzaam als hulpverlener bij ‘deradicalisering’ van verschillende typen extremisten, zowel rechtse als islamistische. In Amerika werkt hij onder meer als adviseur bij een rechtbank. Zijn opvatting is onverbiddelijk: juist de ‘boze burgers’ voelen zich gelegitimeerd door uitspraken van politici, ook van ‘acceptabele politici’, zoals csu-leider Horst Seehofer, de christen-sociale partner van Angela Merkel in de regering die zich graag af en toe van zijn conservatiefste kant laat zien.

De meest recente wetenschappelijke studie die rechts geweld in Duitsland in relatie tot politiek als onderwerp neemt, lijkt deze relatie te bevestigen: in The Dark Side of the German Welcome Culture (2017) gaan de auteurs Sebastian Jäckle en Pascal D. König ‘op zoek naar de oorzaken van de stijging van het geweld tegen vluchtelingen’. De auteurs keren zich in dit onderzoek expliciet tegen een van de meest uitgesproken theses rond de ‘kanalisering’ van geweld. Deze werd in 1996 in Berlijn opgesteld, door de Nederlander Ruud Koopmans, in eigen land inmiddels bekend door een aantal kritische studies naar de integratie van moslims. Zijn onderzoek verscheen net na de eerste grote golf van geweld tegen asielzoekers in Europa, niet alleen in Duitsland, maar ook in Engeland en Zwitserland. Het grote verschil met nu: de pvv en AfD zijn veel groter dan de Centrum Partij of de Republikaner eind twintigste eeuw – en ze profileren zich ook als ‘nieuw-rechts’, niet als ‘extreem-rechts’.

dat neemt niet weg dat Koopmans’ these nog regelmatig wordt aangehaald. Hij vergeleek gegevens van rechts geweld uit meerdere West-Europese landen en kwam tot de conclusie dat sterke rechtse partijen rechts geweld afzwakken: ‘De mate van geweld wordt eerder laag wanneer extreem-rechtse en racistische partijen sterk zijn en andersom.’

Volgens de auteurs van het artikel The Dark Side of the German Welcome Culture hadden radicaal-rechtse partijen in 2015 echter helemaal geen ‘remmende werking’ op geweld. Dit verschil in studieresultaat met Koopmans zou vooral komen doordat Oost-Duitsland in de jaren negentig nog geen sterke rechts-radicale partij kende, en het dus leek alsof het vele geweld in die regio daarmee te maken had. Nu is de AfD daar groot, maar de mate van geweld ook nog steeds. Sterker nog: ‘De uitkomsten laten zien dat de kracht van rechtse partijen in een bepaald kiesdistrict duidelijk de mogelijkheid vergroot van aanslagen op vluchtelingen in dat gebied.’

Hun stelling past bij de actuele stemming in het Duitse publieke debat, maar is uit hun onderzoek ook echt een algemene theorie af te leiden over de werking van nieuw-rechts? Nee, zegt Jasper Muis, die als politicoloog bekend werd met een proefschrift over Pim Fortuyn, daarvoor zouden meerdere landen onderzocht moeten worden, en ‘moet de AfD eerst echt politiek succes hebben om haar effect te kunnen meten’.Het is volgens hem de vraag of er ook echt een causaal verband bestaat tussen het geweld in Duitsland en uitspraken van politieke partijen. De onderzoekers hebben in bepaalde regio’s gemeten of er meer stemmen voor rechtspopulistische partijen zijn, en of er in die gebieden ook meer geweld is geweest. Maar daarmee is niet duidelijk of de resultaten niet gewoon twee metingen van hetzelfde zijn geweest, namelijk van anti-migratiesentimenten in een bepaalde regio, zoals Oost-Duitsland.

Oorzaken van rechts geweld liggen eerder bij externe factoren ‘dan bij dat wat Wilders of een andere politicus in het parlement zegt’. Hij verwijst naar de invloed van islamitisch-terroristische aanslagen, zoals 9/11, en de wraakacties van rechts die daarop zijn gevolgd. Ook blijkt berichtgeving in de media tot kopieergedrag te leiden. En het is van belang of er zich een gelegenheid voordoet: de komst van een asielzoekerscentrum vergroot de mogelijkheid van een aanslag.

‘We kunnen dankbaar zijn dat het protest in Nederland gekanaliseerd wordt en niet ondergronds gaat’

Volgens Werner Patzelt, hoogleraar politieke systemen aan de TU Dresden, heeft het huidige geweld in Duitsland zelfs weinig te maken met dat wat er in het parlement wordt gezegd – eerder met dat wat er níet wordt gezegd. Patzelt werd landelijk bekend in het kielzog van de Pegida-beweging in de Oost-Duitse stad Dresden. Omdat ook hij in Dresden werkt, werd hij in alle grote talkshows en kranten gevraagd om de massabeweging te verklaren. Hij hanteerde hierbij de on-Duitse aanpak de beweging te willen ‘begrijpen’ in plaats van te veroordelen. Hij haalde zich daarbij wel de woede op de hals van linkse studenten, die aan meerdere universiteiten tegen hem protesteerden omdat hij te rechts zou zijn.

Patzelt zet zijn aanpak nu door: in maart spreekt hij op een congres over extremisme, dat uitgerekend door de AfD is georganiseerd. Het gaat over ‘alle vormen van extremisme’, vertelt hij, maar hij gaat het hebben over de ‘mensen uit het midden’, die de laatste twee jaar ineens ‘extremist’ zijn geworden.

Het geweld ontstaat volgens hem door ‘problemen die door de politiek niet opgelost worden’, dat wil in dit verband zeggen: problemen rond migratie en integratie. Voor Patzelt kan deze vorm van geweld dus wel degelijk verdwijnen als politieke partijen – welke dan ook – de onderliggende problemen aanpakken. Althans: ‘Dat is de hoop.’

De stelling van Patzelt zal voor Nederlandse oren vertrouwd klinken. Veel deskundigen in Nederland denken wel dat politieke partijen een ‘kanaliserende werking’ van woede kunnen hebben. Jasper Muis noemt onderzoek van de Duitser Swen Hutter uit 2014 over de relatie tussen rechtspopulistische partijen en politieke straatprotesten. Diens stelling: zodra er in een land sterke rechtse partijen zijn, verdwijnen de rechtse bewegingen op straat, zoals Pegida in Duitsland en in Engeland de English Defence League.

Maar ook dan, zegt hij, is er nog zoiets als nationale context. Muis ziet wat dat betreft de voordelen van de Nederlandse consensuscultuur. Duitsland heeft een hoge kiesdrempel van vijf procent, in tegenstelling tot Nederland; dat maakt het moeilijk voor splinterbewegingen hun stem in het parlement hoorbaar te maken. ‘Een gesloten politiek systeem’, zegt Muis, ‘zorgt voor sterke bewegingen buiten op straat. We kunnen in die zin dankbaar zijn dat het protest in Nederland gekanaliseerd wordt en niet ondergronds gaat.’

Die nationale context betekent echter ook: zelfs al worden de boze burgers in Duitsland gesust, dan is het een illusie te denken dat rechts geweld in dat land volledig zal verdwijnen. Dat denkt Maik Fielitz, een jonge politicoloog uit Frankfurt am Main die promoveert op de rechts-extreme Gouden Dageraad in Griekenland.

De kanaliserende werking van politieke partijen hangt volgens hem uiteindelijk van de nationale context af. Wat in Nederland functioneert, hoeft dat niet in Duitsland te doen, zegt hij. Anders dan Nederland kent Duitsland namelijk een lange traditie van niet-parlementaire organisaties die zich bewust tegen het systeem keren. Bij hen is geweld ‘identiteitsbepalend’. Typisch Duits is hierbij, zegt Fielitz, dat dit ‘eigen netwerken zijn die acties doorvoeren. Die bereik je niet met politieke debatten. De AfD heeft daar niet zoveel invloed op.’

Ondertussen vindt er op dit moment in Europa juist bij allerlei patriottistische en radicale groeperingen een tot nu toe ongekende wederzijdse beïnvloeding plaats. ‘Men inspireert elkaar, zowel de grote partijen als Front National, pvv en AfD, maar ook de gewelddadige splintergroepen.’ Of in dit verkiezingsjaar rechts geweld in Europa toe- of afneemt blijft volgens hem daarom gissen.

Fielitz’ conclusie is nuchter: de permanente mogelijkheid van rechts geweld blijft in Duitsland, en al ergeren de Nederlandse media zich eraan, daarmee blijft ook de voorzichtige houding van de Duitse media. Op de ambassade in Berlijn, tijdens het debat over rechtspopulisme, is dat te merken. Tijdens de vragenronde na afloop wordt de stemming scherper. Een journalist van de Noord-Duitse publieke omroep ndr spreekt de Nederlandse collega’s aan op hun vaak wat lacherige houding tegenover de Duitse aanpak. ‘Ik heb dat vaker gehoord vanuit Nederland, dat wij ons werk niet goed doen.’ Maar, zegt de ndr-journalist: ‘Als jullie zoveel ervaring hebben met de juiste omgang met rechtspopulisten, waarom wordt de pvv bij jullie dan toch steeds groter?’ En: ‘Waar ligt bij jullie eigenlijk de grens: wanneer zeggen jullie dat een politieke partij gevaarlijk wordt voor de democratie?’ De Nederlandse sprekers hebben er niet zo snel antwoord op: ‘Wij hebben toch niets met de groei van de pvv te maken?’ klinkt het. ‘We zijn neutraal’, zoals Van Ooij die avond steeds herhaalt. Wel vertelt ze aan de presentator, op de vraag waar ze nog graag een reportage over zou willen maken: ‘Over Marokkanen na de verkiezingen, ik heb gehoord dat velen erg bang zijn voor 15 maart.’

Ondertussen waarschuwt in Duitsland nu uitgerekend Björn Höcke voor de explosieve kracht van politieke woede. Hij hoopt dat de AfD hem toch nog binnenboord zal houden, en doet nu in interviews publiekelijk boete: ‘Ik ben met grote emotionele lading in de politiek gegaan’, zegt hij tegen Der Spiegel. ‘Daar had zich heel veel opgehoopt dat eruit moest. Dat was heel impulsief. Zozeer, dat ik mezelf daarbij een beetje verloren heb, want eigenlijk was ik altijd een introvert en evenwichtig mens. Die wil ik nu weer terugvinden.’