Pieter Hilhorst

Expres

Was het maar een kwestie van kwaadaardigheid. Was het maar een kwestie van rabiaat racisme. Dan zou het zo gemakkelijk zijn geweest om woedend te worden en «Schande!» te schreeuwen. Dan zou de mislukte inburgering als definitief bewijs kunnen gelden dat de dominante witte samen leving geen moer geeft om migranten. Dan zou de leugen achtigheid van het politieke vertoog onmiskenbaar zijn geweest. Maar het is geen kwaadaardigheid. De inburgering is vastgelo pen in het gebruikelijke gerommel. De Rekenkamer heeft het verleden week in een rapport haarfijn uit de doeken gedaan. Het beleid is verkaveld, de geldstromen sluiten niet op elkaar aan. Gemeenten moeten bij een wisselend aantal leerlingen het aanbod voorfinancieren en houden daarom voor de zekerheid te grote reserves aan. Geld waarmee veel nieuwkomers en oudkomers geholpen zouden kunnen worden. De communicatie tussen de gemeenten en de regionale opleidingscentra is beroerd. De uitval is groot. Bovendien hebben de cursussen een sterk ritueel karakter. Als het verplichte aantal uren is volbracht, wordt de nieuwkomer geacht te zijn ingeburgerd. In de praktijk heeft hij of zij dan nog lang niet de benodigde vaardigheden opgedaan om volwaardig te participeren in de samenleving.

Deze problemen komen niet als een verrassing. Toen nieuw-flinkse politici pleitten voor verplichte inburgeringscursussen werd vaak gezegd dat dit een schijndiscussie was, omdat het de suggestie wekte dat de nieuwkomers onwillig waren om de taal te leren. In werkelijkheid waren er juist forse wachtlijsten voor taallessen. Cynische waarnemers meenden dan ook dat het hele debat over de verplichte inburgering niet zozeer bedoeld was om de nieuwkomers tot de orde te roepen als wel om de bureaucratie in het gareel te krijgen. Nu kan geconstateerd worden dat dit niet is gelukt. De Tweede Kamer heeft na het verschijnen van het rapport van de Rekenkamer eensgezind geroepen dat dit zo niet kan. Van Boxtel, de eerstverantwoordelijke minister, heeft conform de verwachtingen beterschap beloofd, maar weigert evenwel maatregelen te nemen om de verkavelde financiën aan te pakken. Dat staat immers pas voor volgend jaar op de agenda. Kortom, niemand kan het verwijt worden gemaakt dat hij zijn best niet doet. En dus is iedereen vol begrip. Ten onrechte.

Ik breng geregeld door ver strooid heid mijn vriendin in de problemen. Dan vergeet ik dat zij weg moest en verschijn ik te laat om de kinderen van haar over te nemen. Zoals een echte katholiek betaamt, betuig ik in zulke gevallen onmiddellijk en overdadig mijn spijt. Soms kunnen mijn sorry’s haar echter niet vermurwen en blijft zij boos. Waarop ik verontwaardigd uitroep dat ik het toch niet expres doe. Ze geeft me daarin volmondig gelijk, maar voegt eraan toe dat dat nu juist het probleem is. Mensen die dingen met opzet doen geven daarmee blijk te weten wat ze doen. Van hen is een belofte van beterschap wat waard. Dat kun je van mensen die per ongeluk de fout in gaan niet zeggen. Hun goede voornemens vormen geen enkele garantie dat ze morgen of overmorgen niet wederom argeloos de plank mis slaan. Wie moedwillig anderen schade berokkent, kan rekenen op algemene afkeuring. Wie er met de beste bedoelingen een potje van maakt, oogst doorgaans warm begrip. Het wordt tijd om dat om te draaien. Van Boxtel moet keihard worden aange val len, juist omdat niemand hem kan verwijten dat hij expres een puinhoop maakt van de inburgering.