Faam en fortuin

Ik ben niet beroemd momenteel, maar ongetwijfeld komt het nog. Er is weinig aan te doen: ik hou van schrijven, en als je daar lang genoeg mee doorgaat moet je er op een gegeven moment toch aan geloven. Als je naam vaak genoeg boven kranteartikelen of op omslagen van boeken heeft gestaan, komt er geheid een moment dat mensen die jij niet kent jou wel blijken te kennen.

Dat is, behalve beangstigend, helemaal niet goed voor een mens. We zijn niet op deze aarde gezet om beroemd te worden. Arnon Grunberg kan ervan meepraten: beroemd geworden door zijn werk, gek geworden door de roem, en inmiddels beroemd om zijn gekte. Ik ken Grunberg niet persoonlijk, maar ik weet heel zeker dat het allemaal niet gegaan is zoals hij het bedoeld had.
Zo is er ook het meelijwekkende lot van The Prodigy, een Engelse house-band die muziek maakt die een groot verlangen opwekt tot spontane zelfcombustie, en videoclips die ongeveer even smakelijk zijn als de videoreportage van een rectum-piercing, kortom, een band die razend populair is bij jong publiek. Zo populair dat hun laatste plaat, The Fat of the Land, alle verkooprecords heeft gebroken.
Zijn ze nu blij, de jongens? Nee.
De leider van de groep heeft bekendgemaakt dat ze erg ongelukkig zijn met alle heisa, en dat ze zich daarom zullen gaan richten op het maken van werk dat niemand aanspreekt. Je denkt toch even helemaal niets, als je zoiets hoort.
Nu zijn dit beroemdheden die per ongeluk tegen de faam aanliepen. Dat maakt ze, hoe mesjogge ook, nog te pruimen. Gek, misschien, maar niet uit eigen verkiezing.
Echt onverteerbaar, tot stikkens toe, zijn de zelfverklaarde beroemdheden. Serge van Duijnhoven, hij zal u misschien niet onbekend zijn (daar heeft hij in elk geval erg zijn best voor gedaan) is er zo een: het menselijk equivalent van een warm ballonnetje. Van D. is het schrikbeeld van wat een te vrije opvoeding voor gevolgen kan hebben; als hij vroeger wat meer geslagen was, zou het nu niet zo'n misselijkmakende, orakelende eigengeiler zijn.
Het heeft me dan ook zeer gespeten dat Gerrit Komrij, op wie je vroeger altijd kon rekenen voor het betere hak- en zaagwerk, Serge van D. ongemoeid heeft gelaten in hun briefwisseling in de NRC, een paar weken geleden. Hij deelde niet de kopstoten en muilperen uit die Van D. rechtens toekomen, maar aaide hem slechts luchtig door de vette lokken.
Ongelijk kan ik Komrij niet geven, maar jammer is het wel. In één keer zouden we van Van D. en zijn gezeik over de ‘Jonge Dichters’ af zijn geweest. Nu moeten we waarschijnlijk nog jarenlang luisteren naar het verhaal hoe hij en zijn beste vriendje, de gemankeerde saxofonist Zwetsloot, het podium van de Nacht van de Poëzie in Utrecht bestormden. Voor wie er niet geweest is: de twee renden het podium op, riepen: 'Waar zijn de jonge dichters’ in de microfoon, en begonnen wat buitengewoon slechte gedichten voor te lezen. Zelf geschreven werk, bleek. Het had dezelfde droevigheid als de uitreiking van Avro’s Televizierring: de pretentie dat er iets gebeurt.
Dit gebeuren van niks wordt sindsdien door Van D. tot steeds mythischer proporties opgeblazen. Nog een jaar of tien en de hele moderne Nederlandse literatuur is daar, in Vredenburg, Utrecht begonnen, let maar op.