De bijlesindustrie

Extra ondersteuning, duur betaald

Mooie diploma’s worden steeds belangrijker, ook als statussymbool. Daardoor floreren de huiswerkinstituten, waar vooral veel havo- en vwo-scholieren gebruik van maken. Het effect? Een groeiende kansenongelijkheid in het onderwijs.

Medium holle 20ader

Doodse stilte in lokaal 162 van het Thomas a Kempis-college in Arnhem-Noord. Het is half vier ’s middags, de laatste bel is al gegaan, schoonmakers rollen hun poetskarretjes door de verlaten gangen, maar in deze klas zitten nog zeven leerlingen geconcentreerd over hun boeken gebogen. De docente kijkt ontspannen toe vanachter het bureau, op haar tablet controleert ze of iedereen aanwezig is. Als op een tafeltje achter in het lokaal een blauw kaartje rechtop wordt gezet, snelt ze er naartoe, waarna op fluistertoon een overhoring van de lesstof volgt.

Dit is een huiswerkgroep van Studiekring, met honderdtien afdelingen het grootste studiebegeleidingsinstituut in Nederland. Voor Mila (12) was de overgang van de basisschool naar havo 1 een forse stap: plots kreeg ze bergen huiswerk en moest ze studeren voor examens. Hoe ze dat precies moest aanpakken, wist ze niet goed: ‘Als ik thuiskwam las ik de stof een keertje door en dan was ik vaak na een kwartiertje al klaar.’ Tijdens een ouderavond kwam haar mentor met het voorstel om wat extra studiehulp in te schakelen, een idee dat haar ouders direct omarmden. ‘Als mijn moeder zich met mijn huiswerk ging bemoeien, kregen we soms ruzie’, zegt Mila lachend.

Medium okselknoop

Het helpt, die extra uren die ze nu op school doorbrengt: haar cijfers zijn verbeterd en de strijd met haar moeder is verleden tijd. Wanneer ze haar opdrachten voor Frans af heeft, vinkt ze in een blitse app op haar telefoon de taak af, voegt een notitie toe over haar ‘verbeterpunten’ en begint aan het volgende vak. ‘Het zijn wel lange dagen’, zucht ze. ‘Soms ben ik pas om kwart over zes thuis. Maar dan hoef ik gelukkig niets meer voor school te doen.’

De ‘bijlesindustrie’ heeft de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen: steeds meer leerlingen worden buiten de reguliere lesuren bijgespijkerd door studiecoaches. Algemene huiswerkbegeleiding, faalangstcursussen, brugklastraining, vakspecifieke bijlessen, examentrainingen – aanbieders van onderwijsondersteuning hebben een uitgebreide menukaart. Hoeveel huiswerkinstituten er precies zijn is gissen: lang niet elke instantie staat officieel geregistreerd. De Landelijke Vereniging van Studiebegeleidingsinstituten (lvsi) schat dat er inmiddels zo’n zeshonderd professionele instituten zijn, waarvan sommige meerdere afdelingen hebben. Het cbs berekende dat het bedrag dat huishoudens besteden aan private onderwijsactiviteiten, ook wel ‘schaduwonderwijs’ genoemd, tussen 2003 en 2015 is verdubbeld: van 75 miljoen naar 150 miljoen.

Voor leerlingen kan studiebegeleiding een benodigd zetje in de rug zijn, voor sommige ouders biedt het welkome pedagogische assistentie en ook scholen maken dankbaar gebruik van de diensten van externe onderwijsondersteuning. Maar ‘schaduwonderwijs’ is een paraplubegrip dat verschillende soorten dienstverleners omvat – van bijbeunende studenten op Marktplaats, tot idealistische vrijwilligersorganisaties, tot professionele instituten – waardoor prijs en kwaliteit sterk variëren. Voor professionele begeleiding, zoals die van Studiekring, betalen ouders al gauw een paar honderd euro per maand. Kinderen uit minder gegoede gezinnen zijn eerder aangewezen op de diensten van liefdadigheidsorganisaties, waarvan de educatieve meerwaarde niet altijd helder is.

In haar meest recente verslag uit de Onderwijsinspectie dan ook de zorg dat ‘de toename van schaduwonderwijs, zoals huiswerkbegeleiding, bij[draagt] aan grotere verschillen in onderwijskansen’. Voor geboren dubbeltjes is het steeds lastiger de weg omhoog te vinden, terwijl alle zeilen worden bijgezet om te voorkomen dat kwartjes in waarde dalen.

Tijdens een motorreis met zijn broer, in de woestijn van Iran om precies te zijn, kreeg Ivo Richaers (38) het idee om samen een huiswerkinstituut op te zetten. Tot die tijd kluste Richaers her en der wat bij in het onderwijs: hij viel regelmatig in als docent drama of Engels en als bijbaantje gaf hij, net als zijn ‘oudere en wijzere’ broer, bijles en examentrainingen. ‘Tijdens onze reis besefte ik hoe belangrijk goed onderwijs is. We wisten ook dat er in Nederland veel behoefte was aan extra begeleiding, er kwamen van alle kanten scholieren op ons af. En we hadden gemerkt hoeveel je – zelfs met een uurtje per week – kunt betekenen voor een leerling. Dat vonden we ontzettend gaaf. Daar wilden we iets mee.’

Bij terugkomst, begin 2000, gingen de broers aan de slag en richtten ze Studiekring op. De eerste drie jaar, vertelt Richaers, waren ze vooral bezig met het uitwerken van het onderwijsmodel. ‘We hebben samen met een aantal afstudeerders aan de Universiteit Utrecht in kaart gebracht wat er op dit vlak al bestond in Nederland. En we onderzochten wat “huiswerkbegeleiding” precies betekent. Nou, de sector bleek ontzettend gefragmenteerd en wat huiswerkbegeleiding betekent wist helemaal niemand. Iedereen gaf daar zijn eigen invulling aan.’

‘Wanneer je andere ouders over bijlessen hoort, vraag je je al snel af of jouw kind dat ook niet kan gebruiken’

Stapje voor stapje kwamen ze tot een model waarin het ontwikkelingstraject van de leerling centraal staat en nauw wordt samengewerkt met gezin en school. Richaers: ‘Destijds werden de ouders bij veel instituten als klant beschouwd, hen werd al het werk uit handen genomen. Het was enorm op discipline gericht – de leerling moest zijn kop houden en aan de slag. Je moest productie draaien en werd afgerekend op cijfers. Wij zochten een meer holistische benadering.’

Inmiddels is Studiekring de onbetwiste marktleider in de huiswerkbranche. In 2015 zwaaide Richaers af bij het bedrijf en ging een half jaar reizen in de VS. Een deel van zijn aandelen heeft hij nog, maar inhoudelijk bemoeit hij zich niet met de koers van Studiekring. Dat de organisatie die hij zestien jaar geleden heeft opgezet zo enorm zou groeien had hij destijds niet voor mogelijk gehouden, zegt Richaers. ‘We werden echt overvallen door de enorme vraag. Nadat we een eerste vestiging hadden opgezet kregen we veel enthousiaste reacties en werden we benaderd door mensen uit andere steden. Zo konden we uitbreiden. Toen het eenmaal begon te draaien werden we gegrepen door een jongensachtig enthousiasme, het was fantastisch om te merken dat onze methode blijkbaar aanslaat.’

Medium vlieg

Het is een wereldwijde trend, signaleert Sjoerd Karsten, als onderwijskundige verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Van Japan tot aan Oost-Europa bestaat er een groeiende behoefte aan buitenschoolse onderwijsbegeleiding. De redenen daarvoor verschillen per land: in oud-communistische staten zijn de salarissen van leraren vaak belabberd, waardoor docenten na schooltijd graag bijklussen, terwijl leerlingen in Aziatische landen sterker gebukt gaan onder een prestatiecultuur. Vooral in landen waar gezinnen zijn aangewezen op het publieke stelsel bloeit de markt voor schaduwonderwijs, constateert Karsten. ‘In de Verenigde Staten kunnen welvarende ouders hun kinderen naar een goede private school sturen, maar die mogelijkheid bestaat in Nederland niet. Dus wordt er geïnvesteerd in extra begeleiding buiten het reguliere onderwijs.’

Waar bijles en huiswerkbegeleiding eerder werden beschouwd als een laatste redmiddel voor scholieren met serieuze leerproblemen neigt het nu steeds meer ‘het nieuwe normaal’ te worden. Karsten: ‘Onderwijs wordt sterker dan ooit beschouwd als dé sleutel voor een goede toekomst. Mooie diploma’s worden steeds belangrijker, ook als statussymbool. Zeker bij hoogopgeleide ouders ontstaat er zo een opwaartse druk: kinderen moeten zo’n hoog mogelijke opleiding afronden.’

Die maatschappelijke tendens vindt zijn weerslag in de inrichting van het onderwijs: examens krijgen meer gewicht, leerlingen worden vanaf steeds jongere leeftijd nauwgezet gevolgd en vanuit scholen wordt vaker extra begeleiding aangeraden. We gaan in de richting van het Amerikaanse systeem, met een overdreven nadruk op goede cijfers, gelooft Karsten: ‘Vroeger hoefde je je cijferlijsten nooit te laten zien, tegenwoordig wordt er constant naar gevraagd. De prestatiedruk wordt almaar groter.’

Zelfs voor leerlingen op de basisschool wordt er al professionele onderwijshulp ingeroepen. Bijlessen voor elfjarigen of Cito-trainingen zijn geen zeldzame verschijnselen meer. Karsten: ‘Ouders willen het gevoel hebben dat ze er alles aan gedaan hebben om hun kind zo’n goed mogelijke toekomst te bieden. Ze vinden haast dat ze hun dochter tekortdoen wanneer ze naar de havo wordt gestuurd, terwijl ze met wat extra hulp misschien wel het vwo had kunnen doen.’ Het is een trend die zichzelf versterkt, denkt hij: ‘Wanneer je andere ouders op het schoolplein over bijlessen en extra cursussen hoort, begin je je al snel af te vragen of jouw kind dat ook niet kan gebruiken.’

Juist dit soort aanvullende onderwijsdiensten, die bedoeld zijn om hulpbehoevende leerlingen een extra ruggensteuntje te bieden, dreigt zo de geduchte kloof tussen hoog- en laagopgeleid verder te cementeren. Karsten echoot de zorg die in het laatste rapport van de Onderwijsinspectie staat te lezen. ‘Professioneel schaduwonderwijs is in Nederland een welvaartsverschijnsel’, zegt hij. ‘Ouders die het zich kunnen veroorloven, trekken graag de portemonnee voor wat extra ondersteuning: het komt de prestaties ten goede en als de kinderen thuiskomen is er geen gezanik over huiswerk, maar hebben papa en mama quality time met hun kroost.’

Als de zus van Najmanur (14) op pad is, is er niemand thuis die haar kan helpen met haar huiswerk. Haar ouders zijn nooit in Nederland naar school geweest, bij hen kan ze moeilijk aankloppen met schoolvragen: ze zijn de taal onvoldoende machtig en de stof is vaak te ingewikkeld. Datzelfde geldt voor Ouarda (13) en Ikram (14). Dus zitten de vriendinnen op zaterdagmiddag met hun boeken en schriften aan een tafeltje in buurtcentrum De Burcht in de Haagse Schilderswijk, waar ze elke week tussen twee en vijf ’s middags bij vrijwilligers terecht kunnen met hun vragen.

‘Nu is het zo dat jij en ik direct als huiswerkbegeleider aan de slag kunnen, je hebt geen diploma of certificaat nodig’

Stichting Stuka biedt al ruim veertig jaar gratis huiswerkbegeleiding in de multiculturele buurt die de afgelopen tijd zo vaak negatief in het nieuws was. In 1975 begonnen als bijlesklasje in huiskamers van Surinaamse Hagenezen (‘Stuka’ betekent studeren in het Surinaams) is het project inmiddels uitgegroeid tot een volwaardige organisatie, die ervoor zorgt dat er elk weekend vier à vijf vrijwilligers (functie-eisen: minimaal een hbo-diploma en bij voorkeur kennis van bètavakken) ter beschikking staan van tussen de twintig en dertig leerlingen. De aanwas is van een ander pluimage dan bij Studiekring: hier geen kinderen uit gefortuneerde ‘Volvo-gezinnen’, maar veelal scholieren met ouders die decennia geleden in Nederland arriveerden en geen geld hebben voor structurele begeleiding.

Laagdrempeligheid is belangrijk, zegt secretaris Jon Nool, doordeweeks werkzaam als onderzoeker bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Iedereen die wil, moet binnen kunnen stappen, bij Stuka verplichten ze de leerlingen tot niets. Ze zijn welkom om in rust aan school te werken, als ze vragen hebben kunnen ze een van de begeleiders aan de mouw trekken en af en toe organiseert Stuka een leuk uitje, maar daar blijft het bij. Aan evaluatiegesprekken doen ze niet, contact met de ouders is er in de praktijk alleen bij het inschrijven. ‘Ergens is dat ook wel jammer’, zegt Nool. ‘Daardoor weten we eigenlijk niet zeker of het daadwerkelijk helpt wat we doen. We meten ons succes af aan de wekelijkse toestroom.’ >

Idealistische instellingen, zoals Stuka, proberen een vangnet te bieden voor leerlingen uit minder welgestelde kringen. Hier in Den Haag is alles keurig georganiseerd: er lopen bekwame begeleiders rond en de scholieren die op hun vrije zaterdagmiddag naar het buurthuis komen, zetten zich doorgaans serieus aan hun huiswerk. Maar het blijft een project dat afhankelijk is van vrijwilligers; hoewel sommige kinderen ongetwijfeld meer hulp kunnen gebruiken, kan stichting Stuka niet meer dan een middagje per week bijspringen. Eigenlijk, realiseert Nool zich opeens, kent hij geen enkele leerling bij naam. ‘Dat is ook omdat het vaak moeilijke namen zijn’, lacht hij, ‘maar vooral omdat we hier als vrijwilligers maar eens per maand komen.’

Het zijn nobele initiatieven, zegt hoogleraar Sjoerd Karsten, ‘maar het probleem met dit soort organisaties is dat je geen eisen kunt stellen. Ouders betalen niet of nauwelijks, waardoor ze in de praktijk zijn overgeleverd aan de kunde en goodwill van de mensen die zo’n project runnen.’ De markt voor schaduwonderwijs vertoont trekjes van het Wilde Westen: er is geen enkel centraal toezicht en algemene kwaliteitskeurmerken ontbreken. Het baart Karsten zorgen: ‘Nu is het zo dat jij en ik direct als huiswerkbegeleider aan de slag kunnen, je hebt geen enkel diploma of certificaat nodig. Er is geen zicht op de markt. Ik begrijp wel dat de overheid niet staat te springen om direct met allerlei regels te komen, maar het zou al helpen om de omvang en het niveau van het schaduwonderwijs in Nederland in kaart te brengen.’

Drie dagen per week huiswerkbegeleiding bij Studiekring kost zo’n driehonderd euro, voor individuele bijlessen betalen ouders 37,50 euro per uur. Ivo Richaers beseft heel goed dat het voor veel gezinnen onbetaalbaar is, waardoor misschien juist de kinderen die het meest behoefte hebben aan wat extra hulp buiten de boot dreigen te vallen. Daar worstelde hij wel eens mee, vertelt hij: ‘Kijk, ik ben geen heilige, ik wilde ook gewoon geld verdienen. Maar ik hoopte wel dat wat ik deed een maatschappelijke betekenis zou hebben. In de praktijk verleenden we vooral een dienst voor de sociale bovenlaag: dan hadden we een lokaal vol kinderen met oer-Hollandse namen, blanke koppies en hoogopgeleide ouders.’

Richaers probeerde oplossingen te zoeken: hij riep een stichting in het leven, Talent-Plan, om kinderen uit armere gezinnen tegemoet te komen met een huiswerkbeurs, maar een structurele uitkomst bood het niet. Zijn stokpaardje is de actieve samenwerking met scholen, daarin hebben ze met Studiekring echt het voortouw genomen, vertelt hij trots. ‘Eerst was het uit den boze, de samenwerking tussen de private en publieke sector. Huiswerkinstituten werden gezien als monsters, die het geld uit de zakken van onschuldige gezinnen kloppen. Maar die houding is langzaam gekenterd: inmiddels zijn er bijna geen scholen meer waar géén huiswerkinstituut actief is.’ Door nauwer samen te werken met het schoolbestuur kan Studiekring ook kinderen uit gezinnen met een smalle beurs helpen.

Zoals Nando (13) uit klas vwo 1 van het Thomas a Kempis-college in Arnhem. Thuis huiswerk maken lukte niet: na school was hij vaak alleen thuis en dan kroop hij liever achter de computer om met vrienden te Minecraften. Zijn cijfers holden achteruit en Nando werd naar de gratis huiswerkklas van de school gestuurd, maar daar kreeg hij te weinig ondersteuning bij het leren. ‘Ik ging even zitten, deed een paar opdrachten en was weer weg’, zegt hij. Volgens zijn mentor had hij intensievere begeleiding nodig, maar zijn moeder, zegt Nando bedeesd, ‘zit niet zo goed in het geld’. De huiswerkklas van Studiekring kon ze onmogelijk betalen. Door een regeling te treffen met school kan Nando hier nu toch drie dagen per week terecht. Hier is het rustiger en hij krijgt meer aandacht – zelfs als hij die onvoldoendes straks heeft weggepoetst, zou hij graag blijven komen. ‘Anders weet ik hoe het gaat. Het gaat misschien even goed, maar na een tijdje ben ik weer hele middagen aan het gamen.’

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat er genoeg ouders zijn die hun kinderen wel naar een huiswerkinstituut willen sturen, maar het niet kunnen betalen. Toch is het niet louter een financiële kwestie, onderstreept zowel Karsten als Ivo Richaers. In het rapport van de Onderwijsinspectie wordt niet gesproken over een tweedeling tussen arm en rijk, maar tussen hoog- en laagopgeleid. Ouders met universitaire diploma’s houden de schoolprestaties van hun kinderen vaak nauwlettender in de gaten, kennen het schoolsysteem beter en durven mondiger op te treden als belangenbehartiger van zoon- of dochterlief.

Veel hoogopgeleide ouders, zeker in grote steden, willen koste wat kost vermijden dat hun kind naar een vmbo-school wordt gestuurd, dat zijn de leerfabrieken met metaaldetectors en drugs in de kluisjes. Die paar honderd euro per maand voor extra studiebegeleiding om te voorkomen dat hun kind afglijdt naar een lager niveau is in dat licht bezien een billijke investering. Het overgrote deel van de klanten van huiswerkinstituten zijn havo- of vwo-scholieren – vmbo-leerlingen zien ze bij Studiekring weinig.

Als we niet oppassen belanden we in een vicieuze cirkel, waarschuwt Sjoerd Karsten. De toenemende nadruk op educatieve supplementen kan uiteindelijk ten koste gaan van de kwaliteit van het reguliere onderwijs, wat weer een extra vraag naar private onderwijsassistentie zou genereren. Simpele oplossingen heeft hij niet, je kunt ouders moeilijk verbieden om extra ondersteuning voor hun kinderen te regelen. ‘Maar de overheid heeft wel een rol in het tegengaan van de groeiende kansenongelijkheid in het onderwijs’, zegt hij. ‘Het zou bijvoorbeeld een idee zijn om met publiek geld betrouwbare bijlesvoorzieningen te verzorgen op vmbo-scholen. Maar dan moeten we daar als samenleving wel iets voor over hebben.’


(Vanwege privacyredenen is de naam Nando gefingeerd)