Extremistisch Centraal-Europa

In Hongarije paraderen weer zwarthemden. De rechts-radicale Jobbik-partij kreeg één op de zes stemmen met een verkiezingsprogramma vol provocaties over joden, buitenlandse speculanten en ‘zigeunermisdaad’. In aanloop naar de verkiezingen werd ‘Judapest’ (zoals de hoofdstad in het jargon van de Jobbik-partij heet) ontsierd door hakenkruisen en reden steeds meer auto’s rond met bumperstickers met de kaart van Groot-Hongarije.

De ontzetting van Europa valt over Hongarije, zoals ze over twee maanden over Nederland zal vallen. Het maken van de vergelijking betekent meteen een waarschuwing voor te snelle generalisaties over ‘landen die in extremisme vervallen’ of simplistische conclusies over Oost-Europa als poel des verderfs. Ook wij hebben onze Wilders, ook in Frankrijk haalde Le Pen de tweede ronde van de presidentsverkiezingen en ook daar plakken wij zeer uitgebreide analyses op.
Maar dat impliceert niet dat Centraal-Europa op weg is naar het nationaal-socialisme. Politieke analisten zien juist een saai en voorspelbaar verkiezingsjaar in Centraal-Europa, terwijl anderhalf jaar geleden met grote zorg naar 2010 werd uitgezien. Destijds sloeg de economische crisis hard neer op Centraal-Europa en werd alom gewaarschuwd dat de Centraal-Europese economieën in zouden zakken, dat de werkloosheid door het dak zou schieten en woedende burgers de naarste partijen aan de macht zouden brengen bij de verkiezingen van 2010 in Hongarije, Tsjechië, Slowakije en Polen.
Vooral in Hongarije zou het misgaan, omdat daar sinds de eeuwwisseling de armoede steeg, de corruptie toenam en de sociale positie van de Roma verslechterde, en als toetje een video opdook waarin een vuilbekkende premier zijn kabinet toebeet dat ze ‘anderhalf jaar lang hebben gelogen’ tegen het volk. ‘We logen ’s morgens, we logen ’s avonds’, aldus de premier. En: ‘Er is geen enkele regeringsmaatregel waar we trots op kunnen zijn.’
Toch bleef de politieke crisis uit. In reactie op de economische misère en het wanbestuur deden de Hongaren in grote meerderheid wat heel Centraal-Europa dit jaar volgens analisten gaat doen: ze kozen voor de traditionele, bekende oppositie. In Hongarije is dat Viktor Orban, een nogal populistische ex-premier die vrij ver naar rechts leunt, maar ook zegt niks van Jobbik te willen weten. Een regionale ruk naar rechts is het ook niet, want in Tsjechië en Slowakije zal de slinger waarschijnlijk terugzwaaien naar de linkse oppositie, maar wederom naar bekende gezichten. De Hongaarse verkiezingen geven daarom niet aan dat Centraal-Europa richting fascisme marcheert.
Voor joden, Roma en andere minderheden is dat wellicht een schrale troost, want wat de verkiezingen wel illustreren, is dat politiek extremisme en xenofobie blijvende verschijnselen zijn in Centraal-Europa. Dat extreme partijen het er zo goed deden werd een tijdlang verklaard uit angst voor de overgang naar het kapitalisme of andere tijdelijke zaken, maar dat bleek net als andere voorspellingen van de democratiseringstheorie te optimistisch.
Het zal een pijnlijk gezicht blijven hoe makkelijk extremisten in Centraal-Europa sentimenten kunnen uitmelken die bestaan bij de gratie van een onverwerkt oorlogsverleden - het deel van de communistische orthodoxie dat alle misdaden op Duitsland schoof, hebben de nationalisten immers gretig omarmd. Ook de positie van de Roma zal een dankbare voedingsbodem voor extremisme blijven, want hun achterstelling heeft zich vertaald in een sociaal conflict dat veel scherper en veel tastbaarder is dan de sociale problemen waar populisten in West-Europa op inhaken. Richting afgrond marcheert Centraal-Europa dan ook niet, maar de optimistische vergezichten kunnen voorlopig weer in de ijskast.