Zelf heb ik - geboeid door het fenomeen Pound - van tijd tot tijd geprobeerd om enige bezieling aan zijn gedichten te ontlenen, maar altijd weer zonder succes. Mijn overheersende indruk van zijn Cantos was die van een pretentieuze etalage van onverteerde eruditie (met een enorm epateergehalte). Het was alsof iemand zijn vingers in de keel had gestopt en het produkt daarna als maaltijd had opgediend.
Het anti-joodse gehalte valt overigens nog mee, maar waar dit vergif wordt bijgemengd, is het goed raak, zoals in het ‘Addendum for Canto C’ (in: Drafts and Fragments of Cantos CX-CXVII; 1970, copyright 1942), dat begint: ‘The Evil is Usury, neschek/ the serpent/ neschek whose name is known, the defiler,/ beyond race and against race/ the defiler,/ beyond race and against race/ the defiler/ Tokos hic mali medium est/ Here is the core of evil, the burning hell without let-up’, enzovoort. Met misschien als dieptepunt (als dit nog te peilen valt) de regels: ‘Neschek, the crawling evil, / slime, the corrupter of all things,/ Poisoner of the founts,/ of all fountains, neschek,/ The serpent, evil against Nature’s increase,/ Against beauty/ to kalon/ formosus nec est nec decens.’
Ik zal hier geen exegese leveren. Overduidelijk is dat deze tirade tegen de woeker van de joden is gericht, gezien de obsessieve herhaling van het Hebreeuwse woord hiervoor, naast het Engelse en het Griekse. Waarom hij het Latijnse ‘fenus’ niet gebruikte voor die vier Latijnse woorden is onduidelijk - of hij kende dit niet, of hij vond dat Grieks indrukwekkender. Dat zijn ideeen over een (joodse) woeker als functie van het (joodse?) kapitaal middeleeuws aandoen, behoeft geen uitleg.
Het laatste woord van het gedicht is ‘Lothophagoi’, wat gewoon Lotofagen of Lotuseters betekent - en dat kan elke gymnasiast wel uitleggen. De datering is ‘circa 1941’, wat misschien ook iets met Homerus te maken heeft: in dat jaar bezetten de Duitsers de Balkan. Rotterdam, E. M. JANSSEN PERIO