Extreem snelle koolmezen

EEN VOGELVOEDENDE stadsbewoner kijkt misschien vijf minuten naar de koolmees, tien hooguit. Dan trekt hij zijn jas aan voor de boodschappen.

Zo niet professor Arie van Noordwijk (48) en doctor Piet Drent (53). Die bestuderen in Heteren de koolmees al sinds het begin van hun werkzame leven. En het ziet ernaar uit dat ze daarmee tot hun pensioen blijven doorgaan.
Arie van Noordwijk: ‘Ik ben ook betrokken geweest bij onderzoek naar de watervlo. Heel leuk. Maar een watervlo heeft weinig achtergrondbiologie. Een koolmees juist veel.’
Piet Drent: 'In mijn vrije tijd kijk ik ook wel naar andere vogels. Maar voor mijn werk wil ik een dier waarbij ik niet alleen antwoord kan vinden op één specifieke vraag. Ik wil ook weten hoe dat antwoord past in een groter geheel. En dan heb je niet veel keus. Van de meeste soorten weten we niets over het grotere geheel. Van de koolmees wel. Ik kan in het bredere kader van de koolmees kijken of ik niet met peanuts bezig ben.’
Het onderzoeksinstituut in Heteren ligt tussen weilanden en akkers, en bestaat uit een groep barakachtige gebouwen. Ongeveer tien mensen houden zich er bezig met het onderzoeken van de koolmees. Wie zo spreekt, wordt in de loop van het gesprek subtiel gecorrigeerd. Het is niet onderzoek van de koolmees, het is onderzoek aan de koolmees. Want, zo zegt Piet Drent: 'Het gaat allang niet meer om de koolmees. Het gaat erom dat je een vehikel hebt.’
De koolmees, een vehikel?
'Ja. Zoals in microbiologisch onderzoek altijd de bacterie Escherichia coli wordt gebruikt en in medisch onderzoek de muis.’
HET KOMT ALLEMAAL doordat de koolmees zo'n geschikte vogel is. Geschikt voor het beantwooren van speciale vragen.
Van Noordwijk: 'Het gaat ons om het gat tussen populatie en individu. Hoe leiden de dingen die met een individu gebeuren tot het krimpen of toenemen van een populatie?’
Drent: 'Voor dat soort vragen is de koolmees een heel praktische soort. Er zijn er veel van. Je kunt ze ringen, zodat je ze ook in het veld kunt herkennen. Ze blijven het hele jaar op dezelfde plek. En ze komen overal voor waar bomen staan.’
Van Noordwijk: 'Als je nestkasten ophangt gaan bijna alle koolmezen daarin broeden. Dat is handig, want in nestkasten kun je zo vaak gaan kijken als je wilt.’
Een handzame soort dus, de koolmees, en daarom wordt hij in Nederland al sinds de jaren dertig geringd en geregistreerd. Toen begon de bioloog Huibert Kluijver met het volgens standaardmethoden meten van mezen. Sindsdien is een compleet bevolkingsregister van koolmezen opgebouwd, waarin elke geringde mees zijn eigen sofi-nummer heeft.
Van Noordwijk: 'Het begint nu echt interessant te worden. Voor vragen over de effecten van klimaatverandering, bijvoorbeeld. Die heeft de afgelopen twintig, dertig jaar plaatsgevonden. Er zijn maar weinig onderzoeken waarbij we gegevens van nu kunnen vergelijken met die van dertig jaar geleden.’
Een paar jaar terug deed Piet Drent een schokkende ontdekking. 'Ik was eigenlijk iets heel anders aan het onderzoeken. Het viel me op dat het niet goed ging met de legsels. Veel koolmezen leggen slechte eieren met een dunne schaal, die uitdrogen en makkelijk breken.’
Van Noordwijk: 'Een andere onderzoeker is daar toen op doorgegaan. Die vond uit dat het kwam door de zure regen. Door zure regen is er minder kalk beschikbaar, met name op arme grond. Daardoor verdwijnen de huisjesslakken. Die huisjes van slakken zijn voor mezen een belangrijke bron van de kalk waarmee ze eischalen maken. Die vondst heeft toen nogal wat publiciteit gekregen. Veel mensen schrokken: als de verzuring er nou ook al toe leidt dat vogels geen goede eieren meer kunnen leggen, wordt het toch tijd dat we er wat aan gaan doen.’
DAT ONDERZOEK was een zijlijn. Waar houden Van Noordwijk en Drent zich dan echt mee bezig?
Daar kunnen ze uren, zo niet dagen over vertellen. Ja, ze lopen door het bos en gluren in nestkastjes. Ze zitten op wacht bij een voedertafel, of voor de deur van een volière. Ze noteren het komen en het gaan, het doen en het laten, het reilen en het zeilen van koolmezen. Maar daar gaat het allemaal niet om. Die beschrijving ('een kolerewerk’, zo geeft Piet Drent volmondig toe) dient een hoger doel. En dat doel, zo wordt na een paar uur praten duidelijk, is niet minder dan het op heterdaad betrappen van de evolutie.
Van Noordwijk: 'Sommige soorten hebben zich al heel verregaand aangepast aan de omgeving waarin ze leven. Daar is nog maar weinig variatie. Bij de koolmees is de aanpassing nog niet op een eindpunt, omdat ze in zoveel verschillende gebieden voorkomen. Er is bijvoorbeeld een variatie in legselgrootte. Sommige koolmezen leggen acht eieren, andere veertien. Waarom is dat verschil er? Als één bepaalde legselgrootte ideaal zou zijn, zou je maar heel weinig variatie zien.
Om een antwoord te vinden hebben we twee extreme biotopen vergeleken. De Hoge Veluwe, een voor koolmezen heel voedselrijke omgeving. En Vlieland, een heel voedselarme omgeving. Wat blijkt? Op Vlieland ligt het optimale aantal eieren lager dan op de Veluwe. Koolmezen die nieuw op Vlieland binnenkomen, leggen meestal meer eieren dan de vogels die er geboren zijn. Maar daardoor brengen ze uiteindelijk juist minder nakomelingen voort. Op Vlieland worden vogels die weinig eieren leggen, uitgeselecteerd.’
BIJ KOOLMEZEN KAN de evolutie snel verlopen. Een koolmeesleven is kort en hard.
Drent: 'Als je kijkt naar alle koolmezen die uit het ei komen, blijkt dat ze gemiddeld maar een paar maanden oud worden. Als je begint met de dieren die uitvliegen, dan worden ze gemiddeld een jaar. En als je de dieren neemt die jongen hebben voortgebracht, dan kom je in de buurt van twee, tweeëneenhalf jaar.’
Van Noordwijk: 'Veranderingen in legselgrootte met zo'n veertig, vijftig procent kunnen zich in vijf generaties voordoen. In tien jaar tijd zijn er aanzienlijke evolutionaire veranderingen mogelijk. Bij de koolmees hebben we voldoende gegevens om naar die dingen te kijken. Bij andere soorten niet.
Voor mij is dat een van de belangrijkste drijfveren om met dit werk door te gaan. De mens is de milieuomstandigheden - de samenstelling van de atmosfeer, klimaatveranderingen - voor praktisch alle organismen in een fantastisch tempo aan het veranderen terwijl we nog helemaal niet kunnen voorspellen welke soorten zich aan die veranderingen kunnen aanpassen en welke niet. Om over dit soort fundamentele processen meer te weten te komen, moet je een model gebruiken: de koolmees.’
PIET DRENT gebruikt het model-koolmees om weer een andere variatie te verklaren: de verschillen in gedrag. Die verschillen vielen hem al op toen hij zijn promotieonderzoek deed, in 1968, naar de manier waarop koolmezen een territorium veroveren. Het gaat om gedragscomplexen, zegt hij, die bij alle gewervelde dieren te herkennen zijn. Ook bij de mens.
Drent: 'Zeg maar het verschil tussen lefgozers en slome duikelaars. Je hebt mensen die als er een ongeluk gebeurt, er direct op af rennen en vooraan gaan staan. Je hebt ook mensen die terughoudender zijn. Zo heb je ook koolmezen die altijd snel en agressief ergens op af gaan. En je hebt voorzichtige koolmezen. Die zijn ook heel degelijk. Als die een stukje verkennen, letten ze op alle details.’
Welke soort is nu het succesvolst?
Piet Drent glimlacht. 'Dat is nou net de clou. Dat hangt van de omstandigheden af. Een koolmees die geneigd is overal meteen bovenop te springen, heeft succes als op de nieuwe de plek waar hij naartoe gaat een heleboel voedsel te vinden is. Maar als daar nou net een roofdier zit te wachten, wordt hij als eerste gepakt. Dan zijn het de voorzichtigen die het meest succes hebben.’
Zo ook bij het vestigen van een territorium. 'De een bereikt dat door vreselijk te vechten. De ander laat alles over zich heen komen, alsof het hem niet deert. Hij laat zich simpelweg niet wegjagen. Dat zijn twee heel verschillende strategieën om ergens de baas te worden. Ze kunnen allebei werken. Het boeiende is dat dieren daarin onderling fundamenteel verschillen. Ze hebben niet het vermogen om de ene keer snel te zijn en de andere keer traag. Zo'n gedragssyndroom heeft grote consequenties in het leven een mees.’
OM UIT TE ZOEKEN welke consequenties, is in Heteren een geavanceerd vogelverblijf gebouwd waar koolmezen in gevangenschap worden gehouden. 'We hebben een soort fokprogramma’, legt Arie van Noordwijk uit. 'We bepalen op grond van hun gedrag welke mezen wel of niet als ouder voor de volgende generatie mogen dienen. In elke generatie wordt het gedrag extremer. Op die manier krijgen we extreem snelle en extreem langzame koolmezen.’
Piet Drent gaat voor naar het vogelverblijf. Het staat achterop het terrein en lijkt van binnen op een cellenblok: lange gangen met deuren, waarin luikjes zitten waardoor je in de vogelhokken kunt kijken. Ook zijn er hokken die nu leegstaan, waar de testjes woren afgenomen om vast te stellen of een koolmees van het snelle of langzame type is.
Test 1. 'Zodra een koolmees zelf voor zijn eten kan zorgen, halen we hem uit zijn nestkast en plaatsen we hem voor het eerst van zijn leven in een grote ruimte. Dat is nogal een verandering. Dan gaan we kijken hoe hij reageert: gaat hij snel van plek tot plek, of bekijkt hij de eerste plaats waar hij belandt heel goed en vertrekt hij daarna pas naar de volgende plek?’
Test 2. 'We doen twee koolmezen in twee hokjes en trekken het tussenschot weg. Sommige koolmezen nemen dan meteen een aanvalshouding aan. Andere gaan rustig een beetje zitten kijken en pikken een beetje in hun eten.’
Test 3. 'Deze is wel grappig. We zetten een koolmees in een kooitje en brengen dan een vreemd voorwerp in. Een heel vreemd voorwerp.’ Drent opent een bureaula, daarin liggen een stuk of vijf stokjes met daaromheen gekronkeld een roze rubberen speelgoedpanter, de Pink Panther uit de tekenfilm. 'Er zijn dieren die minuten, zo niet uren wachten voor ze op zo'n stokje durven landen. Al die tijd zitten ze naar die panter te kijken. En er zijn dieren die binnen vijf seconden er bovenop landen en beginnen te pikken. We deden het eerst met een geprepareerde koolmees. Maar die was binnen de korste keren stuk.’
EN WAT GAAT Piet Drent nu doen met zijn selectielijnen van slome en snelle koolmezen? 'We gaan de eieren van gewone koolmezen in het veld verwisselen met de eieren van deze langzame en snelle vogels. En dan kan ik gaan kijken welk type het meest succes heeft op terreinen met veel of weinig voedsel.’
Eigenlijk, zegt Drent, keert hij beladen met nieuwe kennis terug naar het onderzoek waaraan hij al in 1968 begon. 'Het is voor een deel oude vreugde, oude liefde. Maar nu weet ik dat het wel of niet kunnen vestigen van een territorium ook te maken heeft met de gedragskenmerken van een dier. Tot nu toe konden we, zeg maar, zeventig procent van het systeem verklaren. Met dit nieuwe aspect hoop ik er weer tien procent bij te pakken.’
Hij wrijft peinzend door zijn baard. 'En dat is waarom ik hier na dertig jaar nog steeds met de koolmees bezig ben. Ik zal niet zo gauw aan een andere soort beginnen. Het is leuk om iets te vinden, iets op te lossen. Maar het is nóg leuker als je steeds iets toe kunt voegen aan de kennis die in al die jaren is opgebouwd.’