De zwarte stem

F*ck’n sellout

Afro-Amerikanen met onwelgevallige kritiek op de zwarte cultuur worden vaak beticht van verraad. Waar ligt de grens?

In een speech die hij in 1963 hield, verdeelde de activist Malcolm X de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging in twee kampen: de ‘field negroes’ en de ‘house negroes’. Met dit begrippenpaar bedoelde Malcolm X twee soorten slaven uit het slavernijtijdperk. Je had de field negroes, waartoe Malcolm X ook zichzelf rekende, die in een constante staat van rebellie leefden. En je had de house negroes, waarmee Malcolm X onder anderen de pacifistische Martin Luther King bedoelde, die bij hun blanke slavenmeesters inwoonden en het over het algemeen iets beter hadden dan de field negroes die zware arbeid moesten verrichten op het land. Om dit privilege te behouden kwamen house negroes nooit in opstand tegen hun slavenmeesters. Als het erop aankwam zouden ze eerder de opstandige field negroes tegenwerken dan hun eigen slavenmeesters.

Malcolm X’s historische analogie was nauwelijks accuraat of eerlijk. Niet elke house negro was per definitie een verrader. Het was ook een onverkwikkelijke vergelijking. Martin Luther King, die met groot gevaar voor eigen leven aanzienlijke successen boekte, verdiende beter dan house negro genoemd te worden.

Toch heeft de tweedeling van Malcolm X school gemaakt. Het begrip house negro is nog altijd in gebruik. Vooral de populaire cultuur (film, hiphop) is daarin belangrijk geweest. Denk bijvoorbeeld aan acteur Samuel L. Jackson die de grote blikvanger is in de bioscoophit Django Unchained (2012), waarin hij een door en door verrotte house negro speelt.

Een ander teken van de kracht van het begrip house negro is het grote aantal synoniemen dat ervan in omloop is. ‘Uncle Tom’ is de bekendste. Ook ‘Bounty’ of ‘Oreo’ – zoetigheid die zwart van buiten maar wit van binnen is – zijn populaire termen om verraders van de eigen soort mee aan de schandpaal te nagelen. Maar het synoniem dat zonder omwegen aan dit soort verraad refereert is sellout.

Dat het begrip sellout in de Afro-Amerikaanse gemeenschap geen marginaal verschijnsel is, bewijst het boek Sellout: The Politics of Racial Betrayal dat in 2008 verscheen. Auteur is Randall Kennedy, een Afro-Amerikaanse hoogleraar rechten aan Harvard. Iedere groep is bang voor verraders binnen de eigen gelederen, maar binnen een kwetsbare gemeenschap als de Afro-Amerikaanse leeft die angst voor verraad net iets sterker. En met recht, betoogt Kennedy in zijn boek, waarin een uitgebreid overzicht gegeven wordt van Afro-Amerikanen die hun mede-Afro-Amerikanen dwarsboomden, van huisslaven die opstandige slaven bij hun meester aangaven tot Afro-Amerikanen die in opdracht van veiligheidsdiensten de burgerrechtenbewegingen van de jaren zestig infiltreerden en saboteerden.

Large hwt12.031 20flying 20geese 20hr
© Hank Willis Thomas, Flying Geese, 2012. Bron: Courtesy of the artist and Jack Sh ainman Gallery, New York.

Maar Kennedy heeft ook oog voor de naargeestige evolutie van het begrip sellout. Soms wordt de beladen historische resonans die sellout heeft misbruikt om te kwetsen, om onwelgevallige geluiden de kop in te drukken, en om anderen een benauwend idee van Afro-Amerikaans burgerschap op te dringen.

Hij werd de karikatuur van een hiphopper: grofgebekt, anti-intellectueel, en vooral geïnteresseerd in bling

Reden voor Kennedy om dit boek te schrijven was het feit dat hij zelf ook een sellout is genoemd. Dat gebeurde toen hij het boek Nigger: The Strange Career of a Troublesome Word (2012) publiceerde. In dit historische werk betoogt Kennedy dat het losse gebruik van het n-woord door jonge Afro-Amerikanen en hun blanke kameraden het woord minder beladen zal maken. Dat was tegen het zere been van Afro-Amerikanen die vonden dat Kennedy blanken een vrijbrief gaf voor een achteloos gebruik van het woord. Hij werd een ‘racial free-loader’ genoemd die over de ruggen van Afro-Amerikanen wat geld probeerde te verdienen.

Gek genoeg is Kennedy ondanks deze kwetsende lastercampagne niet voor het uitbannen van het begrip sellout. Hij is voor alles een koele, juridische geest die begrijpt dat een gemeenschap pas een gemeenschap kan heten als ze ook heldere grenzen kent. ‘If there is going to exist an imagined community known as Black America, there must also exist some point at which a citizen of Black America can rightly be charged with having done something that betrays polity.’

Maar voordat iemand aan Kennedy’s definitie van een sellout kan voldoen moet hij het wel heel bont maken. Een sellout is volgens Kennedy pas een sellout als hij iets onderneemt met de uitgesproken intentie om de eigen gemeenschap te schaden.

De reden dat Kennedy de lat zo hoog legt voor het gebruik van sellout is dat de een verraad kan zien waar de ander een poging ziet de eigen gemeenschap vooruit te helpen. Om dit punt te illustreren staat Kennedy stil bij Clarence Thomas, de Afro-Amerikaanse rechter die met zijn kritiek op positieve discriminatie en stuitende uitspraken over slavernij weinig fans heeft in de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Thomas is misschien een waardeloze rechter met akelig conservatieve opvattingen, aldus Kennedy, maar van verraad kan hij niet worden beticht. Hij heeft gewoon een ander idee van hoe hij de Afro-Amerikaanse gemeenschap kan dienen.

De strenge voorwaarden die Kennedy stelt voor het gebruik van sellout dienen nog twee andere doelen. Het maakt allereerst het lichtzinnig gebruik ervan erg moeilijk. Juist omdat het woord zo kwetsend is moet de beschuldiging van sellout waterdicht zijn en aan scherpe criteria voldoen. Daarnaast is het goed als het gebruik van het begrip wordt teruggedrongen omdat het de individualiteit van mensen beknot. Dat ziet Kennedy met name bij zijn Afro-Amerikaanse studenten op Harvard. Die durven vaak geen lucratieve carrière na te jagen bij een wit advocatenkantoor omdat ze bang zijn om voor een sellout uitgemaakt te worden die zijn gemeenschap in de steek laat voor geld.

Maar wat kunnen Kennedy’s strenge voorwaarden uitrichten in deze tijden van online naming and shaming waar de ondermijnende termen goed gedijen? Zeker door BlackTwitter is het verwijt sellout eerder aan een opmars dan aan een teruggang bezig. Hier heeft men het druk met het hekelen van vermeende verraders, de ene keer met een hashtag (#BlackCelebsBeLike), de andere keer met het treiteren van ‘sellouts’ als Don Lemon, een Afro-Amerikaanse cnn-journalist.

Met hulp van een witte literaire canon ontsnapte hij aan de zwarte hiphopcultuur. Van Tupac naar Nabokov!

Je hebt nogal een dikke huid nodig om met BlackTwitter in je nek een afwijkend geluid te laten horen. Dat heeft ook de jonge Afro-Amerikaanse schrijver en criticus Thomas Chatterton Williams (34) geweten toen hij in The London Review of Books het bejubelde boek Between the World and Me van Ta-Nehisi Coates waagde te bekritiseren. Williams’ recensie is een voortzetting van de oude strijd tussen ‘structuralisten’ en ‘culturalisten’ die ieder een eigen uitleg hebben voor de maatschappelijke achterstand van Afro-Amerikanen. Coates staat aan de kant van de structuralisten die menen dat Afro-Amerikanen worden dwarsgezeten door diep ingebed systemisch racisme; Williams is een culturalist die gelooft dat een zelfondermijnende getto-cultuur de Afro-Amerikanen net zo veel dwars zit als systemisch racisme.

Williams kreeg op de sociale media felle kritiek te verduren. Sommige kritiek sneed hout. Williams had het boek van Coates eerder besproken in The Washington Post en was toen iets positiever. Maar andere kritiek kwam neer op het aloude verwijt dat hij een sellout is die de gunst van de blanke Amerikanen zoekt door een andere Afro-Amerikaan te verraden.

Williams is eerder en vaker een sellout genoemd. In 2010 verscheen zijn memoir Losing My Cool waarin hij harde noten kraakt over de nefaste invloed van de hiphopcultuur. In zijn kritiek op die hiphopcultuur maakt Williams veel zinnige, maar ook veel onzinnige punten. Vooral die onzinnige punten zijn een bestudering waard omdat ze duidelijk maken waarom er soms zo snel naar het verwijt van sellout wordt gegrepen.

Williams – zoon van een zwarte vader en een blanke moeder, en opgegroeid in een blanke middenklassewijk – kreeg al vroeg van zijn ouders te horen dat hij zichzelf ondanks zijn gemengde afkomst diende te definiëren als zwart omdat er in Amerika niet zoiets bestond als half-blank. Hij zou altijd en overal behandeld worden als een zwarte man en daar moest hij zich op voorbereiden. Dat had hij kunnen doen aan de hand van de Afro-Amerikaanse literatuur (James Baldwin, Harold Cruse, et cetera) die zijn belezen vader thuis had liggen. Maar Williams was een puber als ieder ander, meer geïnteresseerd in tv kijken dan in boeken lezen. Het lag dus voor de hand dat hij uit de hiphopcultuur die in de jaren negentig zo’n hoge vlucht nam zijn ideeën over zwart-zijn zou halen. Een dieet van Yo! MTV Raps en Black Entertainment Television zorgde er volgens hem voor dat hij opgroeide tot de karikatuur van een hiphopper: grofgebekt, anti-intellectueel, en vooral geïnteresseerd in bling. Hetzelfde gold voor zijn Afro-Amerikaanse vrienden die net als hij tot een middenklassemilieu behoorden maar zich onder invloed van de hiphopcultuur zijn gaan kleden en gedragen alsof ze uit een zwart getto kwamen. Pas toen hij zijn middelbare school verruilde voor de universiteit ontdekte hij hoe beperkend die hiphopcultuur altijd was geweest. Met nauwelijks ingehouden woede rekende hij vervolgens af met die cultuur die hem een schokkend platte voorstelling van zwart-zijn voedde.

Williams’ kritiek op de hiphopcultuur klinkt erg aannemelijk, vooral waar hij betoogt dat hij niet de luxe had van blanke kinderen om hiphop ironisch te benaderen. Maar het is ook een beperkte kritiek. Hij maakt met recht gehakt van rijmende knoeiers die helaas ook recht op zendtijd hebben. Maar staan die voor ‘de hiphopcultuur’? Hiphopartiesten met meer substantie (Dead Prez, Black Star, The Roots) doet hij in een alinea af. Dat is alsof je alle klassieke muziek beoordeelt aan de hand van André Rieu.

Je kunt je heel goed voorstellen dat de beperkte analyses in dit boek als een welkom steuntje in de rug zullen worden beschouwd door mensen die al geloven dat de Afro-Amerikaanse cultuur niet veel meer te bieden heeft dan een handjevol achterlijke hiphopartiesten. Nog vrolijker zullen ze worden als ze lezen hoe Williams vervolgens met hulp van een witte literaire canon aan de greep van de zwarte hiphopcultuur wist te ontsnappen. Van Tupac naar Nabokov – hoera voor dode blanke schrijvers!

Tot de laatste pagina hoop je dat Williams op zijn ongenuanceerde kritiek terugkomt, of in ieder geval een rijker beeld schetst van hiphop. Helaas doet hij dat niet. Maar maakt dit Williams tot een sellout die de zwarte hiphopcultuur karikaturiseert om een wit voetje te halen bij witte mensen? Nee. Als we de sellout begrijpen zoals Randall Kennedy die begrijpt – als iemand die de uitgesproken intentie heeft om zijn eigen gemeenschap te schaden – dan voldoet Williams niet aan de definitie. Want Williams wil de Afro-Amerikaanse gemeenschap niet schaden.

Zijn analyse van de hiphopcultuur is misschien beperkt, maar die is wel gedreven doordat hij begaan is met de zwarte cultuur. Hij bekritiseert de hiphopcultuur omdat ze te sterk de Afro-Amerikaanse identiteit bepaalt, en nog wel op een manier die elke diepgang of complexiteit mist. Hij wil de zwarte cultuur en de definitie van zwart-zijn bevrijden uit de klauwen van de hiphopcultuur en daarvoor iets in de plaats stellen dat minder plat en provincialistisch is.

Dat duidt vooral op kritische zin. Als hij hierom een Uncle Tom of house negro wordt genoemd zegt dat vooral iets over de benepen dwingelandij en intellectuele leegte van de sellout-roepers. Williams is in zijn analyses hooguit schuldig aan slordig denken, niet aan verraad.