Extreem-rechts mag demonstreren

Op donderdag 4 april heeft het Genootschap van Burgemeesters op een bijeenkomst van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) besloten extreem-rechtse partijen het recht van demonstratie te verlenen. Tot voor kort hadden zij dat recht niet, ook al werd dat nooit openlijk gezegd. Burgemeesters gaven nooit toestemming voor een demonstratie of een openbare vergadering, zich beroepend op de vrees voor verstoring van de openbare orde.

Dat was natuurlijk een laffe en ondemocratische redenering. In de eerste plaats was men lang niet altijd werkelijk bevreesd voor ordeverstoring, maar bovendien kwam die ordeverstoring meestal van extreem-linkse zijde. Men strafte extreem-rechts dus voor het geweld van extreem-links en zette zo een premie op politiek geweld. Het openbare orde- argument is bij uitstek het instrument van een ondemocratisch bestuur. Racistische en antidemocratische opvattingen moeten allereerst politiek bestreden worden en niet juridisch. En dat geldt zeker voor een juridisch instrument dat erop gericht is het debat uit de weg te gaan.
Dat deel van de Nederlandse natie dat zichzelf graag als weldenkend beschouwt - en daar rekenen de burgemeesters zich meestal ook toe - meenden dat men extreem-rechts niet mocht laten demonstreren omdat zij racistische en beledigende leuzen voeren. Maar om die leuzen en beledigingen te verzinnen, kreeg Janmaat van de regering veel geld voor zijn Wetenschappelijk Bureau - de Thomas Hobbes Stichting - en om ze te verspreiden vorderde de Nederlandse regering zendtijd op de televisie.
Welgedacht was dat niet, wel erg Nederlands. Men probeerde iedereen zijn zin te geven. Diegenen die een formele democratie-opvatting huldigen, hoopte men tevreden te stellen door geen enkele parlementaire fractie uit te sluiten van de gelden die voor de politieke partijen ter beschikking waren gesteld. De antifascisten, die een andere democratieopvatting huldigen, kwam men tegemoet door Janmaat het recht van vergadering en van demonstratie te ontzeggen. Het was allemaal nogal hypocriet en op den duur ook onhoudbaar, mede omdat de antifascisten die de maatschappelijke steun voor hun standpunten zagen afbrokkelen, steeds meer tot gewelddadige acties overgingen. Dat tien jaar geleden Wil Schuurman daarvan het slachtoffer werd, is in genoemde weldenkende kringen altijd discreet onder het antifascistische tapijt geschoven.
Interessant is dat de VVD'er Jan Fransen, die de knuppel in het hoenderhok gooide, niet alleen burgemeester van Zwolle is maar ook de kersverse voorzitter van de nieuwe bundeling van migrantenorganisaties, Forum. Zijn besluit om extreem-rechts toestemming te geven te demonstreren maakte binnen deze migrantenorganisaties woedende reacties los.
Die reacties zijn begrijpelijk. Des te meer bewondering verdient de man die als eerste extreem-rechts liet demonstreren. Het besluit van Fransen maakt een eind aan de gewoonte om migrantenorganisaties niet te confronteren met hun onwelgevallige opvattingen.
Ook dat is winst voor onze democratische rechtsorde. Democratie betekent immers dat zelfs mensen met weerzinwekkende standpunten recht van spreken hebben, dat ook fascisten recht op politionele bescherming hebben als zij door de autonome antifascisten in elkaar geramd dreigen te worden. Juist dat optreden van deze autonome antifascisten dreigde een geweldspiraal in gang te zetten die voor de allochtonen in Nederland rampzalige gevolgen kan hebben. Het geweld dat op de sportscholen van extreem-rechts wordt onderwezen, kan nu als vorm van zelfverdediging worden verkocht. Als de autonome antifascisten niet bestonden, zouden ze door Janmaat moeten worden uitgevonden.
Daarmee is niet gezegd dat de rechtsorde uitsluitend door extreem-links en niet door extreem-rechts wordt bedreigd. De gewelddadige acties van Yge Graman, de politieke intimidatie van vooraanstaande leden van GroenLinks, de racistische opmerkingen van Janmaat, de antidemocratische opvattingen van CP86 - zij vormen wel degelijk een ernstig gevaar. Maar dat gevaar moet bestreden worden met de geeigende middelen. Onderzoek heeft aangetoond dat racistisch geweld ook in Nederland de laatste jaren ernstige vormen aanneemt. Dat geweld moet streng worden bestraft, ook als het niet politiek geinspireerd is. Toch worden racistisch geweld en intimidatie zelden bij de politie aangegeven. En van die gevallen die wel worden aangegeven, wordt de dader vaak niet opgespoord. Daar schuilt een ernstig probleem, waar nog geen oplossing voor is gevonden.
Een groot deel van de allochtone bevolking leeft in permanente angst. Die angst wordt natuurlijk aangewakkerd als extreem-rechtse organisaties demonstreren. Maar de oorzaak van die angst ligt niet bij politieke demonstraties, maar bij het gevoel niet beschermd te worden op straat. Politie en justitie staan voor de gigantische taak om het geweld op straat terug te dringen. De strijd tegen racistisch geweld dient daarbij prioriteit te hebben. De voorzitter van het Genootschap van Burgemeesters, Hans Ouwerkerk, onderstreepte dat met zijn opmerking na afloop van de bijeenkomst: ‘Het is dus zeker niet zo dat extreem-rechtse lieden gewoon hun gang kunnen gaan. Voor en tijdens de demonstratie moet je duidelijk laten zien wie de baas is. Dat zijn wij dus.’
Vooral die korte laatste zin liet zien dat Ouwerkerk, in al zijn flinksheid, er toch niet helemaal gerust op is.