Ezelliefde

Veel zekerheden zijn er niet in en na dit leven, maar één ding staat vast: alle ezels gaan naar de hemel. Zwaluwen ook, maar dat is een ander verhaal. Ezels gaan naar de hemel om een veelvoud van redenen, waarvan ik er maar enkele ken. Een uitputtende opsomming ervan moet te vinden zijn in een aantal oeroude geschriften die echter spoorloos zijn verdwenen. De eerste verdwijning zou rond het jaar 37 plaatsgevonden hebben, niet lang na de dood van het ezeltje waarop Jezus Jeruzalem binnenreed; maar ook tijdens de heerschappij van de Zwarte Dood rond 1349 en tijdens de Dertigjarige Oorlog verdween cruciaal materiaal. Geruchten gaan dat het bewijsmateriaal zich in zwaarbewaakte kelders van het Vaticaan zou bevinden.

Zeker is dat niet alleen documenten zijn verdwenen, maar ook geleerden die ze op het spoor waren. Typerend is dat Rome, daar waar de strategie van ontvreemding niet lukte, en waar resten van kennis in de orale en picturale traditie een eigen bestaan waren blijven leiden, onder de eenvoudigen van geest (niet voor niets ‘zalig’ genoemd) het machtsmiddel van het 'apocrief’ verklaren toepaste. Bekend is, zij het in kleine kring, dat de grootmoeder van genoemd ezeltje uit 33 aan de kribbe had gestaan, samen met een os (ossen varen overigens zelden ten hemel, maar dat is echt een ander verhaal) - doch uitgerekend het evangelie dat daar melding van maakt, en dat, de Curie ten spijt, zijn weg naar de beeldende kunst glorieus heeft gevonden, deze diskwalificatie over zich afriep.
In Frankrijk woont een ezelhoudende Nederlandse bioloog/theoloog die hier alles van weet, die een schat van ezelgeschriften en -afbeeldingen bezit, maar die, voor de NCRV-televisie geïnterviewd in het kader van ezelliefde (te verstaan als liefde voor de ezel), eieren voor zijn geld koos en middels de vermaledijde term 'apocrief’ alsnog de ezel loochende. (In de verte kraaide een haan.) Daarom maak ik me zorgen om het lot van Theun de Winter, Texels auteur en eigenaar van vijf ezels, die in hetzelfde programma (De beesten, de baas) via een omweg de heiligverklaring van de ezel aandurfde door te stellen dat, waren wij als de ezel, wij in het paradijs zouden wonen.
Natuurlijk heeft hij gelijk, want de ezel is niet alleen van een grote zachtmoedig- en duldzaamheid, maar ook van uitzonderlijke schoonheid, zij het dat die (aldus De Winter) zich niet onmiddellijk in zijn gehele aandoenlijke lichaam openbaart, als wel in de stralende perfectie van de afzonderlijke delen waaruit het is opgebouwd. De ezel en De Winter worden regelmatig door fietsende toeristen gehoond middels spottend 'ia’, maar zo vergaat het alle profeten.
Tot besluit van zijn program introduceerde maker Fillekers een man die 25 jaar geleden een grijs ezeltje had gered van niet-aflatende aanvallen van een (wellicht Roomse) pony; die nu zelf drie prachtige zwart-witte ezeltjes had en die gefilmd werd op het moment dat een vierde, zo grijs als zijn beschermeling van destijds, bezorgd werd. Hij was zichtbaar geroerd, maar omdat hij zijn tranen overwon, vroeg Fillekers herhaald 'of het hem niets deed’. 'Heel veel’, was het antwoord, 'maar daar heeft een ander niets mee van doen.’ Zo verknalde Fillekers zijn mooie documentaire. En zo won de ezelminnaar het van de traantrekkende televisie. Wat geen toeval is. Trouwens, weet u waar je ook veel ezeltjes vindt?
In salami.